'Mijn kleine bruine vrienden'; Dr. Paul Julien, Nederlands laatste levende ontdekkingsreiziger:

Nederland was lange tijd in de ban van Paul Juliens avonturen met hyena's, malaria en stoomboten. De amateur- antropoloog kwam op plekken in Afrika waar nog nooit blanken geweest waren. Last van politieke correctheid heeft de nu bijna honderdjarige 'Dr. Paul' nooit gehad.

Brahms verwaait over het dichtbegroeide tuinpad. Door de in lood gevatte ruitjes heen is de gelige gloed van een perkamenten lamp zichtbaar. Verscholen achter het groen lijkt de Wassenaarse villa zich van de straat en van het heden af te wenden, terug naar het verleden. Huis en bewoners hebben aan hun herinneringen genoeg.

Binnen is de schemering gestoffeerd met sporen van vele verre reizen - bronzen Indiase godinnen, bewerkte houten tafels, een reusachtige Indonesische gong, Tibetaanse lakdoosjes op de piano, warmrode kleden op de vloer - en talloze ikonen en Christus- en Mariabeelden. Hier woont Nederlands laatste levende ontdekkingsreiziger, de nu 97-jarige dr. Paul Julien met zijn vrouw Mieke, pianiste.

Julien - of 'Dr. Paul', zoals zijn bijnaam luidde - was dankzij zijn verhalen uit Afrika al vóór de oorlog tot ver in de jaren vijftig een begrip in Nederland. De praatjes die hij vanaf 1932 voor de KRO-radio hield, waren uitermate populair en zijn boeken over Afrika waren in vele - met name katholieke - huishoudens een vast onderdeel van de boekenplank. De bundel radiovoordrachten die hij eind jaren dertig publiceerde onder de titel Kampvuren langs de evenaar bereikte een oplage van meer dan honderdduizend exemplaren en is in zeker zeven talen verschenen. Met zijn verhalen en zijn beelden, zijn mengeling van avontuur en wetenschap opende hij ongekende vergezichten.

Bij Uitgeverij Atlas verscheen vorig jaar een herdruk van Juliens boek Pygmeeën (1953); begin oktober verschijnt de herdruk van Eeuwige Wildernis (1940). Ook is een uitgave in voorbereiding met een selectie uit zijn ruim twintigduizend zwart-wit foto's. Samen met nog eens dertigduizend dia's en kilometers film liggen de negatieven in keurige rolletjes met vloeipapier in slagorde opgeslagen in de ladenkasten op zijn studeerkamer.

Behalve een getalenteerde fotograaf en filmer blijkt Julien, die van huis uit chemicus is, ook een begenadigd schrijver te zijn. In zijn boeken combineert hij spannende belevenissen met malaria en hyena's, panters en stormen, sprinkhanenplagen en krakkemikkige stoomboten met beeldende beschrijvingen van natuur en landschap en gevoelige schetsen van de mensen die hij treft. Anders dan antropologen die lang op één plek blijven om een gemeenschap te bestuderen was Julien meestal onderweg. Zijn observaties hebben hun kracht behouden, het ouderwets aandoende taalgebruik verleent ze extra charme.

In het aangezicht van de Kilimanjaro schrijft hij in Eeuwige Wildernis: 'En nu nadert de avond. Een gloed, als van een verre steppebrand, heeft zich over de vlakte gelegd. (...) In deze wijde wereld van avondlijk licht voltrekt zich ineens het wonder. Boven de rosse horizon die zich in purperen vlammen hult, wordt een sluier weggetrokken en in blauwviolette lijnen verheft zich het indrukwekkende bergprofiel van Afrika's hoogste berg. (...) Er zijn ogenblikken in het leven van elke mens, in wie de dorst naar schoonheid leeft, dat het is of één moment van verbijsterende verrukking ons schadeloos wil stellen voor een leven van hunkering.'

“Ik was helemaal niet van plan om schrijver te worden”, zegt hij met zijn karakteristieke stelligheid, “maar ik heb bijna al mijn reizen zelf moeten financieren. Daarom moest ik wel schrijven en lezingen en radiovoordrachten houden.” In 1933 promoveerde hij op een proefschrift over 'Elektrokinese der Zilver halogeniden', maar tegelijkertijd was hij al in de greep van de volkenkunde. “Ik ben altijd een soort hybride geweest. Als student had ik al met mijn vader een aantal reizen naar Noord-Afrika gemaakt en een reis van een half jaar naar Indië. Vier keer heb ik aanbiedingen gehad om hoogleraar in de volkenkunde te worden, maar die heb ik steeds afgeslagen. Mijn vrijheid was mij meer waard.”

De vrijheid om lange reizen te maken dankte hij aan de zomervakanties in het onderwijs: Julien is altijd als leraar chemie verbonden geweest aan een lyceum in Den Haag. De rector was “een beschaafde man met brede belangstellingen”, die er geen halszaak van maakte als de karavaan of de bananenboot er wat langer over deed en de reislustige leraar pas in februari terug was op school in plaats van in september. “Ik moet u ook zeggen dat ik door die reizen heel populair was onder de leerlingen en leraren die wisten dat er meer in de wereld was dan de chemie.”

Hoeveel reizen Paul Julien heeft gemaakt, weet hij zelf niet precies meer. Volgens Lex Veldhoen, die bij de herdruk van Eeuwige Wildernis een biografisch voorwoord schreef, maakte hij tussen 1927 en 1962 ruim twintig karavaanreizen - inclusief zijn wittebroodsweken in 1938. Door de dekolonisatie werd het reizen steeds moeilijker: “Het inlandse bestuur moest nog beginnen en ruzies onderling behoorden tot het normale dagwerk. Bovendien kende ik het land vaak beter dan zij!” Er volgden zeker nog tien expedities naar Azië, waar hij andere 'isolaten' onderzocht zoals pygmeeën in Maleisië en de Ainoe's op het Japanse Hokkaido. Zijn eerste vrouw Elly vergezelde hem vijftien keer naar Afrika; zijn tweede vrouw Mieke, een pianoleerlinge van Elly aan het conservatorium met wie hij op 83-jarige leeftijd trouwde, is menigmaal meegegaan naar Azië, voor het laatst nog in 1990.

Toen Julien zijn carrière als amateur-antropoloog begon was de meest gebruikte methodiek het meten van bijvoorbeeld lichaamslengtes en schedels. Hij is daar snel van afgestapt: de metingen leverden veel gegevens op, maar weinig kennis, vond hij. “In plaats daarvan heb ik een omvangrijk bloedonderzoek opgezet, dat moest aantonen of er verwantschappen waren tussen de diverse Afrikaanse volkeren. Een van de verrassende uitkomsten bijvoorbeeld was dat er, anders dan altijd was aangenomen, géén verwantschap was tussen de bosjesmannen en de pygmeeën van West-Afrika.”

Tijdens zijn tochten heeft Paul Julien nieuwe stammen ontdekt; hij was de eerste Europeaan die met de Mikaya- en de Bakah-pygmeeën in contact kwam. Maar het bloedonderzoek bleef jarenlang het hoofddoel, en heeft een zware stempel op zijn tochten gedrukt. “Het was een statistisch onderzoek”, legt hij uit, “en dat betekende dat ik grote aantallen bloedmonsters nodig had. Dat bepaalde mijn keuze van reisdoelen: ik moest dáárheen waar ik goede kans had materiaal te vinden.” Hij riep daartoe de hulp in van de katholieke missies - “maar ik heb ook heel goed samengewerkt met de protestantse zending, hoor” - en van de lokale machthebbers.

Vervolgens moest hij de stammen zo ver zien te krijgen dat ze bloed, een stof met een krachtige magie, aan een blanke afstonden voor een onduidelijk doel. Soms moest hij na elke prik de instrumenten in de rivier afspoelen om te bewijzen dat het bloed niet alsnog voor andere, geheimzinnige doeleinden werd gebruikt. Als hij eenmaal monsters had, konden ze in de warmte niet lang bewaard blijven en moesten ze meteen verwerkt worden, ook al was het midden in de nacht.

Om zijn overtuigingskracht te vergroten voerde Julien in zijn karavaan grote hoeveelheden cadeau's mee in de vorm van zout, stof en tabak. De Afrikanen verwachtten van hem als blanke ook medische hulp. In Eeuwige wildernis verhaalt hij van zijn deelname aan een Frans onderzoek naar slaapziekte. Achter de onderzoekers aan loopt een man met een emmer witkalk en een kwast die bij iedere patiënt het geneesmiddelenrecept op de naakte borst schrijft; bij gecompliceerde gevallen wordt de inscriptie op de rug voortgezet.

Een hoofdstuk van Kampvuren langs de evenaar is gewijd aan Nguélé, de trotse, spotzieke leider van een pygmeeëndorp die melaats is en verminkt door etterende wonden. Langzaam raken ze bevriend en als Julien vertrekt, probeert hij Nguélé over te halen om mee te gaan om zich te laten behandelen. Dat doet hij niet. Julien schrijft met be- en verwondering: 'Hij is zich bewust dat hij in de wildernis te gronde zal gaan, dat hij in het natte woud zal sterven aan wonden, die nooit meer zullen genezen. In zijn oog weerspiegelt zich een mengeling van fatalistische berusting en spot. Hij is zichzelf gebleven.'

Het zou makkelijk zijn om Julien af te doen als een koloniaal heerschap die met orders van het gouvernement in handen, de bevolking liet opdraven voor een voor hen irrelevant onderzoek. Het is wel opvallend welk een vanzelfsprekend gezag de Afrikanen blijkbaar aan een blanke toekenden - “ik was ook bijna altijd de enige blanke” - al had dat 'gezag' ongetwijfeld veel te maken met de inhoud van zijn portemonnee. Dat besefte Julien zelf ook terdege. Wat nu juist verfrissend overkomt is de afwezigheid van elk spoortje politiek correctheid of schuldgevoel. Zijn houding is er een van oprechte betrokkenheid. Onbekommerd foetert hij op zijn dragers als ze 'm weer midden in de nacht zijn gesmeerd en op de stamhoofden die de pygmeeën als slaven uitbuiten. Met dezelfde argeloosheid beschrijft hij de pygmeeën, voor wie hij een grote sympathie voelt, als 'primitieven' en 'mijn kleine bruine vrienden'. Als hij in Pygmeeën getuige is geweest van een geboorte schrijft hij met een haast religieuze ontroering, misschien zelfs jaloezie: 'Hier, temidden van moerassig oerwoud, dat na de ijswildernissen van het poolgebied zeker het gevaarlijkste en mensvijandigste milieu is dat de aarde kent, huist die handjevol wilden in een angstwekkende eenzaamheid. (..) Welke raadselachtige tegenspraak, vroeg ik mij af, ligt er toch in het feit dat wij cultuurmensen onder deze omstandigheden reddeloos te grond zouden gaan en zij zich handhaven, millennia lang? Ligt de sleutel van dit raadsel in de omstandigheid dat hun cultuur, die wij primitief noemen, volmaakt aansluit op het milieu?'

Van chemicus in deeltijd was Paul Julien in zijn hart cultureel antropoloog geworden. Met lichte tegenzin geeft hij toe dat het bloedonderzoek dat hem zo lang motiveerde talloze ontberingen te ondergaan, weinig heeft opgeleverd. “Zelfs als je na het vergaren van een groot aantal monsters kunt constateren dat twee groepen aan elkaar verwant zijn, dan weet je nog niet waardoor dat komt. De vooruitgang in de wetenschap heeft mij ingehaald.” Achteraf lijkt er maar één conclusie mogelijk: voor Paul Julien was het tenslotte belangrijker om in Afrika te zijn dan er iets te vinden.

Pygmeeën, Uitg. Atlas, 292 blz., ƒ 69,90. Eeuwige Wildernis, idem, zw-w. foto's, 280 blz. f 69,90