Melkert vreest politiek automatisme

De Tweede Kamer debatteert morgen en overmorgen over de Miljoenennota. Fractievoorzitter Melkert van de PvdA waarschuwt voor de automatische piloot bij het nemen van politieke beslissingen, ook bij interventies in de wereldeconomie.

DEN HAAG, 28 SEPT. Bij de eerste vergadering van het eerste kabinet-Kok in 1994 verraste minister Zalm (Financiën) zijn collega's met aanvullingen op het regeerakkoord, die de speelruimte van de ministers drastisch beperkten. Ad Melkert, toen minister van Sociale Zaken en nu fractievoorzitter van de regeringspartij PvdA, heeft daarvan “geleerd dat het goed opletten geblazen blijft” met afspraken over de financiën.

Toen Zalm op Prinsjesdag de Tweede Kamer verraste met een nieuw reserveringspotje in de Miljoenennota, stelde Melkert dan ook “indringende vragen” en wist hij samen met D66-voorman De Graaf de verdere beperking van de uitgaven voorlopig te neutraliseren. “De begrotingssystematiek lijkt misschien neutraal maar is het niet. Wat je in zo'n potje stopt, kun je niet besteden aan andere uitgaven”, licht Melkert toe.

Over de overheidsfinanciën van volgend jaar debatteert de Kamer morgen en overmorgen bij de financiële beschouwingen met minister Zalm. Bij de algemene beschouwingen na Prinsjesdag zette Melkert al de toon met oproepen aan het adres van met name Zalm met als boodschap: meer politieke beslissingen nemen en minder overlaten aan ambtelijke instellingen.

“Er bestaat een stevige consensus over de noodzaak van het voeren van een solide financieel beleid, nationaal en internationaal”, zegt Melkert nu. “Tegelijkertijd ben je door dat beleid bezig om de verantwoordelijkheden naar elders te delegeren aan monetaire autoriteiten, waardoor de politieke legitimatie in het gedrang kan komen. Dat geldt in het bijzonder voor het internationale beleid en is actueler geworden door de vorming van de Economische en Monetaire Unie. De benadering van de crisis in Rusland en Azië gebeurt te veel op de automatische piloot.”

Het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de regelkamer van de internationale economie, zal bij de jaarvergadering deze week naar verwachting uitgebreid praten over de financiële crisis. Nederland wordt daarbij vertegenwoordigd door minister Zalm, die al van Melkert te horen heeft gekregen dat hij met een duidelijke agenda moet afreizen naar Washington.

Welke boodschap moet Zalm overbrengen?

“Het IMF en de Wereldbank moeten eens tegen het licht worden gehouden, omdat het dogma van de vrijmaking van het kapitaal niet tot oplossingen blijkt te leiden. Nederland sluit zich aan bij het koor dat het IMF standaard zijn gang laat gaan met standaardrecepten voor situaties die bepaald niet standaard zijn. De situatie in Rusland bijvoorbeeld vraagt om maatwerk, om een kritische reflectie op het zwakke binnenlands bestuur en de corruptie. De interventies van het IMF wekken soms de indruk van een bodemloze put. En ten behoeve van wie eigenlijk? Van een kleine elite van rijken. Er is te weinig herkenbaar patroon van overweging en afweging. Ook vind ik van deze ervaringen weinig terug bij de verantwoording door het kabinet aan de Kamer over de bijdragen aan het IMF. Het IMF moet een heldere missie formuleren, anders dan alleen het bevorderen van de omloop van het kapitaal.”

Hoe kan de politieke invloed van de grootste industrielanden versterkt worden bij de aanpak van economische brandhaarden?

“Nu de EMU wordt gevormd, ligt het minder voor de hand om de Europese presentie in de G-7 alleen over te laten aan Duitsland, Frankrijk, Italië en Groot-Brittannië. Op termijn moeten de Europese Centrale Bank en de Europese Commissie tezamen die rol gaan overnemen. Dat brengt dan ook weer de noodzaak met zich mee om beleid te formuleren, omdat Europa met veel meer gewicht komt te zitten bij de G-7.”

En hoe zit het met de politieke invloed in Europa zelf, nu ook hier meer wordt overgelaten aan bijvoorbeeld een onafhankelijke instelling als de Europese Centrale Bank?

“De onafhankelijkheid van de ECB bij het vaststellen van het monetaire beleid is zeer gewenst en we kennen die in Nederland en Duitsland natuurlijk al langer. Het wordt spannend om te zien hoe dat na 1 januari 1999 verder zal gaan met landen erbij die minder een dergelijke traditie kennen zoals Italië en Frankrijk. Het monetaire beleid wordt in vergelijking met de huidige Nederlandse situatie eerder politieker.”

“Waar ik mij eerder zorgen over maak is de groeiende invloed van de Ecofin, de vergadering van de Europese ministers van Financiën. Die bepaalt in de toenemende mate de agenda in Europa. In mijn vorige functie is mij dat heel beeldend duidelijk geworden bij het werkgelegenheidsbeleid, dat van groot belang is in Europa en waarover wij in het Verdrag van Amsterdam belangrijke afspraken hebben gemaakt. De natuurlijke dominantie van de Ecofin was zo sterk, dat het niet alleen mij als minister van Sociale Zaken maar ook de minister van Economische Zaken de grootste moeite kostte om de voorbereiding van de werkgelegenheidstop mee te bepalen. Door die dominantie dreigen sommige dingen op de automatische piloot te gebeuren en de politieke legitimatie te verminderen.”

U kunt in de Tweede Kamer uw minister van Financiën toch aanspreken?

“Brussel is een sterk depolitiserende en technocratische omgeving. Naast Zalm zijn er nog veertien ministers van Financiën. Dat geeft ook een van nature goedwillende minister van Financiën ernstige beperkingen.”

En hoe kunnen politici in Nederland economisch beleid voeren, nu de rol van de staat in de economie de afgelopen vijftien jaar drastisch is teruggelopen?

“Kwantatitief is die teruggelopen, kwalitatief niet. De aard van de overheidsinterventies is fundamenteel veranderd. Het is geen doel op zichzelf om de rol van de overheid zo groot mogelijk te laten zijn. De overheid treedt op waar dat nodig is. Bij de voorzieningen voor ouderen bijvoorbeeld moet je je afvragen wat - op het hoogtepunt van de vergrijzingsgolf in 2020 - onder particuliere zorg valt en wat niet. Door dat soort afwegingen wordt de politieke rol juist verhelderd.”

“Wat wel belangrijk is, is dat de politiek markeert waar de overheid beslissingen gaat nemen. De discussie over Schiphol raakt het fenomeen van de verplaatsing van de politiek. Natuurlijk kunnen alle belangengroepen meepraten, maar op een gegeven moment moet de politiek duidelijk maken wanneer en waar de besluitvorming plaatsheeft. Dat noem ik verankering van de politiek.”