Niet vervolgd; Nederland geeft oorlogsmisdadigers een huis en een uitkering

Nederland huisvest het Joegoslavië-tribunaal en krijgt het Internationaal Strafhof. Maar wat doet Nederland zelf met oorlogsmisdadigers uit ex-Joegoslavië die naar ons land zijn gevlucht? En met Dutchbat-militairen die over moslims zouden zijn heengereden? Met de Nederlandse vrijwilligers die in het Kroatische leger vochten? Niks, tot nu toe.

Vojka, een Servische vrouw uit Oost-Bosnië, maakte begin jaren negentig de lijsten van moslims die uit haar dorp weggevoerd zouden worden. Ze verzamelde hun huis- en autosleutels, ze begeleidde de transporten en doorzocht daarna de lege woningen. Ze nam mee wat ze de moeite waard vond.

Dat staat in een dossier van de Nederlandse politie. De beschuldigingen komen van getuigen die in Bosnië werden gehoord door onderzoekers van het Joegoslavië-tribunaal. Het tribunaal gaf de getuigenverklaringen aan de Nederlandse politie omdat het vond dat Nederland de zaak-Vojka moest onderzoeken. Vojka woont nu in Nederland en het tribunaal kan niet alle oorlogsmisdaadzaken zelf doen.

De politie heeft dat dossier al jaren. Er was ook een tv-uitzending over de vrouw: moslim-vluchtelingen in Nederland hadden haar herkend. Voor de camera vertelden ze wat Vojka aan misdrijven zou hebben gepleegd.

Maar Vojka zelf is nog door niemand verhoord. Ze woont in een flat, in een buitenwijk van Rotterdam. Ze verstopt zich niet, haar naambordje hangt naast de deur.

Een Servische politieman uit Trebinje, het zuiden van Bosnië, wordt beschuldigd van foltering, moord, etnische zuivering. Hij was in de oorlog bewaker van een gevangenis waar moslims vastzaten. De man, nu achtendertig, woont in een dorp in Noord-Holland. In het politiedossier staat dat hij een bijstandsuitkering heeft en huursubsidie. In het dossier staat ook zijn adres. Al jaren. Maar de Serviër is nog niet opgeroepen voor verhoor.

Bij de dienst Bijzondere Recherche Zaken van de CRI staan planken vol informatiemappen over ex-Joegoslaven die nu in Nederland wonen en die worden verdacht van oorlogsmisdaden. Bij de Militaire Strafkamer in Arnhem liggen - al enige tijd - tien dossiers waarin de aanwijzingen van betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven zo serieus zijn dat het opsporingsonderzoek onmiddellijk kan beginnen, zegt de persofficier in Arnhem.

Maar waarom loopt er nog geen gerechtelijk vooronderzoek? Waarom is er nog geen verdachte verhoord? In Denemarken, Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland zijn rechtszaken gevoerd tegen verdachte Bosniërs. In Denemarken werd de eerste in 1994 voor acht jaar vastgezet. In Duitsland zijn al twee oorlogsmisdadigers veroordeeld: één kreeg levenslang, de ander vijf jaar. Waarom niet in Nederland?

Al heel lang vluchten verdachten van oorlogsmisdaden naar Nederland. Vanaf begin jaren negentig vooral uit Afghanistan, Irak, Somalië, Liberia, Turkije, en sinds 1992 uit voormalig Joegoslavië. Ze kregen bijna zonder uitzondering een status, en er werd hun een huis toegewezen. Pas na publicaties daarover in Vrij Nederland, in 1997, gaf Justitie verdachte vluchtelingen minder makkelijk zo'n status.

Maar vervolgd werd nog niemand.

Voor de Joegoslaven in Nederland werd wel een speciaal opsporingsteam opgericht: het NOJO-team (Nederlands Opsporingsteam Joegoslavische Oorlogsmisdadigers). De regering vond het begin 1994 opeens erg belangrijk dat onderzoek werd gedaan naar deze verdachten. Een paar maanden eerder had het VN-Tribunaal voor oorlogsmisdaden in ex-Joegoslavië zich gevestigd in Den Haag. Nederland wilde ook nog graag het Internationaal Strafhof. Met dit opsporingsteam zou Nederland laten zien dat het de vervolging van oorlogsmisdadigers serieus nam. Ruim acht ton werd er vrijgemaakt, voor 1995. De CRI had dertig zaken klaar liggen voor onderzoek.

In maart 1995 begon het opsporingsteam, zeven mensen van de politie en de Marechaussee, met het horen van getuigen. Een inspecteur van de CRI was teamleider, het onderzoek werd uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie in Arnhem: de verdachten zouden daar worden voorgeleid,voor de Militaire Strafkamer.

Maar het OM in Arnhem was de Wet op het Oorlogsstrafrecht uit 1952 aan het bestuderen.

De officier van justitie, mr. Arnout Besier, vond dat eerst heel zorgvuldig moest worden bekeken of Nederland wel 'rechtsmacht' had om verdachten te vervolgen van een oorlog waarmee het zelf niet direct iets te maken had gehad. En of die zaken dan bij de militaire rechter moesten voorkomen of bij een burgerrechter. Besier vroeg rechtsgeleerden om hun mening. Die interpreteerden de wet verschillend.

Twijfels

Het NOJO-team speurde door, sprak met getuigen, en leverde de informatie in bij het OM. Het team vroeg het OM ook toestemming voor een gerechtelijk vooronderzoek. Zo'n onderzoek is nodig om getuigen in het buitenland te kunnen horen, telefoons af te luisteren, en uiteindelijk ook om verdachten aan te houden. Maar het OM was er nog niet uit. Kon een Nederlandse rechter oordelen over daden die in het buitenland waren gepleegd, door niet-Nederlanders?

Acht maanden na de oprichting van het opsporingsteam schreef korpschef Joop de Wijs van het Korps Landelijke Politiediensten, waar de CRI onder valt, aan het ministerie van Justitie dat het zo niet kon doorgaan. Het team was “met enthousiasme” begonnen, maar werd “voortdurend geconfronteerd met veranderende opvattingen omtrent de mogelijkheden tot vervolging”. Bij de teamleden waren “twijfels gerezen” over het nut van hun werk. Ze vroegen zich af of ze getuigen nog wel moesten confronteren met “verschrikkingen uit het verleden” als niet zeker was dat er iets met hun verklaringen werd gedaan. De korpschef in zijn brief: “Gelet op het feit dat er meer dan vijftien maanden na het besluit om een team op te zetten nog steeds geen duidelijkheid bestaat over de vraag of vervolging in Nederland mogelijk is, vraag ik mij af of het nog wel opportuun is om met deze opsporingswerkzaamheden door te gaan.” De Wijs eiste “op zeer korte termijn een duidelijk antwoord”.

De rechercheurs dachten, zeiden ze tegen elkaar, dat officier Besier niet veel zin had in deze klus. Hij ging over twee jaar met de VUT. In een vergadering met het team zei Besier dat hij geen zeperd wilde halen. De vervolging wás ingewikkeld, en de afloop onzeker. Besier zag 'valkuilen' en 'mijnenvelden'.

Drie weken na de brief legde officier van justitie Besier één geval, in een proefproces, voor aan de rechter-commissaris in Arnhem. De zaak Darko K.: een Servische marktkoopman uit Banja Luka. Hij zou in de zomer van 1992 twee moslims hebben vermoord, hij zou hebben meegewerkt aan deportaties van moslims naar een concentratiekamp en hij zou hebben geprobeerd twee vrouwen te verkrachten. K. woonde sinds 1993 in Den Haag.

De rechter-commissaris vond dat Nederland niet kon oordelen over oorlogsmisdaden van buitenlanders in het buitenland. In hoger beroep besliste de Militaire Raadkamer dat Nederland dat het wél kon en dat de militaire rechter bevoegd was. Het OM ging opnieuw in beroep. De officier van justitie wilde, voordat hij zou vervolgen, per se een uitspraak op het hoogste niveau. In november 1997 besliste ook de Hoge Raad: de militaire rechtbank in Arnhem mag buitenlandse oorlogsmisdadigers gaan berechten. Het OM kan beginnen met vervolgen.

Die uitspraak kwam ruim twee jaar nadat de eerste rechter over de zaak had nagedacht. Het opsporingsteam was toen allang gestopt met zoeken. Twee rechercheurs waren begin 1996 vertrokken, kwaad en teleurgesteld omdat Justitie niets met hun informatie deed. Eén van hen, René Reijenga, zei in 1996 in een interview met het Amsterdamse korpsblad Tap: “Na de Tweede Wereldoorlog zei iedereen: dit nooit weer. Maar het gebeurt nu weer. Een reactie blijft uit. Wij hebben achttien oorlogsmisdadigers in beeld gebracht. Ze hebben zich aan een scala van beestachtigheden schuldig gemaakt. Zes oorlogscriminelen kunnen we zo ophalen.” Na dat interview mocht Rijenga van zijn bazen niet meer met journalisten praten.

Vliegende start

De procureur-generaal van Arnhem maakte van het opsporingsteam een 'meldpunt': nog maar twee rechercheurs waren belast met het registreren van gegevens die binnenkwamen over mogelijke oorlogsmisdadigers. Officier van justitie Besier was het, zegt hij, van harte eens met die beslissing. Besier is nu met de VUT. Hij zit in de eetkamer van zijn huis in Wageningen. Op tafel liggen reisgidsen over Toscane en een plattegrond van Umbrië.

Dat opsporingsteam, zegt Besier, kostte veel geld, en dat was zonde als zou blijken dat Nederland toch niet kon vervolgen. “Het heeft weinig zin om zomaar een blik opsporingsambtenaren open te trekken.” Maar hij zegt ook: “Dat Nederland rechtsmacht had, daarover twijfelde eigenlijk niemand. Het ging erom welke rechtbank bevoegd zou zijn.”

In november vorig jaar, na de beslissing van de Hoge Raad dat er vervolgd kon worden, voorspelde Besier in De Gelderlander een 'vliegende start' voor het OM in Arnhem: “We zijn goed op de hoogte van de actuele situatie, hebben zicht op de verdachten, en kunnen redelijk snel aan de slag.” Er zou een nieuw Plan van Aanpak komen, het opsporingsteam zou - aangevuld met nieuwe rechercheurs tot negen man - weer aan het werk gaan.

Bijna een jaar na de uitspraak van de Hoge Raad is er nu dan een Plan van Aanpak. Leden van de Tweede Kamer hebben er vorige week vragen over gesteld aan de minister van Justitie. PvdA, CDA en GroenLinks willen bijvoorbeeld weten hoe ver het OM nu is met de voorbereiding tot vervolging, en hoe ver andere landen zijn in vergelijking met Nederland. Maar een nieuw opsporingsteam is er nog niet. “We zijn nog rechercheurs aan het recruteren”, zegt een woordvoerder van het OM in Arnhem. “We hopen in oktober definitief van start te gaan.”

De Serviër Darko K. heeft, vanaf het moment dat de Hoge Raad besliste dat hij kon worden vervolgd, niets meer van het OM gehoord. “Ik verwachtte”, zegt K.'s advocaat mr. M. van Basten Batenburg, “dat mijn cliënt zou worden vastgezet. Maar ik heb nooit meer iets vernomen. Er is geen gerechtelijk vooronderzoek gestart, geen dagvaarding uitgebracht.”

Darko K. woont niet meer op het adres, in Den Haag, dat in zijn dossier staat. En ook zijn advocaat kan geen contact meer met hem krijgen.

Besier wil er niet meer over zeggen dan: “We hadden goede redenen om niks te doen. Vraag verder maar in Arnhem.”

De persofficier in Arnhem zegt dat de zaak K. bij de Hoge Raad niet meer dan een “proefballonnetje” was. De zaak zelf zit nog steeds in de “opsporingsfase”.

PvdA-Kamerlid Gerritjan van Oven, een van de weinige parlementariërs die de vervolging van buitenlandse oorlogsmisdadigers al jaren volgen, noemt het “onbegrijpelijk” dat Darko K. nog geen dagvaarding heeft ontvangen. Hij vindt het “godgeklaagd” dat het nieuwe opsporingsteam pas in oktober aan het werk gaat.

Theo van Boven, hoogleraar internationaal recht, noemt het “niet fraai” dat Nederland in de vervolging van oorlogsmisdadigers achterloopt op andere landen in West-Europa, maar wel het Tribunaal voor Joegoslavië huisvest, en binnenkort ook het Internationaal Strafhof. Nederland is het enige land dat in zijn grondwet 'de bevordering van de internationale rechtsorde' heeft opgenomen. “De Nederlandse regering is bang voor terroristische aanslagen en de bewijsvoering in deze zaken is moeilijk. Maar die argumenten gelden ook voor de landen waar al wél verdachten zijn vervolgd.”

Menno Kamminga, docent internationaal recht op de Erasmus Universiteit en rapporteur van de International Law Association, deed onderzoek naar de berechting van mensenrechtenschenders in Nederland en de rest van de wereld. Hij zegt: “Daders van genocide worden bijna nooit gepakt. Hoe ernstiger het misdrijf, hoe kleiner de kans op vervolging, zeg ik maar. De internationale tribunalen voor Rwanda en Joegoslavië kunnen niet alles doen. Al zouden nationale rechters zelf maar een páár zaken per jaar doen, dan zou dat al een afschrikwekkende werking hebben.”

Volgens Kamminga is Nederland tot nu toe “te lamlendig” geweest om iets te doen tegen oorlogsmisdadigers. Over officier van justitie Besier zegt hij: “Je zou denken dat je zo'n baan neemt omdat je het interessant vindt. Maar ik heb vastgesteld dat hij alleen maar argumenten zoekt om niet te hoeven vervolgen.”

Paul de Klerk, antropoloog en een tijdlang onderzoeker bij de politie, deed uitvoerig onderzoek onder Bosnische vluchtelingen in Nederland en hij sprak met juristen en met rechercheurs van het opsporingsteam. De Klerk is er zeker van, zegt hij: “Het OM in Arnhem heeft de boel zitten ophouden en traineren waar het maar kon.”

Besier haalt zijn schouders op, kijkt door het keukenraam naar buiten en zegt: “Lariekoek. Onzin. Natuurlijk wil iedereen dat het sneller gaat, maar je móet zorgvuldig zijn, de zwaarste criteria aanhouden. Ik heb er wel altijd een hard hoofd in gehad dat die vervolging zou lukken.”

En het verwijt, of het vermoeden dat de officier er daarom weinig zin in had? Ook onzin, vindt Besier. Hij zegt: “We hebben ons voor deze zaak...” Hij stopt en begint een nieuwe zin: “Het had ons hart...” Hij stopt opnieuw. Besier vindt: “Je kunt het jammer vinden dat er in het onderzoek op de rem werd getrapt omdat er een proefproces was. Maar we hebben er bij de Hoge Raad regelmatig op aangedrongen dat er haast werd gemaakt.”

Besier kan zich niet herinneren hoe vaak er is aangedrongen. “Maar er ís contact over geweest, dat weet ik zeker. Terwijl dat niet eens onze taak was. De zaak lag bij de Hoge Raad.”

Terreur

De vervolging van oorlogsmisdadigers in Nederland gaat nu misschien toch echt beginnen. Rechters, griffiers en raadsheren van de Militaire Strafkamer in Arnhem zijn vorige week drie dagen op cursus geweest om zich voor te bereiden. Ze volgden vakken internationaal recht, oorlogsstrafrecht, 'interculturele communicatie' en ze leerden over het conflict in Joegoslavië. Van het openbaar ministerie hebben de rechters gehoord dat nu eerst de Joegoslaven worden vervolgd. Pas daarna komen misschien ook Afghanen, Irakezen of Somaliërs aan de beurt.

Die prioriteit is vooral praktisch, legt oud-officier Besier uit. “Voor de Afghanen was er nog geen opsporingsteam, voor de Joegoslaven wel. En het is politiek: Nederland heeft het tribunaal, en we willen het internationale strafhof.”

Na de val van de communistische president Najibullah, in 1992, vluchtten duizenden Afghanen naar Nederland. Onder hen zo'n veertig die betrokken waren bij de terreur van het communistische regime: ministers, hoge militairen, leden van de staatsveiligheidsdienst Khad. In dossiers van het ministerie van Justitie wordt bijvoorbeeld de asielzoeker Hesamuddin H., een vriend van Najibullah, beschreven als “één van de hoofdverantwoordelijken voor de grove mensenrechtenschendingen waaraan de Khad zich gedurende vele jaren heeft schuldig gemaakt.” Een andere vluchteling, Abdullah F., was hoofd van die staatsveiligheidsdienst. Hij wist dat tegenstanders van het regime werden gemarteld, zei hij tegen de vreemdelingenrechter. Hij had er nooit wat van gezegd, hij had zich nooit ingezet voor vrijlating van gevangenen.

De Afghaanse oorlogsmisdadigers werden in Nederlandse asielzoekerscentra en op straat herkend door hun vroegere slachtoffers, die in de jaren daarvoor het regime waren ontvlucht. Ze deden aangifte bij de politie. Maar pas nadat kranten en weekbladen eind vorig jaar schreven hoe misdadigers in Nederland zonder probleem een verblijfsvergunning kregen, een huurhuis en een uitkering, en pas nadat de Tweede Kamer daarover vragen stelde, begon op het ministerie van Justitie door te dringen dat er iets moest gebeuren.

Het ging niet alleen om Afghanen. Er kwamen ook meldingen binnen over verdachten uit onder meer Irak, Somalië en Liberia.

Er wás een artikel in het VN-vluchtelingenverdrag uit 1951 dat het ministerie kon gebruiken: artikel 1F. Een ernstig vermoeden van betrokkenheid bij misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven en mensenrechtenschendingen is genoeg om asielzoekers een vluchtelingenstatus te weigeren. Toch was van dit artikel tot begin dit jaar nog maar een enkele keer gebruik gemaakt. Dat veranderde door de publiciteit en parlementaire opwinding, en de inspanningen van een enkele actieve ambtenaar. Sinds maart dit jaar zijn er zo'n tachtig asielzoekers afgewezen op 1F.

Maar Nederland zal deze verdachte vluchtelingen niet zomaar uitwijzen: in eigen land lopen ze het risico te worden gelyncht, of ze worden misschien ter dood veroordeeld. Er waren zelfs asielzoekers die uitvoerig over hun misdaden verklaringen aflegden: dan wisten ze zeker dat ze niet worden teruggestuurd. En de oorlogsmisdadigers en mensenrechtenschenders die niet uit ex-Joegoslavië komen, hoeven zich nu nauwelijks zorgen te maken. Ze blijven in Nederland, en ze zullen voorlopig niet worden vervolgd: Joegoslaven gaan voor.

Er is nog een groep mogelijke verdachten die gerust kan zijn: de dertien Nederlanders die, na een oproep van een extreem-rechtse organisatie in Friesland, zich in 1992 als vrijwilliger aansloten bij het Kroatische leger. Ze vormden de First Dutch Volunteer Unit. Volgens hun commandant Johan Tilder, die in Servische gevangenschap verklaringen aflegde, was dat een 'verkennings-, sabotage- en interventie-eenheid'.

Blonde jongens

In een verhoor door de Servische politie, vastgelegd op video, vertelde Tilder dat hij had deelgenomen aan de aanval op de Servische enclave Medak in midden-Kroatië. De Serviërs in het gebied werden verjaagd of vermoord. Tegen de Servische politie zei Tilder: “Ik zag dat onze mensen lijken omkeerden en naar geld, goud, ringen en kettinkjes zochten. Sommigen leefden nog en riepen om genade. Iedereen werd gedood.”

Tilder verklaarde dat hij de benen van een gevangen Serviër had vastgehouden van wie de ogen werden uitgestoken en de keel doorgesneden. Maar over de betrokkenheid van de andere Nederlandse vrijwilligers weigerde Tilder te praten. Kort na dat verhoor werd Johan Tilder door de Servische politie doodgeschoten, volgens de Serviërs tijdens een vluchtpoging.

Een journalist van de Drents-Groningse Pers, Rob Siebelink, publiceerde de verklaringen van Tilder. Hij sprak ook met een groot aantal getuigen van de aanval op Medak. Ze vertelden over een groepje lange, blonde jongens die een taal spraken die leek op Duits.

In het voorjaar van 1995 gaf een Servische diplomaat een lijst met namen aan minister van Buitenlandse Zaken Van Mierlo: de dertien Nederlanders die volgens de Serviërs hadden meegewerkt aan de etnische zuivering van het gebied rond Medak. Van Mierlo vond de beschuldigingen zo ernstig, zei hij in de Tweede Kamer, dat hij de lijst had doorgestuurd naar het OM in Arnhem.

En wat deed het OM?

Het OM in Arnhem bekeek de lijst, besprak de zaak met het opsporingsteam voor Joegoslavische oorlogsmisdadigers en besloot dat er geen reden was om een opsporingsonderzoek te beginnen. De artikelen van Siebelink veranderden daar niets aan, omdat Tilder in het verhoor niets had gezegd over de andere Nederlandse vrijwilligers. Het OM zag geen aanleiding om zelf getuigen te gaan horen in ex-Joegoslavië.

Oud-officier van justitie Besier kan zich de zaak nauwelijks nog herinneren. Hij weet nog wel dat er geen “concrete aanknopingspunten” waren voor verder onderzoek. “Als de aantijging is: Pietje heeft een moord gepleegd, dan is dat natuurlijk niet genoeg.”

“Het is niet mijn bedoeling”, zegt Besier, “om nu over te stappen op het onderwerp Srebrenica. Maar je kunt als OM natuurlijk niets doen zonder concrete aanwijzingen dat er een strafbaar feit is gepleegd.”

Het OM in Arnhem zag in 1995 geen aanleiding om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar Dutchbat-militairen die in Srebrenica met pantserwagens over moslims heenreden. Oud-officier Besier: “Nu zijn die concrete gegevens er kennelijk wel.” Het OM bekijkt sinds vorige maand, na een nieuw publiciteitsgolfje over Dutchbat in Srebrenica, nog eens of er zo'n onderzoek moet komen.

Richard van Elst, jurist, doet op de Erasmus Universiteit promotie-onderzoek naar de vervolging van oorlogsmisdadigers in Nederland. Hij zegt: “Het is op z'n zachtst gezegd slecht voor de Nederlandse reputatie dat hier zelfs geen strafrechtelijk onderzoek wordt gedaan naar Nederlanders die misschien oorlogsmisdaden hebben gepleegd. Zelfs met die Nederlandse huurlingen voor Kroatië is niets gedaan.”

Nederland, denkt van Elst, loopt het risico dat het een “aanzuigende werking” krijgt op oorlogsmisdadigers. “Als ik oorlogsmisdadiger was uit bijvoorbeeld Joegoslavië, ging ik naar Nederland.”