Bruin monster

Kunt u zich voorstellen dat ik gek zat te kijken toen ik tijdens de première van de Nederlandse filmdocumentaire 'Leve het bruine monster' plotseling mijzelf zag? Het was in het gedeelte dat over Abe Lenstra handelt en ik begrijp er niks van. Ineens verschijnt daar een foto van een blond twaalfjarig jongetje in beeld: goed gewassen en geboend, de haartjes keurig gekamd. Maar zou iemand serieus hebben gedacht dat dit Abe was? Lichtblond haar, een melkmuiltje? Och, het is een detail. Abe zal er, daarboven, niets van hebben gemerkt en voor mij is het wel aardig voor een keer in de filmische nabijheid van Frieslands grootste sportman te hebben vertoefd.

Het is trouwens een onderhoudende film, best het aankijken waard. Een collega van de Volkskrant vroeg mij voor de tv of de film mij ontroerd had. Ik heb daarop ontkennend geantwoord, omdat ik het woord te sterk vond voor het gevoel dat die oude beelden bij mij opriepen. Moet je een rilling door je wervelkolom voelen trekken als je het oude Olympisch Stadion in de dertiger jaren vol ziet lopen? Het was een mooi gezicht, maar toen ik vorige week bij PSV-Feyenoord was en die voetbaltempel in Eindhoven eens rustig bekeek, kwamen die beelden eveneens zeer positief op mij over.

Ik heb wel degelijk iets met voetbalvelden en het gekke is, dat dat niet eens uitsluitend op stadions slaat. Als ik langs een veld rij of loop waar gevoetbald wordt, of binnenkort gaat worden, heb ik de neiging te blijven staan. Vooral wanneer de krijtlijnen helder zichtbaar zijn, de netten bollen in de wind en de hoekvlaggen hoopvol wapperen. Dat heb ik altijd gehad, dat kleine geluksgevoel. Misschien zou het verontrustend zijn indien ik de enige was met dit soort reacties, maar goddank: er zijn er veel meer.

Twee grote wedstrijden domineren in deze film: Nederland-Duitsland uit 1935 en West-Duitsland-Nederland uit 1957. De eerste ging verloren, de tweede werd met 2-1 gewonnen (Abe Lenstra scoorde tweemaal en was na afloop niet te beroerd om aan Dick van Bommel haarfijn te vertellen hoe die treffers tot stand waren gekomen). Sommige beroemdheden van destijds kwamen niet helemaal ongeschonden uit de strijd: Han Hollander maakte ongegeneerd reclame voor een bepaald merk sigaretten en radioman Dick van Bommel interviewde stukken minder goed dan ik hem vroeger vaak heb horen doen.

Een van de pluspunten van deze bruine-monstergeschiedenis is de kennismaking met een tijd waarin sport nog redelijk overzichtelijk en blijmoedig was. Weliswaar herinneren sommigen zich nog een incident uit 1928, toen in Zaandam tijdens de wedstrijd ZFC-ADO de Haagse keeper Cees Quax de op de grond liggende tegenstander Van 't Kaar in het gezicht schopte, waarna een algemene vechtpartij ontstond. Nee, engelen waren het toen ook niet, maar in het algemeen was de sfeer veel minder opgefokt dan tegenwoordig. Juist toen ik nadacht over vroeger en nu, bracht de beeldbuis shots van een Duitse competitiewedstrijd met onze landgenoot Johan de Kock, bijna niet te tellen keren in heftig duel met een tegenstander. 't Leek op alles, behalve op sportiviteit, maar De Kock (afgestudeerd ingenieur) keek er met een verontschuldigende glimlach op terug.

Dan beviel mij de voetballerij van de jaren dertig beter. Compleet met kinderlijk aandoende stukjes film over dansende typistes. In zekere zin een handicap was de kwaliteit van de wedstrijdbeelden (zwart-wit en soms slecht te volgen). Maar het straalde ook een bepaalde vertederende charme uit. Overigens drong de betekenis van het laatste commentaarzinnetje van acteur Gijs Scholten van Aschat niet helemaal tot mij door. Het klonk als 'fok De Kock in het kippenhok'.