Papoea's uit eigen tuin; OP ZOEK NAAR DE GEÏMPORTEERDE NIEUW-GUINEËRS VAN RICHARD ARCHBOLD

In 1941 richtte Richard Archbold in Florida het inmiddels wereldberoemde Archbold Biological Station op. Hij ronselde goede onderzoekers, financierde biologische expedities en, zo wil het gerucht, hij liet Papoea's los op het terrein om het landschap te verrijken.

EEN EI VAN de uitgestorven reuzenstruisvogel van Madagascar staat in een glazen pronkkastje op een barok gesneden buffet. Om de verbazing over dat reuzenei levend te houden, heeft iemand bovenop het kastje een gewoon struisvogelei gelegd. Naast het kastje staat op een standaard een zilvergrijs vliegtuigje. Het is een vooroorlogs model van een bommenwerper van het Amerikaanse leger, die kon landen op meren en rivieren. Guba staat erop geschilderd, het woord voor wervelstorm in de een of andere Nieuw-Guinese taal. De spanwijdte van de vleugels van het vliegtuigje bedraagt ongeveer anderhalf keer de diameter van het reuzenei. Aan de andere kant van het kastje staat op gepaste afstand een kleine zilveren beker. Achter de beker, de eieren en de vliegtuigboot hangt een buffetbrede fotomontage van besneeuwde bergtoppen in zwartwit. Dit is het gekoesterde huisaltaar van Richard Archbold (1907-1976) in de eetzaal van het Archbold Biological Station aan het zuideinde van de Lake Wales Ridge in Florida. Ik zit in deze eetzaal, op zoek naar sporen van Papoea's in Florida.

Van 1941 tot aan zijn dood ontbeet hier bij zonsopgang, met zelfgemaakte jam, deze onmetelijk rijke organisator en financier van biologische expedities, om na zonsondergang de dag te laten wegzinken met oude whisky, unhurried. Waren er gerenommeerde biologen te gast, dan mengde hij voor hen sterke cocktails, waarna ze aan zijn tafel werden uitgenodigd om te luisteren naar zijn stoere verhalen over expedities naar Nieuw-Guinea. Soms vertoonde hij daarbij films van Papoea's die zich kennelijk dood waren geschrokken van zijn verschijning en maakten dat ze wegkwamen in de bosjes. Na enkele uren praten en drinken viel Archbold als bij toverslag in slaap, zo plotseling dat zijn hoofd soms gemeen tegen het tafelblad sloeg, zonder dat de luisteraars konden uitmaken welk deel van de klap was veroorzaakt door de werking van alcohol en welk deel door de narcolepsie waaraan hij leed. Kort daarop ging de deur naar de keuken open en verscheen een vrouw, spil van het huishouden, die de gasten met enkele felle wegwuifjes maande naar hun gastverblijven terug te keren, waarna ze de lange Archbold uit zijn stoel aan het hoofd van de tafel hees.

Regelmatig te gast op het Station was Alan Holman, tegenwoordig hoogleraar aan de Universiteit van Michigan en expert op het terrein van reptielen en amfibieën, maar halverwege de jaren vijftig nog student. Hij vertelde het gerucht dat ik als bioloog met belangstelling voor Papoea-cultuur zo bizar en verleidelijk vond dat ik erachteraan wilde: Archbold zou op het terrein een aantal traditioneel levende Papoea's hebben losgelaten om het nog vrijwel ongeschonden landschap te verrijken. De Papoea's moesten het op eigen kracht zien te redden, zonder arbeidscontract, kleding, of vitaminepillen. Ook mochten ze, na een werkweek als jager-verzamelaar, in het weekend niet ontspannen tussen de rednecks in Lake Placid, het dichtstbijzijnde dorp. Archbold zou erop hebben aangedrongen dat ze zich zouden gedragen zoals ze het thuis gewend waren geweest, als organisch deel van het landschap. Geen weekend weg te denken van deze oude zandrug, net zomin als de palmetto's met hun dolkscherpe bladeren, of de dwergeiken die nooit hoger worden dan twee meter. Holman benadrukte de Papoea's nooit met eigen ogen te hebben gezien, maar het gerucht dat ze er ooit waren bij herhaling te hebben gehoord en zelfs een nuancering ervan: studenten in de antropologie zouden ter voorbereiding op hun latere bezigheden in de echte jungle, hier alvast ervaring hebben kunnen opdoen met het nauwgezet registreren van andermans rituelen, omgangsvormen, eetgewoonten en trekbewegingen door de tuin.

Het idee van Papoea's in eigen beheer was in die tijd minder bizar dan het nu lijkt. In het begin van deze eeuw werd Otabenga, een Zaïrese pygmee, nog als een primaat tentoongesteld in de dierentuin van New York. Een halve eeuw later werden zwarte Amerikanen in het zuiden van de Verenigde Staten nog nauwelijks als mensen behandeld. Archbold had een koloniale mentaliteit. Tekenend was de allereerste opmerking die Archbolds, overigens vriendelijke, zuster verrukt maakte, toen ze hoorde dat ik helemaal uit Nederland was gekomen om meer te weten te komen over haar broer: “O, the Dutch were such good colonials.”

Het zou zeker niet in Archbolds lijn hebben gelegen om Papoea's na een actief leven als 'part of the landscape' op hun sterfbed alsnog te kerstenen. Archbold had een negentiende-eeuwse belangstelling voor de aanpassingsmogelijkheden van de mens, bij voorkeur de 'allerprimitiefste': “These people are not tame, they are not domesticated”, zei hij dikwijls, maar religie interesseerde hem niet. Pas wanneer de Papoea's het in hun hoofd haalden over het hek te klimmen en zich begaven op de uitgestrekte citrusplantages die de evangelievrije enclave omsloten, liepen ze gevaar te worden gekerstend. Daar, direct aan de andere kant van het hek, begint de Bible Belt, waar ijverige bekeerders elke kans om met een ontsnapte Papoea in dialoog te komen zouden hebben aangegrepen.

GOPHER SCHILDPAD

Bij aankomst op het Station loopt er een prachtige Gopher schildpad op de asfaltweg. De schildpad is zo omvangrijk dat hij in het begin van deze eeuw geboren kan zijn, net als Archbold. Hij steekt even zijn nek uit, kijkt, en loopt verder in de richting van een hek. Als dit de omheining maar niet is: gammel, geen duimdik ijzerdraad, nog geen twee meter hoog en bovenop het hek geen spoor van venijnige ijzeren punten. Het staat niet eens onder stroom. Had Archbold werkelijk gedacht 'de allerprimitiefste mens' zo te kunnen integreren in een oerlandschap? Wat naïef. De schildpad schuifelt in het warme zand langs het hek, terwijl ik hem vraag hoeveel Papoea's hij er in de loop der jaren overheen zag klimmen. Nee, als dit de oorspronkelijke omheining is, gemaakt van ijzerdraad van de firma Roebling in Pittsburg, dan waren de Nieuw-Guinese junglebewoners van Holman ofwel nooit hier geweest, ofwel overgegaan naar gene zijde van het hek. Zou de caissière in de supermarkt van Lake Placid, dan toch een afstammeling zijn van een Archbold Papoea? Er winkelden en werkten Mexicanen, Cubanen, rednecks, Koreanen, Chinezen en zwarte Amerikanen, maar een Papoea heb ik er niet kunnen ontdekken. Alleen die ene caissière heeft trekken die aan bewoners van Nieuw-Guinea doen denken. Klom een van haar grootouders eind jaren veertig over het hek? Op mijn vraag of ze wel eens heeft gehoord van de Papoea's in Lake Placid, antwoordde ze met een blik op mijn boodschappen: “What a nice and healthy eater you are.”

Aan de wanden van de eetzaal ontbreken de schoolplaatachtige afbeeldingen van dieren die naar Archbold werden vernoemd. Na een aankondiging in het tijdschrift Science in 1944, werd snel bekend dat biologen welkom waren op Archbolds Biological Station. Gekwalificeerde onderzoekers werden uitgenodigd om, grotendeels op Archbolds kosten, veldwerk te doen aan een onderwerp naar eigen keuze zoals vlindertrek, mierenfysiologie, gaaigedrag, of het in kaart brengen van de bijzondere vegetatie. Wie een nieuwe soort beschreef en naar Archbold vernoemde, was verzekerd van een vaste plaats aan tafel. Wanneer Archbold in de zaal rondkeek, was hij niet ontevreden over de snel groeiende lijst ongewervelden: Archbolds libelle, Archbolds lintworm, Archbolds solitaire wesp en Archbolds spin. Wel hoopte hij dat op een dag een warm kloppend zoogdier met veel haar zijn naam zou dragen.

Richard Archbold was als kind lastig, werd van scholen gestuurd en kreeg weinig opleiding. Voor een maatschappelijk bestaan was hij te excentriek. Wel had hij al vroeg een naïeve, maar hevige belangstelling voor natuurlijke historie. Hij kwam uit een van de rijkste families van Amerika, zijn grootvader was een van de oprichters van Standard Oil, zodat Archbold in materieel opzicht alles doen kon wat hij wilde. Als drieëntwintigjarige ging hij mee op een gecombineerd Frans-Brits-Amerikaanse expeditie naar Madagascar, waarbij hij zich toelegde op het maken van foto's en het verzamelen van zoogdieren voor de collectie van het American Museum of Natural History in New York (AMNH). Tijdens die tocht verwierf hij het reuzenei waarvan het label vermeldt dat het in de omgeving van Tulear werd gevonden. Sinds die eerste reis onderhield Archbold nauwe betrekkingen met het museum en kreeg er een kamer. Hij wist wel dat hij zelf geen belangrijke bijdrage aan de moderne biologie zou kunnen leveren, maar was toen al vast van plan anderen in staat te stellen dat wel te doen.

In zijn nog onvoltooide Archbold-biografie beschrijft Roger Morse dat Archbold graag wilde doorgaan met het organiseren en financieren van expedities. Archbold ronselde goede biologen zoals de Australische botanicus Brass en de Amerikaanse ornitholoog Rand en vertrok. Tijdens die eerste tocht (1933-34) had Archbold gepiekerd over een oplossing voor een van de grootste problemen tijdens dergelijke expedities: dat de tientallen dragers van bagage en voedsel zelf ook moeten eten. Daarom nam hij op de volgende expeditie (1936-37) die de Fly rivier in het zuiden van Nieuw-Guinea zou verkennen, een vliegtuigboot mee, zodat voedsel en bagage efficiënter konden worden verplaatst. Deze omgebouwde bommenwerper, die geschikt was gemaakt om, in plaats van bommen, parachutes met voedsel en expeditiebagage te laten vallen, zonk tijdens een wervelstorm in de haven van Port Moresbey. De expeditie was al ver landinwaarts en zestig dragers, twee honden en drie biologen moesten op vlotten terugkeren naar de kust.

De laatste en meest ambitieuze expeditie (1938-39) waaraan Archbold zelf deelnam, ging naar de noordelijke hellingen van het Sneeuwgebergte in het tegenwoordige Irian Jaya. Twee honderd man, inclusief een detachement Nederlandse soldaten. Inmiddels had Archbold weer een nieuwe omgebouwde bommenwerper, die Guba werd gedoopt, waarmee hij verkenningsvluchten uitvoerde. Tijdens een van die tochten ontdekte hij een enorme vallei, de Baliem, waar een bevolking van 60.000 landbouwers woonde. Archbold verheugde zich over de vriendelijkheid van de bevolking, schrijft Morse, maar over het meenemen van Papoea's zegt hij niets. Ook de ongepubliceerde autobiografie van Archbold, die sokken stopte en beren vilde: 'Skull perfect and skin made well up', geeft geen uitsluitsel. De in zichzelf gekeerde reuzenpadvinder behandelt de meest uiteenlopende onderwerpen zoals het ontbreken van beddengoed en bedden in de hotels op Madagascar, het inladen van een vrachtschip, de dood van zijn vader, het tatoeëren van een schaamstreek, of het opzetten van een eierleggend zoogdier. Telkens denk je: en nu komt het meenemen van de Papoea's, maar op schrift staat het niet.

Archbold zocht uitersten op: de witste plek op de kaart, de hoogste berg, de zwaarste beer, het grootste ei. In 1939 vloog hij de evenaar langs, als eerste de wereld op haar breedst rondend. Een reis waaraan de spoorloos verdwenen piloot Amelia Earhart, 'that bastard', zoals hij haar noemde, nooit toekwam. Archbold werd als een held binnengehaald in New York. Hij had, op verzoek van de Common Wealth, een nieuwe vliegroute over de Indische Oceaan van Australië naar Afrika gevonden. Er was in geval van oorlog een alternatief, wanneer de gebruikelijke route via Singapore zou worden afgesneden. Maar waar zijn de aantekeningen over wat Archbolds grootste blinde vlek had kunnen worden: de schriftloze zangers en dichters in eigen tuin? Heeft Archbold die vlek ooit wel bezeten?

Ik zoek kamer na kamer door, op zoek naar aanknopingspunten. In een ruimte waar Archbold wel eens ontspande, staat een bronzen lamp. In de lampenkap zijn toverlantarenplaten op ansichtformaat gemonteerd: mist boven een dal, authentiek Nieuw-Guinese mist. Daarnaast een kilometers brede rivier, onmiskenbaar Nieuw-Guinees. Daar weer naast een foto van twee Papoea's, elk met een hak over de schouder. Nieuw-Guinese landbouwers in Nieuw-Guinea, niets aan de hand: geen boom met Floridase sinaasappels op de achtergrond, of een Florida gaai die, zittend op een Papoea-schouder, een eikel van Archbolds eik in zijn snavel geklemd houdt.

Op de schoorsteen hangen, de stelen koloniaal gekruist, twee peddels met ornaat ingesneden bladen. Ze komen van het Sentanimeer. Eind jaren dertig vatte Archbold het plan op een biologisch station te beginnen aan de Nieuw-Guinese noordkust, in de buurt van Hollandia, niet ver van dit meer. Het zou de thuisbasis moeten worden voor volgende expedities, maar bovendien zou het gebied bij het station langdurig worden bestudeerd. Als er mensen woonden, deel van het landschap, was het vermoedelijk de bedoeling die ook te onderzoeken. Zouden de Papoea's van het gerucht niet in Florida hebben gewoond, maar op het onderzoeksterrein in Nieuw-Guinea? Van het plan kwam nooit iets terecht. De oorlogsdreiging nam toe en de expeditieleden keerden terug naar huis. Daar zaten ze dan, met hun amfibische bommenwerper, tenten, geweren, muggennetten, apparatuur en kookgerei. Biologen en technici, die onthand waren doordat ze niet bij hun witte plekken op de kaart konden. De oorlog was uitgebroken, in de Pacific werd gevochten. Om de groep bij elkaar te houden werkten de biologen een seizoen lang in Arizona, terwijl Archbold zocht naar een geschikte plek om een station in Amerika te beginnen. Hij wilde doorwerken in een eigen koninkrijk, waar het einde van de oorlog niet hoefde te worden afgewacht.

Ook op de zolder van het station liggen voorwerpen uit Nieuw-Guinea: een schouderschild van de Fly rivier en een gevlochten draagnet uit het hoogland, maar bewijsstukken voor de aanwezigheid van Papoea's in Florida ontbreken. De zware ijzeren constructie van het zolderdak doet denken aan de Brooklyn bridge en dat is niet vreemd. De gebouwen werden neergezet door John Roebling, kleinzoon van de ontwerper van deze brug. Roebling had het terrein van 1050 acres gekocht, zodat zijn doodzieke vrouw er de winters zou kunnen doorbrengen. Voordat een begin zou worden gemaakt met de bouw van hun huis op Red Hill, de hoogste heuvel in de omgeving, wilde Roebling de sterkte van constructies en materialen testen op de personeelsverblijven en werkplaatsen. Die zijn zo overdreven zwaar gebouwd, met dikke muren, zwaar staal, bronzen deuren en oerdegelijke tegels, dat je het gevoel krijgt dat er elk moment iets verschrikkelijks kan gebeuren. Misschien heeft Roebling dat zelf ook zo gevoeld. Juist toen de bouw van het huis zou beginnen, stierf zijn vrouw. Het huis is er nooit gekomen, maar op de heuvel van rode aarde is nog altijd te zien hoe mevrouw Roebling zich verheugd moet hebben op haar toekomstige tuin. Er groeien prachtige exotische planten, maar geen Nieuw-Guinese. Roebling had geen zin om in zijn eentje wervelstormen en bosbranden te overleven. Hij verkocht het terrein voor één dollar aan Archbold, een oude schoolvriend van zijn zoon. Dat was het begin van het Archbold Biological Station. Voorlopig waren tientallen soorten planten en dieren die alleen voorkomen op deze zandrug beschermd.

EXECUTIE

Archbold had ontzag voor wetenschappers, maar volgde hun adviezen niet klakkeloos op. Toen, na de oorlog, medewerkers van het AMNH voorstelden het terrein te verkopen om zo hun eigen expedities naar Nieuw-Guinea te financieren, weigerde Archbold daaraan mee te werken. Hij was zich ervan bewust dat het gebied bijzonder was en wilde het behouden. In 1973 kocht hij veel meer terrein aan en gaf daarmee een aantal soorten met een sterk beperkte verspreiding uitstel van executie. Als Archbold niet zo enthousiast en eigenwijs was geweest, zou een prachtig deel van Florida al lang citrusplantage zijn geweest.

Archbold Biological Station is inmiddels een wereldberoemd onderzoeksinstituut geworden. Tientallen biologen hebben er klassiek geworden veldwerk gedaan. Glenn Woolfenden en John Fitzpatrick deden prachtig veldwerk over de evolutie van samenwerking bij de Florida gaai. Binnen de grenzen van het huidige Station leven ongeveer honderd gaaienfamilies waarvan de burgerlijke stand al dertig jaar lang zorgvuldig wordt bijgehouden. Een van de biologen die me mee naar buiten nam, vertelt dat van elke vogel bekend is in welk territorium hij werd geboren, wie zijn ouders waren en wie zijn grootouders. Terwijl ik luister, zoek ik tevergeefs naar vuurplaatsen van Papoea's, pijlpunten, of sporen van een ingestort bivak. Niets, helemaal niets. Zelfs van de groep Seminole Indianen die hier, onder leiding van chief Billy Josie, ooit kampeerde, is geen spoor te bekennen. Een van de gaaien is zo tam dat hij pinda's eet uit de hand, een luxe vorm van teken zoeken op een groot zoogdier. Hoe langer ik kijk naar deze sociale gaaien met hun azuurblauwe vleugels en staart, des te menselijker ze worden: nieuwsgierig, onnodig lawaaiig, intelligent, destructief en liegend over de plaats waar ze hun eikels hebben verborgen. Zouden dit de nazaten van Archbolds Papoea's kunnen zijn? Veranderden Archbolds Papoea's, bij gebrek aan jaarvogels, in gaaien? Metamorfosen van mens in dier zijn op Nieuw-Guinea heel gewoon. Voorlopig blijft het raadsel van de Papoea's verborgen in Archbolds koninkrijk achter het ijzerdraad van de Brooklyn bridge.