Texel in het voorbijgaan

Gerekend vanaf mijn geboorte heb ik er 21 jaar over gedaan om op Texel te komen. Toen was het september '67. We waren net in het huwelijk getreden, we waren op reis, maar ik aarzel het een huwelijksreis te noemen. Huwelijksreis heeft voor mij nog altijd iets van betere kringen en op z'n minst een hotel in Parijs. Wij zaten in De Cocksdorp, in een huisje.

Dus dan zeg ik dat daar sinds die tijd een complete duinenrij in zee is verdwenen en dan zeggen de broertjes Binsbergen dat dat klopt.

Michel en Andri. Zij zijn ook niet op het eiland geboren, maar er tenminste wel opgegroeid. Hun vader, een Zaankanter, kwam in '42 naar Texel op initiatief van kapitein Lap, commissaris van de TESO, het veerbedrijf. Hij zou samen met Herman van der Horst een film maken, die bedoeld was om - als de oorlog was afgelopen - het toerisme te bevorderen.

Deze Nol Binsbergen leidde een avontuurlijk bestaan. Hij was een groot natuurliefhebber en had daar zijn beroep van gemaakt. Hij maakte foto's, schreef teksten en gaf lezingen. Hij stierf in '45 aan maagkanker, 37 jaar oud. Vrouw en kinderen bleven in diepe armoede achter.

Andri was toen tien, Michel dertien.

Tot 1953 woonden ze in een zomerhuisje dat Jan Drijver, secretaris van Natuurmonumenten, had laten bouwen naar tekeningen van Jan Strijbosch. Het heette De Marel en lag in een bosje bij een kolk met salamanders, aan de rand van de Dennen, boven Den Hoorn.

Marel is Texels voor grutto.

Een huisje zonder electriciteit, zonder gas, zonder waterleiding, zonder riolering. Gekookt werd er op een petroleumstel, of op een buitenkachel waarvoor hout werd verzameld in het bos of op het strand. En voor het snelle werk: dennenappels.

Twee keer in de week kwam de kruidenier de Rozendijk af, wat toen nog een zandweg was - een keer op de fiets om te 'horen' en een keer met een huurauto om te bezorgen. Zij waren bij Van der Kooi. Want dan had je ook nog Jaap Zijm, Japie Gezichtenzeep, maar die was rooms, roems.

Andri: “Elke ochtend roggepap of tarwepap. Elke avond moest ik naar buurman Keijser om melk te halen, vier liter. De room werd er afgeschept en 's zondags hadden we dan boter. En een doodenkele keer moest ik naar Den Burg, naar Dirk-Han Bakker, om yoghurt te halen, dat was toen iets nieuws, dat maakte hij zelf. Die had een klein bakfietsje waaruit hij schapenkaas verkocht en dat was groene kaas, die werd met stront op smaak gebracht, die smaakte echt heel anders dan tegenwoordig.”

Michel: “Ik was ouder, ik deed de moeilijke boodschappen. Naaimachinenaalden. Opletten of je wel het goeie nummer kreeg. Dan keek ik bij Vlessing, joodse mensen die in de oorlog ondergedoken hadden gezeten, meteen even of er niet toevallig een partij manchester was aangekomen. Moeder maakte alles zelf. Ze spon en verfde zelf de wol en breide er sokken van. Ze zegt wel eens: je kunt een pakhuis vullen met de kleren die ik heb gemaakt.”

Andri: “Als je ergens liep kwamen de mensen naar het hek en dan moest je binnenkomen, dan kreeg je een kopje water of een kopje melk en dan was het: van wie bij jij d'r een?”

Bingsbergen zeggen ze op Texel, net zoals ze pangkoeken zeggen.

Elk dorp op het eiland had zijn eigen karakter. Den Hoorn was bevolkt met jutters en binnenjutters. Er was een man, die liep altijd met een zakje op zijn rug. Ja jongen, zei die, waait er niks in, d'r waait niks uit ook.

Nu is het kerkje van Den Hoorn het eerste wat je ziet als je de boot afrijdt. Maar tot '64 voer de boot op Oudeschild. Van alle dorpen lag Den Hoorn zo'n beetje het meest geïsoleerd.

Hier woonden de stenengooiers, hier moesten ze van buitenstaanders weinig hebben.

Andri: “Toen ik in '51 eindelijk van school kwam, kon ik meteen beginnen als onderdirecteur van het Texels Museum. Twéé personeelsleden! Die hele zomer heb ik kaartjes verkocht en aan het eind waren er 13.000 mensen geweest. Nu komen er meer dan een kwart miljoen.”

Zeven lammerenmarkten per jaar, op de Groene Plaats in Den Burg, met als hoogtepunt die met Pinksteren. Bossiesdag. Dan ging heel Texel picknicken op de Hooge Berg. Daar zat een steen in de grond en die steen liep helemaal door tot Engeland, aan die steen lag het eiland vast.

Nu komt een set oude stafkaarten op tafel, 'verkend in 1946, hoogtemeting verricht in 1948'.

Dan is het eiland volslagen veranderd. Aan de zuidkant, waar de Noorderhaaks ertegenaan loopt, is het enorm uitgedijd. Aan de noordkant, waar de vuurtoren staat, houdt het alleen dank zij zware verdedigingswerken stand. En van de flank, de Westerslag, bij paal 15 (“óns strand was dat”), is zeker een halve kilometer afgeschaafd. Reusachtige bunkers stonden hier, door de Duitsers gebouwd tegen een mogelijke geallieerde landingsoperatie (“daar spéélden wij in”) - die zijn spoorloos verdwenen in zee.

Met het aanzien van het strand is ook dat van de duinen ingrijpend gewijzigd. Veel van de weelderigheid is verloren gegaan. Dan kun je zeggen: zeestromen, dat is de natuur, Texel ligt nu eenmaal net buiten de rooilijn van Nederland. Maar die stromen zijn ook verlegd door de sluiting van de Zuiderzee - mensenwerk.

En op het eiland (nog steeds aan de hand van die stafkaarten): dat hele craquelé, dat fijne netwerk van perceeltjes die van elkaar werden gescheiden door de originele Texelse tuinwallen - dat is er niet meer. De ruilverkaveling van de jaren '50. Meer dan vierhonderd boeren telde het eiland. Nu minder dan driehonderd.

Maar goed.

Het blijft een prachtige plek om te wonen.

Je moet het niet vergelijken met vroeger, je moet het vergelijken met de rest van Nederland.

En natuurlijk trekken we er vervolgens op uit om dat wat we binnen besproken hebben te toetsen aan de werkelijkheid buiten. Een uitvoerige rondrit, hier en daar onderbroken voor een wandelingetje, een moment voor de aarde onder onze voeten, de wind in ons gezicht, vogels in de verrekijker.

Mollen, hagedissen en slangen zijn er nog steeds niet op Texel. Groene kikkers en eekhoorns zijn er door natuurbeheerders uitgezet. Vogels hebben zelf hun weg gevonden. Vroeger had je hier geen grote bonte specht, geen fuut, geen blauwborst, geen sperwer, geen havik, geen blauwe of bruine kiekendief en nauwelijks kauwtjes of tjiftjafs. Nú heb je hier geen grauwe klauwier meer, geen grauwe kiekendief, geen paapje, geen strandplevier, geen kemphaan en veel minder grutto's, tureluurs, grote sterns en tapuiten.

Moeilijk te zeggen of het wat dat betreft beter of slechter is geworden - in elk geval anders

Ach, neem het beeld van het Texels schaap en je hebt een beeld van Texel zelf. Een rank dier was het, op smalle pootjes. Nu als een varken zo rond - varkens met een vacht. Zo breedkoppig zijn ze geworden, dat ze moeten worden geholpen met het lammeren. Dus als je iets zoekt wat sinds '46 méér werk is geworden: de Texelse schapenhouderij.