WIE HOUDT NU EIGENLIJK WIE BEZIG?; Psychologische wetenschap en de opvoeding van je eigen kind

Wat heb je aan psychologische wetenschap als je een kind moet opvoeden? Een psycholoog over maakbaarheid, stimulering, temperament en geluk bij de opvoeding.

MENSEN KOMEN niet allemaal met een identieke aanleg ter wereld. Ook in de jaren zeventig was dat bekend. Toch werd toen in een groot deel van de psychologie staande gehouden dat mensen een product zijn van omgevingsinvloeden. Tijdens mijn studie bleek ik opeens niet meer in een faculteit te studeren, maar in een psychologisch laboratorium, waarin geëxperimenteerd werd met de maakbaarheid van mensen. Ook in de ontwikkelingspsychologie werd de rol van de omgeving prominent benadrukt. Als je als kind geluk hebt, groei je op in een omgeving waarin er een rijk en overdadig aanbod is. Heb je pech, dan word je ondergestimuleerd en bouw je ervaringstekorten op. Dat daarmee en passant vele ouders gediskwalificeerd werden als 'slechte opvoeders' heeft men zich in die tijd nauwelijks gerealiseerd.

Een slechte vader wilde ikzelf in ieder geval niet zijn. De ontwikkeling van mijn eerste zoon Joost moest derhalve vanaf zijn eerste levensbegin gestimuleerd worden: een mobile boven de box en twee ouders die zoveel mogelijk met hem speelden. Dan waren er, meteen na de geboorte, de plaatjes op de binnenkant van de wieg. Een daarvan had de visuele kenmerken die volgens het infant perception-onderzoek pasten bij de visuele mogelijkheden van een pasgeborene: scherpe contouren en grote contrasten tussen figuur en achtergrond. Dit leidde tot felle discussies met de kraamhulp, die volhield dat pasgeborenen niets kunnen zien en mij waarschijnlijk van voodoo-achtige praktijken verdacht. Joost vond het plankje echter vanaf de eerste levensdagen wel interessant en keek daar langdurig en geconcentreerd naar.

Alle theorieën die ik van de universiteit mee naar huis genomen had, leken te kloppen. Op alle terreinen ontwikkelde Joost zich voorbeeldig en voorlijk. Op jonge leeftijd had hij al een uitgebreide woordenschat en verbaasde familie en kennissen door zijn grote scherpzinnigheid. Uiteraard registreerden wij als ouders nauwkeurig zijn vorderingen, die wij dus eigenlijk onze vorderingen vonden. In die tijd hield ik me bezig met de normering van een ontwikkelingstest: de Denver Ontwikkelingscreening Test (DOS). De binnenstromende cijfers werden in eerste instantie vooral gebruikt om de voorlijkheid van mijn zoon te demonstreren.

Toch ontstond twijfel: niet aan de ontwikkeling van mijn zoontje, maar wel aan de veronderstelde mechanismen die zijn ontwikkeling zo gunstig bevorderden. De vraag rees wie nu wie bezighield. Ik had het gevoel dat het initiatief en de verdiensten voor al dat moois niet bij zijn ouders lagen, maar vooral bij Joost zelf. En inmiddels was ook de moderne ontwikkelingspsychologie in een hoog tempo verdergegaan met haar ontwikkeling. In de tweede helft van de jaren zeventig verschenen steeds meer observatiestudies die lieten zien dat jonge kinderen veel meer dan gedacht het initiatief nemen in de interacties tussen ouders en kinderen. De competent infant kreeg gestalte: het kind dat vraagt om opgevoed te worden en voor een groot deel de opvoeder de weg wijst hoe dat precies moet.

Het fenomeen is voor een ieder waarneembaar. Zodra een volwassene in contact komt met een baby van enkele maanden oud, gaat die volwassene zich anders gedragen. We brengen ons gezicht op een afstand van zo'n twintig tot dertig centimeter van het gezicht van de baby. We gaan op een aanzienlijk hogere toon praten en uiten daarbij klanken die, ware de baby er niet geweest, tot verbazing van de omstanders zouden hebben geleid. De baby stuurt door subtiele signalen het gedrag van de volwassene.

Zo werd ook steeds duidelijker dat het een misverstand is dat jonge kinderen taal zouden verwerven, alleen maar door te luisteren naar volwassenen. In feite is het omgekeerd: de volwassene imiteert het kind. Jonge kinderen gaan spontaan brabbelen en vocaliseren. Volwassenen reageren daarop door de baby te imiteren. In hun reacties herhalen de volwassenen de taaluiting van het kind, en brengen ze hier variaties en uitbreidingen in aan. Op deze wijze ontstaat de taal in de interactie tussen kind en volwassene, waarbij het kind vooral de thema's aangeeft en de volwassene daarop varieert. Opvoeding is niet het overhevelen van kennis, vaardigheden, gewoonten en inzichten van volwassenen naar kinderen, maar opvoeden is een menselijke interactie, waaraan kind en opvoeders gezamenlijk vormgeven. Voor mijn visie op de opvoeding betekenden deze inzichten een tamelijk radicale verandering: van een actieve stimulerende opvoeder moest ik een afwachtende en 'kind volgende' vader worden.

Inmiddels was in ons gezin een tweede zoon geboren. En al snel werd daardoor een nieuwe ommezwaai nodig. Bart reageerde in veel opzichten geheel anders dan zijn oudere broer. De plakplaatjes in de wieg - ze waren niet eenvoudig te verwijderen - interesseerden hem minder. Hij lag liever rustig te kijken en met zijn eigen handjes te spelen. Waar Joost papier gebruikte om te tekenen en blokken om te bouwen, gebruikte Bart al snel papier voor driedimensionale constructies en blokken om eendimensionale patronen te leggen. Waar Joost op straat altijd omringd was door een groepje vrienden, bekeek Bart het gewoel meer van een afstand en beperkte zich tot meer bilaterale contacten met leeftijdgenoten.

De conclusie was onvermijdelijk: er moesten aangeboren verschillen in karakter bestaan. Ik werd op mijn wenken bediend door het verschijnen in 1977 van het inmiddels klassieke boek Temperament and development van Alexander Thomas en Stella Chess. Deze twee New Yorkse kinderpsychiaters kregen er genoeg van altijd de schuld te moeten geven aan de ouders als er in gezinnen emotionele of gedragsproblemen met kinderen waren. Ze vonden dat de hulpverlening te lang op het mal de mère-syndroom ('het kind lijdt aan zijn moeder') gebaseerd was. Ze vonden zelf dat een deel van hun jeugdige cliëntèle knap lastig te hanteren is en vroegen zich af of deze kinderen niet 'gewoon zo waren'.

Thomas en Chess ontwierpen een systeem om verschillen in gedragsstijlen van kinderen in kaart te brengen. Alle peuters hebben wel eens driftaanvallen, maar bij sommige kinderen is de manier waarop ze die drift uiten extremer en minder beïnvloedbaar dan bij anderen. Thomas en Chess onderscheiden aldus negen dimensies van het kinderlijke temperament: beweeglijkheid, ritmiciteit, toenaderen/terugtrekken, plooibaarheid, intensiteit, stemming, afleidbaarheid, aandachtsspanne en prikkelgevoeligheid. Hoe een kind scoort op iedere dimensie ligt volgens hen voor een groot deel bij de geboorte vast en is in de verdere ontwikkeling redelijk stabiel. Als ouder kun je zo'n temperament niet veranderen.

Het zoeken van combinaties van deze dimensies leverde tijdens mijn lezingen voor ouders een leuk spelletje op ('zoek uw kind') en voor studenten ontwikkelingspsychologie een hilarisch college ('zoek jezelf'). Thomas en Chess concludeerden dat het de kunst voor ouders was om een fit te bereiken tussen hun opvoeding en het temperament van het kind ('bijpassende' ouders). Inmiddels is dit indelingssysteem ter discussie gesteld: het is (uiteraard) te schematisch en te oppervlakkig. Maar de kern van hun boodschap - dat kinderen verschillend reageren op dezelfde opvoeding en dat de opvoeder dus moet blijven zoeken naar een opvoeding die bij een kind aanslaat - is een blijvertje gebleken.

Natuurlijk is de praktijk minder geduldig dan de theorie en dat geldt ook voor ouders. Toch zijn dit voor mij vuistregels voor goed ouderschap geworden. De twee kinderen die jaren later geboren werden, Vera en Tobias, profiteerden in dit opzicht al meteen van het leerproces dat hun oudere broers teweeggebracht hadden. Opvoeden werd steeds relaxter, steeds leuker.

Maar de verworven inzichten bleken wèl moeilijk toepasbaar in de jeugdhulpverlening van de jaren zeventig en tachtig. Daar was de 'maakbaarheidsideologie' resistenter dan bij mij. Moeilijke kinderen waren in de ogen van professionals altijd het product van een verkeerde opvoeding. Als een kind iets niet goed kon, was dat het gevolg van onvoldoende aanbod of onvoldoende stimulering. Ouders kregen altijd volledig en met terugwerkende kracht de schuld van alles wat met hun kind mis was. En de kinderen kregen 'hulp' die 'compenserend' was. Daardoor werden kinderen vooral aangesproken op wat ze niet goed deden of niet goed konden. Behalve voor de talloze therapieën die op kinderen werden losgelaten, had dit ook voor het gewone leven consequenties. Als je van nature wat introvert was en niet erg outgoing, werd je naar een club gestuurd om sociale vaardigheden te leren. Uitte je gevoelens behoedzaam en terughoudend, dan werd je op toneelles gedaan. Uiteraard leidde dit voortdurend tot faalervaringen. Je zult toch in een voetbalclub zitten met atletische kinderen die hun hobby gemaakt hebben van die sport, terwijl jij met tegenzin en zonder enig talent moet meehobbelen. Zo werden kinderen voortdurend en consequent geconfronteerd met hun zwakke punten. Pas de laatste jaren worden in de jeugdhulpverlening een leefomgeving en een opvoedingsstijl gezocht die passen bij 'hoe het kind is'.

Men kan de vraag stellen of het 'relaxte, volgende en zich aanpassende' ouderschap geen open deur is, zeker in een land waarin de randvoorwaarden voor een risicoloze en onbelemmerde ontwikkeling aardig op orde zijn. Ouders die geen ontwikkelingspsychologie gestudeerd hebben, komen misschien zelfs eerder tot de kern dan ouders die gehinderd worden door beroepsmatige kennis en inzichten. Voor deze veronderstelling lijkt wel wat te zeggen als we kijken naar de resultaten van een recent onderzoek onder zo'n 1.200 doorsnee Nederlandse vaders en moeders. Deze studie laat zien dat 'terughoudendheid' inderdaad een kenmerk is van het opvoeden in Nederland. Ook het gegeven dat kinderen vanaf de geboorte verschillen en met uiteenlopende potenties en kenmerken ter wereld komen, blijkt voor de doorsnee ouder gesneden koek.

Op 49-jarige leeftijd heb ik er nu 67 jaar als opvoeder opzitten. (Het mag de lezer niet verbazen dat ik mijn jaren van vaderschap van ieder van mijn vier kinderen afzonderlijk heb geteld.) Over één aspect van mijn opvoederschap ben ik na al die jaren wel tevreden: door mijn opstelling als 'volgende en bijpassende opvoeder' heb ik in ieder geval zo goed en zo kwaad als het ging geprobeerd de kinderen te nemen zoals ze zijn.

Over de vraag of dit alles uiteindelijk 'goed voor kinderen' is, lopen de meningen van deskundigen extreem uiteen. Een bekend Nijmeegs hoogleraar pedagogiek (J. Gerris) liet onlangs weten: “Tegenwoordig zijn ouders er te veel op uit om het leuk te houden voor hun kinderen”, daarmee appellerend aan de politieke en maatschappelijke beeldvorming van verwennende en te toegevende ouders. De psychiater Foudraine deed tezelfdertijd met een wat orakelachtige, maar bij nadere beschouwing zeer treffende uitspraak: “Je voedt niet op als je gelukkig bent.” Daarmee bedoelde hij naar mijn mening dat als er in een gezin harmonie is, doelgerichte opvoedingshandelingen en het streven naar expliciete opvoedingsdoelen grotendeels afwezig zullen zijn. Daar houd ik me dan maar aan vast.

Dit is een ingekort hoofdstuk uit: Ineke van der Zande, Bas Levering, Frans Leenders (red.), 'Mijn eigen kind is een ander verhaal. Professionals over hun ervaringen als opvoeder'. Elsevier/De Tijdstroom, Maarssen 1998. ƒ 39,50.