MIEREN HEBBEN DE SCHIMMELKWEEK VIER KEER UITGEVONDEN

Mierenonderzoeker Edward O. Wilson trof in Brazilië ooit een mierennest aan dat bestond uit meer dan duizend kamers, waarvan er 390 gevuld waren met 'schimmeltuinen'. De kamers varieerden in grootte van een samengebalde vuist tot een voetbal. De mierensoort behoorde tot het genus Attini, die zo'n tweehonderd soorten omvat. Al die soorten blijken het verbouwen van schimmels tot een ware kunst te hebben verheven. Werkers ter grootte van een huisvlieg gaan op pad, zoeken een struik of boom op en knippen met hun stevige kaken grote stukken uit bladeren. Die dragen ze als parasols terug naar hun nest, waar de bladfragmenten worden opgepikt door iets kleinere werkers die het groen verder versnipperen. De ongeveer één millimeter grote fragmenten worden vervolgens door nog kleinere mieren tot vochtige pakketjes gebald en naar een lokale schimmeltuin gebracht. De schimmel die daar tegen de wanden en gangen groeit (het heeft iets van een grijze badspons) groeit op het vers aangevoerde materiaal. De mieren voeden zich op hun beurt met de schimmel.

Het verbouwen van schimmels door mieren ontwikkelde zich zo'n vijftig miljoen jaar geleden. Maar gebeurde het één keer en daarna nooit meer? Namen mierensoorten de schimmelkweek van elkaar over of ontwikkelde het specialisme zich meer keren onafhankelijk van elkaar? Om die vraag te beantwoorden onderzochten entomologen van het Smithsonian Tropical Research Institute in Balboa (Panama) en het National Museum of Natural History in Washington in totaal 553 schimmelkweken van een aantal verschillende geslachten uit Panama, Costa Rica, Trinidad, Gyana en Brazilië. Ze voerden een DNA-analyse uit, van elke soort onderzochten ze twee genen (zogeheten nucleair-ribosomaal-DNA-genen). Op basis van hun analyse concluderen de onderzoekers dat de 'landbouw' vier keer werd uitgevonden door deze mieren (Science, 25 september).

Elk nest blijkt niet meer dan één type schimmel (een cultivar) te herbergen. Maar een soort kan meer typen verbouwen, de meeste soorten kweken er ten minste twee. De soort Mycocepurus smithi cultiveert vier verschillende typen in Panama en weer vier andere typen in Trinidad. Nesten die slechts enkele centimeters uit elkaar liggen, kunnen verschillende, ver verwante schimmeltypen herbergen.

Het komt ook voor dat verschillende mierensoorten dezelfde schimmel verbouwen. Volgens de entomologen komt het geregeld voor dat de ene mierensoort een schimmeltype van een andere soort overneemt, omdat het eigen type verloren is gegaan, bijvoorbeeld door een ziekte. Zo kunnen sommige schimmeltypen zich razendsnel verspreiden.