Wie op Kohl stemt weet dat hij weggaat

Als nieuwkomer in het parlement (1976) werkte Kohl gestaag aan zijn opmars naar de top. In 1982 werd hij kanselier van Duitsland. Na zestien jaar komt morgen wellicht een einde aan een tijdperk. De journalist Gunter Hofmann, die Kohl al deze tijd volgde, blikt terug en blijft zich verbazen.

Dàt had ik nooit verwacht: een kanselierschap van zestien jaar, en misschien komt er zelfs morgen nog geen einde aan. Voor het oude raadhuis van Bonn verkondigde deze 'eeuwige figuur' recentelijk dat hier het nieuwe Duitsland is ontstaan, waarop wij trots mogen zijn - zoals trots überhaupt hét thema van zijn toespraak is. En juist die trots willen de tegenstanders ons afnemen! Kijkt u eens goed naar mij en naar die ander. Wie ben jij helemaal? Wat heb jij gepresteerd?

De taal wordt zo rudimentair, dat het waarachtig iets wegheeft van de oude Adenauer.

Toch zijn sommige zaken nooit veranderd. Al in 1976, als nieuwkomer in het parlement in Bonn, leider van de oppositie, 46 jaar oud, zelfbewuste uitdager van de nog zelfbewustere Helmut Schmidt, klonk hij net zo wanneer hij tegen de 'roden' tekeerging. Niemand had kunnen voorspellen dat de jonge held uit Mainz, wiens naam als partijhervormer, als vechter, hem al vooruitgesneld was, een soort abonnement op het bondskanselierschap zou krijgen. Weinigen hebben zich zó vergist als Franz Josef Strauss, met wie het gemeenteraadslid b.d. uit Ludwigshafen al afrekende, nog voor hij goed en wel in de startblokken stond. Kohl zou “nooit kanselier” worden. Hij was “volslagen ongeschikt”. Het ontbrak hem aan de “vereiste karaktertrekken en intellectuele en politieke kwaliteiten”. In de ogen van de verbluft toehorende journalist die iets van Bonn probeerde te snappen groeide Kohl, de aangevallene, mee met het formaat van de aanval. Toen Zeit-journalist Rolf Zundel in januari 1989 schreef dat Helmut Kohl een “kanselier als een eiken kast” was, sterk en onverzettelijk - terwijl juist een vertwijfelde poging tot revolte tegen de kanselier op gang kwam, en de hereniging voor de deur stond - meende ik dat ook Zundel domweg overdonderd was door de volstrekte onontkoombaarheid van Kohl.

In 1973 vocht hij zich naar de top van de CDU. In Bonn leek hij weldra een metamorfose te ondergaan: Kohl werd merkwaardig eendimensionaal. Gezin, vaderlandse geschiedenis en optimisme over de toekomst waren de thema's van de jonge tenor. Erg onder de indruk van zijn optreden in het parlement was ik niet. Schmidt keek zelfs verontwaardigd de andere kant op. En toch klopte die benaming 'eiken kast' precies. De onverzettelijkheid van de eiken kast is zijn handelsmerk geworden. Wie hem kwijt wil, moet hem eigenhandig de woonkamer uit dragen.

Kohl heeft er een hoge prijs voor betaald dat hij coûte que coûte aan het hoofd van zijn partij wilde staan en bondskanselier wilde worden. De hervormingsgezinde trekken van de jongeman uit Mainz zijn in Bonn afgesleten - of hij heeft ze afgeleerd. Hij verloor het talent om eigenzinnige mensen aan te trekken. Voortaan leek hij - dat was tenminste mijn indruk - wantrouwig en op zijn hoede. Het was uit met de pret.

Wat ik al die jaren niet uit mijn hoofd heb kunnen zetten is wat de economen Guy Kirsch en Klaus Mackscheidt in 1985 schreven. Zij doelden op Kohl maar noemden hem niet. De man in het ambt zou “de exponent [zijn] van de neurose van de dag”. De soliditeit van zijn afweermechanismen zou hem de robuustheid verlenen die vereist is om carrière te maken. Volgens hen zou zijn politieke succes ambt zou berusten “op zijn bovengemiddelde gemiddeldheid”. Met deze typering kon ik Kohl, die altijd weer op zijn pootjes terechtkwam, min of meer verklaren.

Als kanselier heeft Kohl een lange leertijd gehad: de tegenslagen stapelden zich op. Hij weifelde of hij de republiek nu wel of niet anders moest inrichten. Misschien wist hij ook niet zeker of hij haar “neurose van de dag” achteraf moest determineren of dat hij erop moest anticiperen. In dat verband werd vooral Kohls opvatting van de geschiedenis belangrijk om zijn optreden als bondskanselier goed te kunnen begrijpen. Tot op de dag van vandaag, onlangs nog in een interview met de Frankfurter Allgemeine Zeitung, windt Kohl zich er over op hoe indertijd - in zijn leerjaren dus - zijn uitspraak over de “genade van later geboren te zijn” zou zijn verdraaid: men zou hem opzettelijk verkeerd begrepen hebben. Dat doet hij niet uit halsstarrigheid. Al tijden geleden hebben enkele critici van weleer toegegeven dat zij Kohls woorden maar al te graag verkeerd opvatten, maar dat is hem waarschijnlijk ontgaan. Maar hoe heeft dat 'verkeerd begrijpen' kunnen gebeuren? Op Kohls kanselierschap rustte niet toevallig de verdenking dat hij stilletjes een streep onder het verleden wilde zetten om kanselier van een normaal Duitsland te worden. De ontmoeting met François Mitterrand op het slagveld van Verdun, de ontmoeting met Ronald Reagan in Bitburg, het stilzwijgen over de Historikerstreit: het is gebeurd.

Zulke fouten, zwakke momenten en slordigheden heeft Kohl zich later niet meer gepermitteerd. Integendeel: ook aan het idee van de 'Berlijnse republiek', die zich distantieert van het grondpatroon van de oude republiek, van haar begrip van de geschiedenis en haar liberale trekken, doet de kanselier niet mee. Hij beschouwt dat hele concept als een flauwiteit.

Kohl liet de stukken over het herenigingsproces publiceren waaruit het beeld oprees van een doelbewuste, naar daden hongerende regeringsleider. Hij wilde de eenheid managen en de stabiliteit in Europa bewaren. Dat is gelukt en dat is geen kleinigheid. Kohl verdedigt het wezen van de Bondsrepubliek hartstochtelijk tegen de mensen die haar verachten, maar ook tegen hen die mythisch-nationalistisch dromen van een opmars naar die heel grote nieuwe rol. Misschien speelt daarbij tactiek mee. Maar het is niet alléén maar tactiek.

Al doende leert men, zou je over de eerste fase van zijn kanselierschap, tot 1989, kunnen zeggen. De jaren negentig waren anders. Een tijd van gedachtenwisseling was het bepaald niet. Daaraan is bij Kohl in al die jaren niets veranderd. Zijn partij heeft voor zijn lange termijn als kanselier een hoge prijs betaald. Volgens sommigen is ze als partij vrijwel dood, en daar zit wat in. Het zichzelf inperken, het status-quo-denken, de afkeer van controverses, de opkomst van de intellectuele ja-knikkers die iedere kritische blik op de sociale spanningen al voor levensgevaarlijke paniekzaaierij houden - het valt allemaal niet te ontkennen. Anderzijds kan ook niet ontkend worden hoezeer de kanselier veranderd is - op zijn oude dag schittert hij in het ambt.

Een voorbeeld: zijn 'ja' tegen het Holocaust-monument in Berlijn. Of je er nu voor of tegen bent - en voor beide posities valt wat te zeggen - ondubbelzinniger dan ooit antwoordt Kohl nu op de vraag of hij er zeker van is dat Duitsland dit gedenkteken nodig heeft: 'Ja, het gaat hier om de kern van het beeld dat wij van onszelf als natie hebben.' De 'Kohl-jaren' overziende is de politiek een lege vlakte geworden. Je weet gewoon niet meer wat ze allemaal kan, wat ze is. Is ze in rook opgegaan in het kabinet van de bondskanselier, via de telefoon en zijn aantekeningenblok of ook in de mise-en-scène van de nieuwe mediademocratie? Het geleidelijk verdwijnen van de politiek uit de staatsinstellingen, ook uit de partijen en het parlement, behoort tot het erfgoed van deze jaren. Er was volop aanleiding voor kritiek. De hardste woorden kwamen behalve van Strauss van Richard von Weizsäcker, die de schuld aan het op hol geslagen partijdenken bij Kohl zocht, of dit althans in hem belichaamd zag, toen hij de politici vernietigend toevoegde dat zij “generalisten [zijn], gespecialiseerd in het bestrijden van politieke tegenstanders”.

Zijn critici waren critici van formaat - zie Heiner Geisser die uit de C van zijn partij niet alleen vrijblijvende ideetjes afleidde maar ook de contouren van een moderne multiculturele samenleving. Kohl vond dat allemaal maar venijn en pogingen tot sluipmoord, al heeft hij het zelf in 1994 ook nog een keer over een wezenlijk nieuw begin gehad. Wat dat nieuwe in Oost-West-Europa, maar vooral gezien de mondialisering van de financiële markten, precies zou moeten inhouden is ook toen al niet duidelijk geworden. Nu probeert Kohl maar helemaal niet meer om daar duidelijk over te zijn. Mocht werkelijk het einde ophanden zijn van de klassieke, op winstbejag gebaseerde samenleving waarop de Duitse verzorgingsstaat berust, dan zal het zíjn tijd toch wel duren.

Kohl ná zijn leerjaren: dat was de man aan wie de kersverse herenigde Bondsrepubliek zich gespiegeld heeft. Zijn kanselierschap is vergaan. De macht is geërodeerd. Maar tegelijkertijd herkende de meerderheid, zijn critici inbegrepen, zich meer en meer in hem.

Daarom mag Kohls democratie van de jaren negentig ook geen kanseliersdemocratie heten. Zij zette zich vastberaden in voor enkele - overigens belangrijke - aangelegenheden die heel Europa aangingen, en bleef tegelijkertijd in veel opzichten besluiteloos, vooral waar het de sociale voorzieningen, de economie en het onderwijs betrof. Maar de republiek heeft geleerd om min of meer zelf haar koers te bepalen. Daarin verschilt zij van de tijd van Adenhauer, als wiens kleinzoon Kohl zich beschouwt. Maar daar stopt het primitieve ophemelen van de bondskanselier, als zou hij de enige Realpolitiker zijn. Daar stopt echter ook de overtrokken kritiek op de bondskanselier als zouden de sociale ongelijkheid tussen Oost en West, de werkloosheid en de agressie tegenover vreemdelingen te wijten zijn aan één oppermachtige figuur aan de top. Nooit had ik kunnen denken dat het optreden van Kohl als bondskanselier verbluffend zou lijken op dat van Willy Brandt - en eigenlijk alleen daarop. Noch in 1976, toen hij naar Bonn kwam, noch in 1982, toen hij Schmidt opvolgde, had iemand zich dat kunnen indenken. Kohls kanselierschap van de osmose heeft zich op vergelijkbare wijze alleen bij Brandt voorgedaan. En net als Brandt is hij een én-én-kanselier geworden. Slechts de 'idee' die aan het kanselierschap ten grondslag ligt, ontbrak bij Kohl. Voor Brandt was dat van meet af aan de Ostpolitik. Kohl heeft achteraf de eenheid tot zijn idee willen uitroepen, en wel in boekvorm, maar helemaal eerlijk was dat niet.

Maar nu loopt deze symbiose tussen de tamelijk liberale republiek en de eeuwige kanselier ten einde - een tijdperk loopt ten einde. Helmut Kohl mag dan zeggen dat alleen sukkels in de politiek dank verwachten, toch rekent hij op dankbaarheid voor deze jaren. Wie op hem stemt, weet dat hij weggaat.

Hij lijkt langzamerhand weer op de Kohl uit de eerste jaren in Mainz. Voor het brave milieu waarin hij zich bevond leek hij op de een of andere manier te groot. Niet altijd maar in het defensief, geen vervolgingswaan - en waarschijnlijk ook geen vervolgers - en ik zou indertijd nooit op het idee gekomen zijn dat hij de neurose van de dag belichaamde. Als je hem vandaag de dag volgt, of hij nu in de Welt, Die Zeit, de Frankfurter Allgemeine Zeitung of in de Süddeutsche Zeitung aan het woord komt, de overeenkomst tussen de oudere Kohl en de jongere doemt onmiskenbaar op.

Hij praat over zichzelf, wat hij lang niet heeft gekund, en zegt er voorzichtigheidshalve meteen bij hoe dat moet worden opgevat: “Ik ben zoals ik ben - een ronde figuur, met alles wat daarbijhoort.” Of: het is natuurlijk onaangenaam om als prominent in een restaurant te zitten en voortdurend handtekeningen te moeten uitdelen, maar als de mensen geen handtekeningen meer kwamen vragen, “zou dat misschien nog onaangenamer zijn”. Zoals hij over het menselijke spreekt, zo spreekt hij over het politieke.

Zoals deze Helmut Kohl, met zijn 68 jaar, zich presenteert, zou hij zó weer een jonge Geissler, Dettling, Schönbohm, Biedenkopf of Späth kunnen aantrekken, ware het niet dat er een klein verschil is: dit is niet meer de euforie van de man die aan zijn carrière begint, maar de nonchalance van het afscheid. “Het was een mooie tijd”, lijkt hij te denken.

Hij treedt vrijer op, directer: “Conservatief is voor mij eigenlijk alleen denkbaar als dit gericht is op het behoud van waarden (wertkonservativ)”, zegt hij met een goed humeur, waarbij hij er meteen aan toevoegt dat een goed humeur een van zijn zwakke punten is. Ook zegt hij: “Een Wertkonservativer kan gewoonweg niet reactionair zijn. In alle kwesties die de grondslagen van ons samenleven en de lessen uit de geschiedenis betreffen, ben ik een Wertkonservativer.” In zijn leerjaren was Kohl iemand voor wie alles draaide om macht. In de jaren daarna trad een bondskanselier aan in wiens beleid, bij alle onduidelijke contouren, toch enkele lijnen ontwaard konden worden: Europa, de natie, Parijs en Mitterrand, Washington en Bush, Moskou en Jeltsin. Maar er is zestien jaar voor nodig geweest om een bondskanselier terug te vinden die in sommige opzichten de openheid èn de hoofdlijnen van zijn beginjaren in herinnering roept.

Ik betrap mij erop dat ik er graag bij wil zijn wanneer de bondskanselier voor de 185ste keer de pers te woord staat, om nieuwsgierig te vernemen hoe hij nog één keer probeert zichzelf in een gunstig daglicht te plaatsen en zijn autosuggestie op ons over te dragen. En dat terwijl anderen zich verveeld afkeren, omdat zij dat gezicht niet meer kunnen zien of die hatelijkheden niet meer kunnen horen - en omdat zij de antwoorden kunnen dromen.