BETTY CARTER (1929-1998): Eigenwijze zangeres

AMSTERDAM, 28 SEPT. 'Nog geen opvolgster gehoord' stond er onder een foto van haar bij een interview dat eind 1995 in deze krant verscheen. Hetzelfde onderschrift had er vandaag kunnen staan als Betty Carter niet zaterdag op 69-jarige leeftijd in Brooklyn in New York aan kanker was overleden.

De als Lillie Mae Jones in Flint, Michigan geboren zangeres was iemand die door haar geheel eigen stijl nauwelijks concurrentie hoefde te vrezen, zeker niet de laatste tien jaar. Daarnaast stond ze bekend als een dame die bij het behartigen van haar zaken uiterst eigenwijs en vasthoudend kon zijn. Ze wenste zelf te bepalen hoe en wat ze zong en dat strookte vaak niet met wat bandleiders en platenbonzen wilden horen.

De eerste met wie ze regelmatig overhoop lag was Lionel Hampton, in wiens big band ze in 1948 haar debuut maakte. Ze werd door de vibrafonist herhaaldelijk ontslagen, waarna mevrouw Hampton, die het zakelijk brein was achter de band, haar opnieuw engageerde voor een schamele 75 dollar per week. Haar eerste opnamen op eigen naam maakte Carter in 1955 met het trio van pianist Ray Bryant, maar een groter publiek bereikte ze pas toen ze een lp maakte met Ray Charles, aan wiens show ze van 1960 -'63 was verbonden, met Baby, it's cold outside' als beroemdste resultaat.

Omdat de slinkende jazzbusiness haar vervolgens niets te bieden had en Carter weigerde rock en pop te zingen zat er voor haar niets anders op dan maar voor zichzelf te beginnen. In 1969 richtte ze een eigen trio op en twee jaar later haar platenlabel Bet-Car.

Een riante positie bereikte ze pas tien jaar geleden door een contract met het Polygram label Verve dat in één klap haar oude producties weer in roulatie bracht plus een nieuwe cd met de uitdagende titel Look what I got. Het leverde haar in 1988 erkenning op in de vorm van een Grammy als de beste vrouwelijke jazzvocaliste en lof voor de door haar ontdekte begeleiders. In 1997 kreeg ze van de Amerikaanse president Clinton de National Medal of Arts.

Voor meer musici die het tegenwoordig maken op hun eigen naam, de pianisten Benny Green en Stephen Scott bijvoorbeeld, was Betty Carter in een vroege fase de toegewijde mentor. Of zoals collega-zangeres Abbey Lincoln het gisteren zei: “Een strenge sergeant in het leger. Als musici door haar waren gedrild wist je dat ze goed waren.” Het feit dat pianist Marc Carey en bassist John Ormond, die vanavond achter Lincoln in het Concertgebouw staan, beiden eerder bij Carter speelden, onderstreept Betty's verdiensten als talent scout.

Tijdens het laatste concert dat de 'bitch' Betty Carter in Nederland gaf, op 6 oktober vorig jaar, ook in Amsterdamse Concertgebouw, bewees ze op een indrukwekkende manier dat laat zijn en traag niet per se ondeugden zijn. Het rekken van de tijd, het listig verstoppen van de melodie, de neiging om alles vloeiend te maken - ze speelde in vrije uren niet voor niets cello - het stond allemaal in dienst van de uiteindelijke bevrediging. I'm Yours, You're Mine, maar niet omdat dat het makkelijkst is. Echte liefde, die moet je veroveren en dat vooral op je eigen condities.