Wetenschap voor gevoelsgenoten; Crisis bij Homostudies

Het begon ambitieus, eind jaren zeventig. De studierichting homologie moest een totaal nieuwe manier van denken opleveren. Over seks, relaties en identiteit. Wetenschappelijk moest het zijn, geen hobbyclubje van homojongens en -meisjes. Twintig jaar later heeft homostudies niet veel meer te bieden dan een beetje praten met gevoelsgenoten.

Toen de Australiër Anthony Baron naar Amsterdam kwam, was studeren maar een van zijn doelstellingen. Eigenlijk was het hem vooral te doen om zijn grenzen te verleggen. Aan de universiteit van Amsterdam koos hij voor Homostudies van Gert Hekma. Anthony was erg geïnteresseerd in sadomasochisme maar had het - jong, onbedorven - nog nooit aangedurfd om naar een kinky party te gaan. “Doen”, zei Gert tegen hem in zijn kantoor. “Als je bij mij een scriptie over sm wil schrijven moet je toch in ieder geval één keer op zo'n feest zijn geweest.” Eerst sputterde Anthony nog tegen: als student kon hij vast de toegangsprijs niet betalen. “Onzin”, zei Gert. “Je bent zo'n mooie jongen, als je zegt dat je achter de bar wil staan, dan mag je er vast voor niets in.” Uiteindelijk overwon Baron zijn schroom en zette de stap over de kinky drempel. Op de groepsbijeenkomst van de werkgroep Homostudies laat hij met zijn potlood zien hoe dankbaar hij Gert daar nog steeds voor is. Op het evaluatieformulier van Gerts onderwijs zet hij bijna overal een kruisje bij de beste categorie. De wetenschap was aardig, maar dat hij in Amsterdam een nieuwe stap zette in zijn leven is onvergetelijk.

Homostudies als veredelde praat- en doe-groep - dat was precies wat de oprichters van de eerste 'interfacultaire werkgroep' Homostudies in 1978 wilden vermijden. Geen geneuzel over discriminatie, geen persoonlijke experimenten onder het mom van wetenschap - alleen door goed doortimmerd, objectief onderzoek over homoseksualiteit kon Homostudies zich een plaats in het wetenschappelijke pantheon veroveren, zo was de gedachte in 1978.

Twintig jaar later lijkt dat pantheon nog even ver weg als toen. Veel collega-wetenschappers doen Homostudies af als hobbyisme - een tijdspassering voor de homojongens en -meisjes aan de universiteiten die kennelijk niets beters te doen hebben dan over hun eigen geaardheid te peinzen. Universiteitsbesturen zijn ook steeds minder bereid om geld voor Homostudies beschikbaar te stellen: waren er in het midden van de jaren tachtig nog zo'n twintig wetenschappers aan de Nederlandse universiteiten die zich met Homostudies bezighielden, nu zijn er dat nog maar vijf (twee in Amsterdam, twee in Nijmegen, en een in Utrecht). En ook met de aantallen studenten loopt het niet storm. Hekma geeft in Amsterdam eigenlijk alleen nog maar les aan buitenlanders, Nederlandse studenten trekt hij niet meer. In Nijmegen komen nog wel Nederlanders op Homostudies af, maar meer dan tien hoofdvakstudenten per jaar zijn er niet. Zowel in Amsterdam als in Nijmegen gaat het vrijwel altijd om 'gevoelsgenoten', hetero's tonen nauwelijks belangstelling meer voor Homostudies. “We zitten in een dip”, geeft ook Hekma toe, “de grote bloei van het begin van de jaren tachtig is voorbij.”

Preuts

Wat verklaart de crisis van Homostudies? Is de Nederlandse maatschappij homoseksualiteit inmiddels zo normaal gaan vinden dat een speciale studie daarvan niet meer nodig lijkt? Of is al die acceptatie juist maar schijn, en is Homostudies juist het slachtoffer geworden van een dieper liggende aversie tegen seksualiteit in het algemeen en homoseksualiteit in het bijzonder?

Voor Gert Hekma is er geen twijfel mogelijk over het antwoord op die vraag. Nederland is nog steeds een preuts land, vindt hij, en daar is Homostudies mede slachtoffer van geworden. Nederlanders geloven, aldus Hekma, nog steeds dat seks iets 'natuurlijks' is en niet of nauwelijks door de maatschappij wordt gevormd. Seks ligt in je genen, een DNA-analyse vertelt je meer over iemands seksuele gedrag dan een sociologische analyse ooit zou kunnen doen. “Dat verklaart ook het succes van de Viagra-pil”, aldus Hekma. “Seks geldt nog steeds als een kwakje dat uit je driften komt. Daarom wordt er gelijk aan het lichaam gesleuteld als de lul niet omhoog wil.”

En tegen die opvatting ging Homostudies nu juist in. Want seksueel gedrag is sociaal gedrag, zo verklaren de homologen in het voetspoor van de Franse filosoof Michel Foucault, die in 1976 met zijn Histoire de la sexualité, la volonté de savoir de basis van de moderne Homostudies legde. Voor een hele generatie homologen ging er door Foucaults boek een heel nieuw universum open. Hadden zij dan tot toe geloofd dat seksuele 'geaardheid' door een gril van de natuur wordt bepaald, onder invloed van Foucault gingen zij heel anders over seks denken. Volgens Foucault wordt de betekenis van seksueel gedrag gevormd door de maatschappij waarin je leeft. Seks is cultuur en geen natuur, aldus Foucault. 'Homoseksuelen' in de moderne zin van het woord bestonden daarom alleen in de moderne westerse maatschappij, aldus Foucault. Is in andere culturen homoseksueel gedrag gewoon een vorm van tijdverdrijf (zoals zingen of eten: je doet het zonder je er verder al te veel vragen bij te stellen), in het Westen werd seksualiteit onder invloed van doktoren en psychologen de sleutel tot de psyche van het individu. De moderne homo (die gevoelig is, erg van zijn moeder houdt en later binnenhuisarchitect wil worden) bestaat daarom alleen in het Westen, aldus Foucault, omdat alleen daar een hele identiteit gebouwd is op seksueel gedrag.

Voor Homostudies betekende het werk van Foucault een elektrische schok - met zijn nadruk op de culturele component van seksueel gedrag opende hij een heel nieuw onderzoeksveld - dat van de 'historische constructie' van de homoseksualiteit. Onder invloed van de Franse filosoof ging een hele generatie onderzoekers op zoek naar de vele verborgen vormen van het homoverlangen - van Betje Wolff en Aagje Deeken tot de band tussen worstelaars in Soedan. Zijn de vriendschappen tussen Arabische mannen 'homo-erotisch' omdat de vrienden hun diepste hartsgeheimen met elkaar delen of heeft de term 'homo-erotisch' geen betekenis binnen Arabische culturen? Kun je een 'sodomiet' uit de achttiende eeuw 'homo' noemen ook al ontstond de moderne homoseksuele identiteit pas aan het begin van de negentiende eeuw? Het waren maar enkele vragen die homo-wetenschappers zich onder invloed van Foucault begonnen te stellen.

Achter die vragen ging een hele generatie aan idealisme schuil. Want de uiteindelijke bedoeling van Homostudies was om een discussie in de maatschappij los te maken over seksuele (en sociale) patronen. Homologie zou de avant-garde worden van een totaal nieuwe manier van denken over relaties, seks, en identiteit. Net als Foucault droomden de homologen van een maatschappij waarin geen 'homo's' of 'hetero's' meer waren, maar alleen nog maar individuen die zelf van moment tot moment bepaalden welk seksueel gedrag zij wilden zonder daar verder al te veel conclusies aan te verbinden. Vandaag 'homo', morgen 'hetero', en de dag erna weer wat nieuws. En eigenlijk moest die bevrijding veel verder gaan dan seksuele patronen: iedereen moest welbeschouwd de identiteit kunnen kiezen die bij hem of haar paste. Vandaag 'meisje', overmorgen 'jongen' - de wereld werd een myriade van identiteiten waaruit iedereen zou mogen kiezen al naar gelang het verlangen van dat moment.

Verdomhoekje

Van die droom van totale vrijheid is weinig terechtgekomen, geven alle homologen toe. Want ondanks twintig jaar Foucault zijn 'homo's' nog steeds homo's met een eigen 'homo-identiteit' en hetero's nog steeds 'hetero's'. En zucht tot seksueel experimenteren onder de bevolking als geheel is er nauwelijks. Volgens Gert Hekma heeft de grote seksuele bevrijding nog steeds niet plaatsgehad. “Seks zit nog steeds in het verdomhoekje. Nederlanders zitten nog steeds vast aan het idee van de vaste relatie en de coïtus, verder kijken doen ze gewoon niet.”

“Iedereen is tegen discriminatie van homo's”, zegt renée hoogland - ze schrijft haar eigen naam consequent met kleine letters - uit Nijmegen, “Maar dat homo's nu rechten hebben betekent allerminst dat de beeldvorming is veranderd. Je kunt het vergelijken met rassendiscriminatie. Iedereen is tegen de rassenleer, maar in de dagelijkse praktijk hanteren mensen opvattingen die daar in feite dichtbij liggen. Zo is het ook met homoseksualiteit, ondanks alles wat de homologen hebben beweerd”.

Hoe weinig de boodschap van de homologen nog is aangeslagen, bleek enige jaren geleden toen bèta-wetenschappers claimden het 'homogen' gevonden te hebben. Er ontbrandde enige discussie, maar uit opiniepeilingen bleek dat een grote meerderheid van de bevolking - ondanks twintig jaar homologie - eigenlijk altijd had gedacht dat seksueel gedrag biologisch is bepaald. De homologen protesteerden, maar hun verhaal over de 'sociaal-historische constructie' van seksualiteit werd niet of nauwelijks opgepikt.

En zo dreef Homostudies steeds meer naar de marge. Toen de droom van de totale seksuele bevrijding steeds meer vervaagde, richtte Homostudies zijn aandacht op zichzelf. Werkgroepen Homostudies zijn praatgroepen geworden waar homo's en lesbiennes - vaak pas net uit de kast - de eerste stappen in een nieuw seksueel universum zetten. Theorieën zijn hoogstens hulpmiddelen bij deze Bildung - hun 'waarheid' of 'onwaarheid' ligt in het nut dat zij hebben om in het persoonlijk leven 'verder' te komen.

Bijna elke discussie in de werkgroep van Gert verraadt een persoonlijke obsessie of zoektocht. Een Zwitserse jongen legt omstandig uit dat hoeren volgens hem zwaar worden ondergewaardeerd. “Het zijn Reichiaanse therapeuten die het leven van de klant wel degelijk verrijken”, brengt hij enige malen naar voren. De Poolse Ewa vraagt zich ietwat treurig af hoe je er ooit in kunt slagen om 'emoties' met 'seks' te verzoenen. En de kleine blonde Anthony doet omstandig verslag van zijn trektocht in de wereld van het sadomasochisme. “Je zou het niet denken maar ook daar zijn regels”, vertelt hij met een blos. “Als je die niet gehoorzaamt, lig je er gelijk uit.”

Die marginalisering werd nog versterkt door de klimaatsverandering op de universiteiten. Toen Homostudies aan het begin van de jaren tachtig de universiteit binnen kwam, was het op de slippen van de vrouwenstudies. “Wij hebben ons bestaan te danken aan de oude democratische universiteitsraad”, zegt Hekma. “Die hadden de vrouwenstudies een kans gegeven en zeiden: ach, laat die jongens en meisjes van de Homostudies toch.”

Maar inmiddels zijn de normen en de waarden op de universiteit radicaal veranderd. “Het draait nu allemaal om de markt”, zegt Hekma, “en dan zit je bij Homostudies gewoon in een rothoek. Je doet je best, maar in de universiteit krijg je nauwelijks aanzien”

Klaagcultuur

Toen Hekma, die vaak de publiciteit zoekt, ontdekte dat hij hoog op de lijst van meest geciteerde sociologen stond, stapte hij enthousiast naar de wetenschapscoördinator van de universiteit. Op de vraag hoe hij zijn succes te gelde kon maken, antwoordde de coördinator: “Ach, je zit toch bij Homostudies.” Een onderzoeksvoorstel van Hekma over homoculturen in diverse wereldsteden werd rücksichtslos van tafel geveegd. “Het kritiekpunt was dat het ethisch niet kon omdat de onderzoekers misschien aids zouden oplopen of in allerlei criminele situaties verzeild zouden raken, maar in feite hadden degenen die het onderzoek moesten beoordelen, er gewoon geen zin in. De toon van de kritiek was zeer onwelwillend.”

Maar volgens Tom Nieuwenhuis, beleidsmedewerker Onderzoek bij de faculteit sociaal-politieke wetenschappen in Amsterdam, zou Homostudies ook eens de hand in eigen boezem moeten steken. Dat mensen als Hekma binnen het universitaire bestel worden gediscrimineerd, vindt hij onzin. “Dat is de oude klaagcultuur van minderheden: het ligt altijd aan een ander, en nooit aan jezelf.”

Volgens Nieuwenhuis is er zeker sprake van 'welwillendheid' binnen de universiteit ten opzichte van Homostudies, maar is er een aantal factoren die maken dat die welwillendheid niet in klinkende munt kan worden omgezet. “Homostudies is niet het enige vak dat van belang is voor de stad Amsterdam. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor Vrouwenstudies, etnische studies en drugsstudies. Het probleem met Homostudies is dat het pas later op de markt is gekomen. Vrouwenstudies en etnische studies bijvoorbeeld hadden toen al een gevestigde positie. Dat maakt het al moeilijk voor Homostudies om tegen die andere studies op te boksen. En het beschikbare geld is beperkt want het is wel een feit dat de mensen die uiteindelijk de besluiten nemen, meer geïnteresseerd zijn in grote onderzoeksscholen dan in iets marginaals als Homostudies.”

Nieuwenhuis sluit ook niet uit dat de marginalisering te maken heeft met een impasse in het onderzoek in de Homostudies. Want is er na de zoektocht van adepten van Foucault naar de vele vormen van het homo-verlangen in de geschiedenis nog wel iets nieuws gebeurd? “De buitenwereld heeft niet het idee dat er in de Homostudies - met uitzondering misschien van de antropologie - erg opwindende dingen gebeuren.”

Ook Hekma geeft toe dat het inhoudelijk de laatste jaren de dood in de pot is geweest. “De meest interessante discussie die momenteel wordt gevoerd, is of je als onderzoeker tijdens je veldonderzoek met mensen naar bed mag en, zo ja, of je daar verslag van moet doen.”

Wetenschappelijk vooroordeel of niet, de homologen zelf kregen steeds meer het gevoel dat ze op de maatschappij en de universiteit werden tegengewerkt. En dus gingen ze langzamerhand concessies doen aan het grote ideaal van Foucault, dat seksualiteit niet 'biologisch' is maar in elke cultuur een andere vorm krijgt. Werden de Arabische culturen eerst geprezen omdat alle mannen zich daar af en toe met andere mannen inlaten zonder onmiddellijk diepe vragen te stellen over hun 'identiteit', inmiddels heeft Homostudies Amsterdam aangetoond dat er ook bij allochtonen sprake is van 'discriminatie'.

En als de foucauldiaanse intentie bleef, werd de boodschap niet begrepen. Zo kwam Homostudies Nijmegen onlangs met een onderzoek naar seksuele opvattingen op de middelbare school. Voor de onderzoekers zelf ging het onderzoek over de vraag 'hoe de seksuele cultuur op de middelbare school vormt krijgt', maar de media interpreteerden het heel anders. Voor de buitenwereld was het onderzoek een onthutsend verslag van de discriminatie van homo-jongens en -meisjes, die door hun klasgenoten flink werden gepest terwijl ze door hun genen er niets aan konden doen dat ze 'zo' waren.

Is het een wonder dat Homostudies door de toenemende marginalisering een plek geworden is waar 'gevoelsgenoten' mogen fantaseren over een maatschappij die er misschien wel nooit zal komen? “Waar ga jij 's ochtends naar toe als jij opeens zin hebt om je een jongen te voelen?”, vraagt Hekma aan de Poolse pot Ewa. Even denkt ze na, en dan zegt ze: “Ik kan alleen maar naar plekken waar anderen die nieuwe identiteit willen accepteren.” Tien minuten denkt de groep na over de plek waar Ewa dan naar toe zou moeten gaan. Dan blijkt dat ze het beste maar thuis kan blijven als ze ernst wil maken met haar 'jongensidentiteit'. Met de deur op slot en de stekker van de telefoon er uit.