HOCKEYEN MET DE BORST VOORUIT

Liefst 26 buitenlanders spelen dit seizoen in de Nederlandse hockeycompetitie, waarvan zeven bij Oranje Zwart uit Eindhoven. “Wij laten ons de kaas niet van het brood vreten.”

“Je kan er geen pepernoot van.” Behoefden de woorden van Harrie Kwinten tot voor kort weinig tekst en uitleg, sinds de hockeycoach van Oranje Zwart drie speelsters uit Zuid-Afrika onder zijn hoede heeft, stuit hij op een muur van onbegrip. “Ik heb het nog even geprobeerd, want ze zijn per slot van rekening de Nederlandse taal machtig. Dus ik vertellen over een man met een baard die uit Spanje komt en in de winter cadeautjes door de schoorsteen duwt. Toen ik wilde beginnen over zijn knechten en het strooigoed, en ik zag die verbaasde koppies, ben ik maar gestopt.”

Hanneli Arnoldi (24), Jacky Geyser (23) en Anli Kotzé (19) maakten gisteren hun debuut voor Oranje Zwart, de club uit Eindhoven die afgelopen seizoen naar de hoofdklasse promoveerde. Voorspoedig verliep de eerste kennismaking met de Nederlandse competitie niet voor de drie Zuid-Afrikaanse internationals, want landskampioen Den Bosch bleek oppermachtig in de Brabantse streekderby: 1-3. Troost vond Oranje Zwart, en Kwinten in het bijzonder, in het optreden van met name rechterspits Kotzé, die haar entree op de Nederlandse kunstgrasvelden bekroonde met een doelpunt.

Kwinten, vijftien seizoenen lang het onverschrokken boegbeeld van de club uit Eindhoven, prijst zich gelukkig met de Zuid-Afrikaanse enclave, niet in de laatste plaats wegens hun strijd en beleving. “In Nederland heerst de '80%-mentaliteit'. Zo van: ik heb het deze week druk gehad, vandaag doe ik het daarom rustig aan. Ik red het ook wel met 80 in plaats van 100 procent inzet. Zo steekt een Zuid-Afrikaan niet in elkaar. Die gaat altijd tot het gaatje.” Ter illustratie wijst de oud-international op een recente looptest waar zowel de mannen- als de vrouwenploeg aan meedeed. “Die Arnoldi liep driekwart van heren-1 naar de kloten. Echt een moordwijf.”

Kwinten rekent erop dat het Zuid-Afrikaanse elan overslaat op de rest van zijn selectie. Dezelfde hoop koestert zijn collega bij de mannen van Oranje Zwart, Michel van den Heuvel, die dit seizoen een beroep kan doen op maar liefst vier buitenlanders: de Belgische aanvaller Gerald Dewamme (28), de Pakistaanse balvirtuoos Shahbaz Ahmad (34), de Zuid-Afrikaanse verdediger Grant Fulton (25) en, sinds afgelopen vrijdag, het Australische strafcornerkanon Jay Stacy (30). Het recept van Van den Heuvel: “Onze buitenlanders moeten het goede voorbeeld geven, dan volgt de rest vanzelf.”

Zoals gisteren gebeurde, toen Oranje Zwart voor eigen publiek - ruim tweeduizend man sterk - dankbaar gebruik maakte van de wanorde in de defensie van vice-landskampioen Amsterdam: 4-2. Met de overwinning namen de Brabanders revanche voor de zeperd van een dag eerder in en tegen Den Bosch, waar de ploeg in de altijd beladen streekderby een 1-0 voorsprong uit handen gaf en uiteindelijk met 5-1 vernederd werd door de regerend landskampioen. “Typisch Oranje Zwart”, mokte Simon van den Boomen, voorzitter van de stichting tophockey. “Het zit na rust even tegen en meteen gaan die koppies omlaag.”

Wisselvalligheid achtervolgt Oranje Zwart, met ruim 1.300 leden een van de grootste verenigingen van Nederland. Aan ambities geen gebrek in Eindhoven, maar na een goede periode volgde de laatste jaren steevast de onvermijdelijke terugval. Volgens Kwinten worstelt de club met “twee typisch Eindhovense verschijnselen”. Enerzijds heeft Oranje Zwart vrijwel jaarlijks te maken met het vertrek van spelers die omwille van studie of sportieve ambities elders emplooi zoeken, anderzijds gaat de club gebukt onder een schrijnend gebrek aan zelfvertrouwen. Kwinten: “Wij tonen nog teveel respect voor anderen. OZ moet met de borst vooruit hockeyen, trots zijn op dat oranje shirt en vooral niet in z'n schulp kruipen, zoals zoveel Brabanders dat doen.”

Dergelijke woorden zijn Joop Veelenturf uit het hart gegrepen. Met lede ogen zag de 62-jarige voorzitter van Oranje Zwart - “In mijn leven tellen slechts drie dingen: mijn kinderen, mijn werk en mijn club” - de afgelopen jaren hoe gezichtsbepalende spelers zijn club de rug toekeerden. Onder hen internationals Ronald Jansen (Den Bosch), Tycho van Meer (HGC) en Margje Teeuwen (Den Bosch). Ironisch genoeg kwamen beide Amsterdamse doelpunten gisteren ook van de stick van een speler, Frank Rutgers, die ooit bij Oranje Zwart zijn hockeyloopbaan begon.

Drie jaar geleden bedacht Veelenturf een list. Hij legde voor een half seizoen de gelouterde Duitse international Carsten Fischer vast, bedoeld om de leegloop een halt toe te roepen en “de jongere spelers te laten ruiken aan tophockey”. Na Fischer volgden Shahbaz en anderen. Veelenturf: “Ik moet iets doen, want anders lopen alle spelers weg. Ik zou ook liever Nederlandse hockeyers halen, maar als die niet willen, houdt het op en ga ik over de grens kijken. Ik ben niet het type dat achterover leunt en vervolgens toekijkt hoe z'n cluppie langzaam maar zeker wegkwijnt. Ik steek m'n nek uit.”

Steun krijgt Veelenturf van twee hoofdsponsors en een businessclub, inmiddels 52 leden groot. Het technisch beleid staat sinds vorige week onder leiding van Boudewijn Castelijn, de oud-bondscoach van de vrouwen van Zuid-Afrika die bemiddelde in de komst van Arnoldi, Geyser en Kotzé. De belangen van de hoofdklasseteams worden behartigd door de stichting tophockey onder leiding van fiscalist Van den Boomen, die een al even gedreven indruk maakt als Veelenturf. “Wij laten ons de kaas niet van het brood vreten. Wij zijn ondernemers, maar dan niet van het kruideniers-type.”

Even dreigde een nieuwe leegloop, toen Sander van Heeswijk, de enige Nederlandse international van Oranje Zwart, dit voorjaar aan een vertrek dacht. Met het argument dat hij wenste mee te spelen in de top (“onder meer met het oog op het Nederlands team”) drong de aanvoerder aan op versterkingen. Die gaf gehoor aan dat verzoek en sloeg toe tijdens de WK in Utrecht, waar onder anderen Stacy en de vier Zuid-Afrikanen werden gestrikt. Veelenturf: “Ik heb hier en daar wat gesprekjes gevoerd en binnen een mum van tijd was alles geregeld. Slagvaardig optreden noemen ze dat.”

Over de aanpak van Oranje Zwart lopen de meningen uiteen. De doodsteek voor de eigen jeugdopleiding, vindt de een. Een verrijking voor het Nederlandse hockey, beweert de ander. Ronald Jansen stond tien jaar onder de lat bij Oranje Zwart, de club die hij drie jaar geleden verruilde voor Den Bosch. De 34-jarige international zegt begrip te hebben voor het beleid van zijn voormalige club. “Maar als ik het daar voor het zeggen had, zou ik voorrang geven aan de jeugd. Dat kost tijd, maar daar heb je op de lange termijn meer aan.”

Veelenturf en Van den Boomen beseffen dat de jeugd niet de dupe mag worden van de toestroom van buitenlanders. Illustratief waren zaterdag de woorden van Daan Jansen, voorafgaand aan het duel met Den Bosch. “Ik kan weer helemaal opnieuw beginnen”, sprak de 18-jarige jeugdinternational in de wetenschap dat sinds de komst van Stacy geen basisplaats meer voor hem is weggelegd. Trainer Van den Heuvel onderkent de problematiek. “Maar Daan moet beseffen dat hij l veel kan leren van jongens als Stacy en daar zijn voordeel mee kan doen.”

Vraag is verder of de vergoedingen voor topspelers als Stacy en Shahbaz niet tot scheve gezichten leidt? Van Heeswijk beweert van niet. “Want ook voor ons heeft het bestuur regelingen getroffen.” Welke dat zijn, laat de aanvoerder in het midden. “Dat is privé. Ik vraag jou toch ook niet wat je verdient.” Veelenturf uit zich in soortgelijke bewoordingen. Bovendien: “Die Afrikaantjes kosten ons niets. Alleen kost en inwoning, en een paar vliegtickets. Onze buitenlanders geven ook trainingen aan de lagere elftallen. Dat versterkt de band binnen deze club.”

Volgens ingewijden verdient Stacy per seizoen netto 25.000 gulden, exclusief onkostenvergoedingen. Shahbaz staat naar verluidt voor 35.000 gulden op de loonlijst. Geconfronteerd met die bedragen maakt Veelentuf een omstandig wegwerpgebaar. “Onzin, hele grote onzin. Mensen weten niet waar ze over praten.” Dat hij de geruchten zelf in de hand werkt door hardnekkig te blijven zwijgen, neemt de voorzitter voor lief. “Ach, hebben de mensen wat te kletsen langs de lijn.”