Hout

“Arbeid... arbeid... arbeid.” Sleuteldraai voor sleuteldraai komt de Gestapo dichterbij. “Arbeid! Hout of metaal?” Het klinkt als friet met of zonder. Onverschillig kijkt de blauwe me aan.

“Doe maar hout.” Om de een of andere reden klinkt metaal helemaal ver weg

“Kees, de 108 pakt hout.”

“Ja oké, genoteerd”, roept een stem van beneden.

Op de gang staat een tiental 'houters' al klaar. We worden geteld. Het zijn er negen. “Ja, we hebben er vandaag een paar minder met al die AP'ers en Iso's”, bromt de teller. Daarna moeten we door de x-ray. “Piep, piep, piep.” De 114 heeft geen werkschoenen aan. Eigen schoenen mogen niet, daar kun je een schroevendraaier in meesmokkelen of wat voor wapen dan ook. Hij moet terug.

“Pasje.” De werkmeester staat ons al op te wachten. Door een grote hal vol machines worden we naar een ruimte met houten tafels en banken gevoerd. 'Coffeeshop' staat met hanenpoten op de wand geschreven. Daaronder hangt 'Miss Bajes': een paar houten tieten op een plankje. 'Damstenen en kaarten na gebruik retour' leest een op de wand geprikt papier een stukje verderop. Een aantal onbekende houters, C- en D-blokkers zo te zien, zit al te kaarten, te dammen of te dollen.

“Oh my darling love me tender.” Keihard slaat de radio toe. Als op bevel staat iedereen op. Hier wordt op de terreur van de Arbeidsvitaminen gewerkt. Het is 13.30 uur. Hout begint.

“Jij”, de werkmeester wijst naar mij, “bij de schieters.”

Ik word naar een werkbank gevoerd waar drie Turken staan. De een legt razendsnel twee planken op een steun, de ander schiet er even snel met een moker twee spijkers doorheen, eentje links, eentje rechts, en de derde stapelt ze op een palet. “Help de stapelaar maar.” IJverig begin ik mee te stapelen.

“Pang, pang, pang.” De werkmeester heeft zich omgekeerd. Razendsnel vuurt de mokeraar een paar denkbeeldige kogels op hem af. “Fuck, fuck, fuck”, sist de stapelaar. Er komt een andere werkmeester voorbij. Iedereen begroet de blauwen hier op zijn eigen manier.

Langzaam, stapel na stapel, trekt de middag voorbij. Bij twintig stapels van elk honderd is de palet vol. “Erkan, haal de voorhef even.” Zijn twee maten beginnen achter een stapel hout een joint te roken.

“Fucking hout”, mompelt er eentje als ze zijn uitgerookt. En door gaan we weer met een nieuw palet. Langzamer nu - stoned.

Opeens is er doodse stilte. De Vitaminen zijn weggevallen. Pauze. Als een razende begint iedereen te kaarten en te dammen. “Je krijgt twee stenen voor, maar dan spelen we wel om een halve telefoonkaart”, sist een Surinamer.

“Oké”, fluistert zijn tegenstander. Gokken is verboden. Als ze je snappen, kost dat al gauw een aantekening.

“Bakkie.” Een werkmeester kwakt twee kannen op tafel. Iedereen snelt naar het blauwenhok. De mokken, plastic lepeltjes en suikerklontjes staan al klaar. 'Het is verboden meer dan een mok mee te nemen. Mok na de pauze terug' leest een handgeschreven waarschuwing.

“O sole mio”. De Vitaminen slaan weer toe. Einde pauze. Geen hond die aanstalten maakt om op te staan. Iedereen damt en kaart gewoon door. “Michelle my belle...”, denderen de Beatles. Nog steeds is niemand opgestaan; we zijn al twee nummers verder.

“Jongens, dat kan niet, echt niet, zo redden we het nooit.” De werkmeester wijst verontwaardigd naar de tuinschotten in de hoek. Ze staan er zielig bij. Het zijn er hooguit dertig.

“Ja maar bewaarder, het is hier toch altijd slecht weer, wie gaat hier nou in de tuin zitten”, dolt de Surinaamse damkampioen.

“Niks mee te maken. Aan de slag, en anders...” Dreigend trekt hij zijn boekje. Met tegenzin brengt iedereen zijn mok terug.

De rest van de middag schieten, stapelen en klooien we maar wat raak. Het tempo ligt laag. Iedere kans om te vertragen wordt met beide handen aangegrepen. Dan moet er worden gepist, dan is een schoenveter losgeschoten, dan laat iemand zijn hamer vallen, dan zijn de spijkers op, dan krijgt de schieter ze er niet goed in en dan zitten ze weer aan de verkeerde kant van de plank. Het is altijd wat.

Truken, truken, truken.

Doodse stilte opeens. De Vitaminen zijn opnieuw weggevallen. Het is 17.00 uur. Het werk zit erop, we krijgen onze pasjes terug.

“Tot morgen.” Hout is voorbij.