Jagen met de Franse slag

De jachtlust van de Fransen verbaast menige mede-Europeaan. En de jachtlust van de Zuid-Fransen verbaast weer menige landgenoot. 'Pettenjagers', zo luidt een benaming van Zuid-Franse jagers tegen het einde van de vorige eeuw. Voor jagers die na niets ontziende tochten zelfs geen musje meer op hun weg vonden, en voor het plezier van het richten en knallen hun petten in de lucht wierpen om er gaten in te schieten.

Jagers zijn soms de enige levende wezens die je langs de weg ontmoet. Doordat het overgebleven dierbestand permanent armoedig is, hoor je de jagers niet vaak. Ze zijn er wel, op de meest onverwachte plekken. Dan is er een waarschuwingsbordje opgehangen, of staat er een groepje auto's met zo'n waarschuwing achter een ruit: 'Tirer à balles - danger'. In afgelegen, bergachtig gebied blijven die bordjes soms achterwege.

Vooral in donker bomenbos kan het je gebeuren. Door urenlang zonder enige menselijke aanwezigheid wat verstrooid geraakt, laat je het oog vallen op een vage vorm op een paar meter afstand - en dat blijkt een verdekt opgestelde man in het groen. Verderop is er nog één, en nog één. In alle stilte knikken ze je, het geweer schietklaar, één voor één toe. De eenzame wandelaar heeft opeens publiek, en nog een heel kritisch publiek ook. De blikken kun je niet verwelkomend noemen, maar zijn ook niet vijandig - het jachtgebied is weliswaar gevaarlijk, maar niet verboden terrein voor wandelaars. Het is altijd wat ongemakkelijk voortstappen langs zo'n rij zwijgende autochtonen die je dulden - maar dan ook net.

Toch is het goed, gezien te zijn. Dat er bij de jacht met de Franse slag veel doden vallen onder de jagers zelf, werd wel vermoed. Maar niet dat onschuldige wandelaars zo vaak onder vuur worden genomen. Over het vorige seizoen zijn voor het eerst nauwgezet statistieken bijgehouden, en vooral Le Monde pakte met de ontluisterende gegevens flink uit. Herten, zwijnen, patrijzen, tortelduiven en al die andere dierlijke mikpunten buiten beschouwing gelaten, vielen er in seizoen 1997-1998 224 slachtoffers door de jacht, waarvan 45 dodelijke. Dat laatste aantal lag bijna vier keer hoger dan werd verwacht. En jawel - zeventig procent van de dodelijke slachtoffers viel zuidelijk van de Loire.

Veertig procent van de door een vuurwapen verwonde jagers werd dat door het eigen wapen, en die categorie telde acht doden. Ook in het merendeel van de overige gevallen hielden de jagers het in besloten kring, en velden andere jagers. Zelfs een aanzienlijk aantal toezichthouders van de Franse jachtorganisatie, onder meer belast met veiligheid, viel als slachtoffer. In tien procent van alle gevallen van verwonding ging het om niet-jagers. Verdachte geluiden makende wandelaars, paddestoelenzoekers, maar ook verrassend veel mountainbikers werden beschoten. Bij elkaar was het twintig maal raak onder de niet-jagers, met ernstige verwonding als gevolg en zelfs twee dodelijke vergissingen.

Voor de toename ten opzichte van vroegere statistieken zijn twee verklaringen verzonnen. Allereerst is er nu voor het eerst goed geteld, maar in de tweede plaats is de manier van schieten veranderd. Nu in veel gebieden hazen en patrijzen vrijwel zijn verdwenen, richt men zich vaker dan vroeger met grof geschut op wilde zwijnen en reeën - anders dan bij de jacht op vogels, op mensenhoogte in het rond mikkend. En daarnaast moeten de jagers blijkbaar nog wennen aan het toenemende aantal wandelaars en mountainbikers in hun revier.

Met zulke cijfers in gedachten loop je niet lekker meer, wanneer je zo'n waarschuwingsbordje ziet, of in het verlengde van de wandelroute een schot hoort. Je zou haast gaan begrijpen waarom mensen die zich onder het mom van buitensport in het openbaar begeven, van die wonderlijk schreeuwerige kleding dragen, het liefst fluorescerende fel gekleurde rugzakken torsen of idem kinderfietsjes bestijgen. In ieder geval voel je je in stemmige ecoline kleuren extra onveilig. Je probeert vooral niet als een wild zwijn of hert te klinken. Je begint harder te praten. En vooral méér. Iedere observatie die normaal onuitgesproken zou blijven, wordt nu de wereld ingeslingerd.

Als je gewend bent je hooguit op fluistertoon pratend door bos en beemd te bewegen, is het even wennen. “Goh, wat een mooi beekje”, roep je nog maar eens bij verwacht onheil, “Vind jij dat ook geen mooi beekje!” “Zeker! Zo lekker rustig ook. Het murmelt.” “Wat zeg je?” “Het murmelt!!” Bij alleen lopen kan zingen ook een gevoel van bescherming geven. Met fluiten moet je alweer voorzichtiger zijn - dat moet niet te abstract klinken als van een vogeltje. Je kiest dus voor herkenbare chansons. En dan, als je toch altijd weer onverwachts op de mannen bent gestuit, voel je je iets veiliger - belachelijker, maar veiliger.

Soms stuit je later op de dag weer op dezelfde mannen, maar dan bij de dorpskroeg. Ze vormen een goedgestemde meute, want er is een zwijn geschoten. Dat ligt op tafel uitgestald. Meedrinkend en uitgedeeld fruit van eigen teelt aannemend en prijzend, begin je deze oerbron van mannengezelligheid haast te waarderen - als elf, twaalf mannen zoveel plezier van dat ene, netjes geschoten zwijn hebben, is dat toch een redelijke verhouding. Veel vrijetijdsbestedingen kosten direct of indirect meer aan natuur.

Maar bij dat ene zwijn blijft het niet. Nooit. De gelukkige die het schoot, heeft nu al vijfmaal, met een glas pastis in de hand, druk vertellend, de twee kogelgaten aangewezen, de precisie van de schoten bewonderend. Hij zegt over het kleine jachtgebied langs het beekje: “Vorige week hadden we nog zeventien zwijnen. En herten? Die waren er vroeger wel, maar die ziet men hier niet meer.”

Ook vandaag valt het met de jachtdruk niet mee. Na enige tijd, gevuld met gloedvolle betogen van tafel naar tafel, waar wijn, bier, aperitieven en digestieven eendrachtig samenwerken aan verhoging van de jachtsfeer, hijst iedereen zich weer in de benen. Sommigen wat onvast. “Het zit erop?” vraag je. “Nee, we gaan wéér.”

Dat levert de verklaring voor een andere vaststelling in het onderzoek: de flinke piek in menselijk slachtofferschap tussen drie en vier uur 's middags.

Frankrijk ligt tegenwoordig vanwege het al te fanatieke jachtgedrag onder vuur van de Europese Unie. Die probeert het land tot de orde te roepen. En in Frankrijk zelf gaan stemmen op om voor jagers een blaastest verplicht te stellen.