Naar de hondengevangenis

“Hoe kun je nu toch weer aan een hond beginnen?” schreef een vriendin me een paar jaar geleden toen we in Botswana woonden. “Nou”, schreef ik terug, “we hopen dat die domme Britse quarantaine over drie jaar afgeschaft is, als ons contract hier afloopt en we naar Engeland terugkomen.”

Op de dag dat we in Botswana aankwamen werd Alofa geboren. Op een vrijdag in augustus haalden we haar op. Mijn Britse vriend zette ons thuis af, in een groot leeg huis. Hij moest nog werken, die vrijdagmiddag.

Ik nam haar mee de dorre, droge tuin in. We gingen zitten, daar waar nog een beetje zon was. Ze was van streek. Ze miste haar broertjes en haar zusjes. Waar was ze nu opeens beland? Ze begreep er niets van. Ik ook niet. Wat deed ik hier in Gaborone?

Toen ze in slaap viel, fluisterde ik haar toe: “Ik wens je een lang en gelukkig en gezond leven toe. En ik hoop dat je je hele leven lang bij ons mag wonen.” Ik had nog nooit eerder een hond vanaf een pup gehad.

Die kleine pup van zes weken werd zonder problemen een grote, sterke en kerngezonde hond. Toen ze zes maanden was, hoorden we opeens een mooie diepe blaf en vanaf die tijd hadden we een goede waakhond: ze blafte nooit voor niets. Na een jaar kwam Spike erbij. Kleine Spike, achtergelaten door andere buitenlanders, was niet bang voor grote honden en het was leuk die twee samen te zien spelen.

Elk weekend gingen we lang met ze wandelen op Sebele, aan de rand van de woestijn. In het dorre gras lag soms een hertje te slapen en opgeschrikt door de honden vluchtte het naar de rand van het 'veld'. Alofa rende er achteraan en Spike hobbelde mee. Tussen de bomen en de bosjes, met doornen groot genoeg als tandenstokers, vond het hertje altijd weer haar vrijheid. Moe maar voldaan droop Alofa af, met Spike in haar kielzog.

Het Britse parlement besprak de afschaffing van de quarantaine. Wij hoopten en duimden, maar alle voorstellen werden afgewezen.

Toen we in 1994 met verlof kwamen realiseerden we ons dat we misschien wat te optimistisch waren geweest. We gingen op zoek naar een quarantainekennel. De eerste die we bezochten was afgrijselijk; de tweede niet beter: ouwe troep, niet schoon te houden, smalle gangetjes, gaas, deuren, kleine hokken, geen ramen, geen ventilatie, en veel keffende honden. En de mensen zo overtuigd van het nut van quarantaine, onvoorstelbaar.

“Nee, natuurlijk worden de honden niet uitgelaten, dat kan niet vanwege het besmettingsgevaar”, zei het meisje in de eerste kennel en: “Nee, we raden u af om op bezoek te komen, want de honden raken zo van streek.”

“Nee, wij laten geen bezoek toe”, werd er in de tweede kennel gezegd, “want de mensen raken zo van streek.”

Huilend viel ik die avond in slaap. De volgende dag probeerden we nog één andere kennel, want driemaal is scheepsrecht. De Engelsen zeggen 'Third time lucky'. Deze was ietsje verder weg, maar gloednieuw en zo te zien gebouwd door iemand die van honden hield: een prachtig verwarmd binnenhok, een buitenhok en een ren. Alle hokken waren afzonderlijk gebouwd op een groen grasveld. En de honden hadden een prachtig uitzicht over de omliggende groene heuvels.

We boekten er voor 1995 twee honden in, voor zes maanden. Gek genoeg was deze kennel niets duurder. Omdat Alofa zo'n grote hond is, zouden ze een ren van zeven meter krijgen. Bezoekuren elke middag van twee tot vier. “We raden u wel aan om altijd op dezelfde dag te komen”, zeiden ze. “Daar raken uw honden aan gewend”.

Terug in Gaborone beende ik over onze patio. Zeven meter, zes maanden lang. Elk weekend gingen we naar Sebele, maar nu als ik Alofa zag rennen dacht ik: “Wat heeft die hond misdaan om in de gevangenis terecht te komen?” Slapeloze nachten kreeg ik ervan.

Op een dag heb ik Alofa alles uitgelegd en ik heb haar de brochure van de kennel laten zien, met foto. “Wat wil je?”, vroeg ik. Ze lag op de bank en heeft me heel lang aangekeken met die mooie ogen van haar.

“Als jullie eerst naar Nederland gaan”, zei iemand, “dan kun je vanaf Nederland via Noorwegen honden mee naar Engeland nemen, zonder quarantaine.” We konden er niet achterkomen of dit echt waar was.

“Maar”, zei iemand anders, “als je hier een goed nieuw thuis voor ze kunt vinden, laat ze dan hier.”

Ik belde er een uur met mijn zusje over. Mijn zusje, ook ten einde raad, zei: “Vraag het Alofa!”

“Dat heb ik gedaan”, zei ik.

“En, wat zei Alofa?” vroeg mijn zusje.

“Alofa zei”, zei ik, “vind je dit een eerlijke vraag?”

P.S. We hoorden dat Alofa moeder is geworden en met Spike gaat het ook goed.