Léhar als parodie op operettetraditie

Voorstelling: Das Land des Lächelns, Franz Léhar. Door: Hoofdstad Operette, o.l.v. Gottfried Stöhr. Gezien: 26/9, Stadsschouwburg Amsterdam. Tournee t/m 21/5. Inl. (020) 623 9531.

Na de succesvolle Die Fledermaus van vorig jaar brengt de Hoofdstad Operette dit seizoen Das Land des Lächelns. Franz Léhar componeerde het stuk voor Richard Tauber, die als de Chinese prins Sou-Chong schitterde in de inmiddels wereldberoemde aria's 'Dein ist mein ganzes Herz' en 'Immer nur lächeln'. Op de première zaterdag nam de fraaie Canadese tenor Dan Chamandy de rol overtuigend voor zijn rekening. Net als vorig jaar heeft de Hoofdstad Operette weer flink uit het buitenlands aanbod geput voor de driedubbele solistenbezetting, ook voor de regie, die in handen is van de 35-jarige Duitser Jochen Gnauert. Hij heeft onder meer Mozart-opera's, en ook de Duitse Rocky Horror Show geregisseerd. Van Das Land des Lächelns maakte hij een mooi ogende eigentijdse productie, die geen moment verveelt en flink de spot drijft met het genre.

Het verhaal is simpel. Lisa, dochter van een Weense graaf, wordt verliefd op de Chinese prins Sou-Chong en trouwt met hem wanneer hij naar zijn land wordt teruggeroepen. Sou-Chongs oom Tschang dwingt hem nog vier Chinese vrouwen te trouwen. Andere vrouwen, daar wordt een Westerse vrouw ongelukkig van. Ruzie, een vluchtpoging en een scheiding zijn het logische gevolg in deze operette zonder happy end.

Gnauert heeft het stuk, dat nogal wat dialogen en statische momenten bevat, leven ingeblazen door de zes klassiek geschoolde danseressen na een stoomcursus mime en acrobatiek tot de spil van de voorstelling te maken. Met hun aandoenlijk geschminkte gezichtjes komen ze als duveltjes uit doosjes hoeken en gaten uit en begeleiden de gebeurtenissen als relativerende schaduwen. Soms drijven ze rechtstreeks de spot met de zangers door bijvoorbeeld bij een larmoyante aria hun ogen te deppen met grote witte zakdoeken.

In de eerste akte hangen rondom het toneel rode doeken, als een toneel in een toneel. De zangers worden tijdens de ouverture als paspoppen op het toneel neergezet en komen tot leven als het verhaal begint. De dames van het in de hoogte soms wat scherp klinkende koor zijn uitgedost in lange gewaden met gigantische strohoeden, een van hen lijkt met haar monstrueuze geel-roze jurk net een opgezwollen spekkie. Een blinde man in rokkostuum baant zich tastend een weg door deze orgie van wansmaak. Gnauerts regie lijkt één grote parodie op de oude operettetraditie - door de Hoofdstad Operette overboord gezet, maar in de provincie waar het gezelschap straks moet touren nog zeer gewild.

De tweede en derde akte spelen zich af in China tegen een decor van matglazen ruiten die met wisselende pasteltinten worden belicht. Er zijn kleurige optochten met vaandels, vlammen en draken. Naarmate de verhouding tussen Lisa en Suo-Chong verslechtert, bevat de operette steeds meer opera-achtige elementen. De Nederlandse Annemarie Kremer (Lisa) en Chamanday (Suo-Chong) waren geknipt voor hun rol. Ook de Zwitserse Vera Ehrensperger als het vrijpostige zusje Mi en de Amerikaan Ross Neill als Lisa's - en Mi's - aanbidder Gustl leverden uitstekende zang- en acteerprestaties, evenals Bert Simhoffer als de wel erg karikaturaal geregisseerde oom Tschang. Het orkest speelde goed en met verve, al werden op de plaats waar ik zat de solisten nogal eens overstemd, vooral als ze achter op het podium zongen. Dat is een kwestie van akoestiek, die niet voor de hele schouwburg geldt, maar wel hinderlijk is.