Met elf jaar de loopgraven van Soedan in

Twee gewezen kindsoldaten uit Soedan waren deze week in Nederland om hun verhaal te vertellen. Tijdens de Vredesweek heeft Pax Christi de tragiek van kind- soldaten opnieuw onder de aandacht gebracht.

UTRECHT, 26 SEPT. Santino, twintig jaar oud en afkomstig uit Soedan, heeft zijn levensverhaal op papier gezet. De biografie telt twee velletjes A4. Santino werd op tienjarige leeftijd kindsoldaat en om zijn oorlogstrauma te verwerken moest hij over zichzelf schrijven. Daardoor kan hij nu gemakkelijker praten over wat er in zijn nog jonge leven gebeurd is.

Het dorp in het zuiden van Soedan waar Santino met zijn familie woonde, veranderde tien jaar geleden in een strijdtoneel. Moslimguerrilla's uit het noorden voerden een aanval uit op het zuidelijke SPLA-bevrijdingsfront. “Het was midden in de nacht. Huizen werden in brand gestoken, vee gestolen, vrouwen verkracht, het dorp geplunderd, mensen meegenomen. Mijn ouders zijn toen vermoord”, vertelt Santino, ogenschijnlijk zonder enige emotie. De tienjarige Santino sloeg op de vlucht en in de chaos raakte hij zijn broertje en twee zusjes kwijt. Tot op de dag van vandaag weet hij niet waar ze zijn en of ze nog leven.

De ouders van Santino zijn slechts twee van de vele slachtoffers van de bloedige burgeroorlog die Soedan sinds 1983 in zijn greep houdt; in vijftien jaar tijd kwamen naar schatting 1,3 miljoen mensen om. De Soedanese regering probeert met geweld het christelijke en animistische zuiden te onderwerpen aan het islamitische bewind. Het SPLA-bevrijdingsfront en andere facties in het zuiden bieden hiertegen hardhandig verzet.

Om de aandacht van Pax Christi deze week voor kindsoldaten een gezicht te geven, zijn Santino Wek Aru en James Yusuf Kundu (25), eveneens een Soedanese ex-kindsoldaten, naar Nederland gekomen. James werd op dertienjarige leeftijd gerecruteerd door het SPLA: “Mijn vader was vermoord door moslims en ik wilde zijn dood wreken.” Na een training van zes maanden kon hij zeer goed met wapens overweg en beheerste hij aanvalstactieken en oorlogsstrategieën. Nog voordat James ingezet werd bij militaire operaties, wist zijn oom echter hem nog net op tijd over te halen te gaan studeren.

Ook Santino leerde al op jonge leeftijd met een wapen omgaan. Na de overval op zijn dorp, trok hij samen met andere vluchtende dorpsbewoners naar het oosten, naar de grens met Ethiopië. Santino: “Iemand vertelde me dat het SPLA vlakbij de grens een trainingskamp had, waar ze je leerden vechten. Omdat ik geen keus had, en dit de enige manier was om te overleven, besloot ik daar naartoe te gaan. De tocht duurde anderhalve maand en was niet gemakkelijk, maar mensen van het SPLA zorgden soms voor eten.”

Na een zes maanden durende training moest Santino, inmiddels elf jaar, naar het front, de loopgraven in. “Ach, ik was daar met veel meer kinderen die tussen de 9 en 13 jaar waren”, zegt hij nuchter. Of hij tegenstanders gedood heeft, weet hij niet. “Je ligt daar in de vuurlinie en de kogels vliegen over en weer.”

Na een jaar te hebben gevochten tegen regeringstroepen en moslimguerrilla's, begon hij steeds meer voor zijn eigen leven te vrezen: “Ik zag veel vrienden sterven. Zelf ben ik nooit gewond geraakt. Op een gegeven moment dacht ik dat ik gek werd en vreesde dood te zullen gaan. Toen besloot ik te vluchten naar Ethiopië.”

Hij kwam terecht in een vluchtelingenkamp. Bij een wisseling van de regering in Ethiopië moesten alle vluchtelingen echter het land uit. Santino vluchtte naar Soedan en omdat daar de situatie ook te gevaarlijk was naar het zuidelijker gelegen Kenia. Honderden kilometers heeft hij gelopen. Santino: “Velen zijn toen gestorven door uitdroging en ondervoeding.”

Uiteindelijk belandde hij in vluchtelingenkamp Kakuma, gelegen midden in een woestijn, waar inmiddels meer dan 65.000 mensen wonen. Zo'n 85 procent hiervan is minderjarig en net als Santino gevlucht en of kindsoldaat geweest. De situatie in Kakuma, waar elk dag nieuwe ontheemden hun toevlucht zoeken, is deplorabel. Omdat het in een woestijn ligt, is voedsel en water nog schaarser dan in andere vluchtelingenkampen. De temperatuur ligt tussen de 38 en 42 graden.

's Ochtends gaan de meeste kinderen in het kamp naar school. Schoolboeken en pennen moeten gedeeld worden met tien anderen, want ook deze spullen zijn schaars. Vanaf half een hebben ze vrij, maar veel puf om iets te doen in de zinderende hitte is er niet. Behalve voor educatie is er in Kakuma ook aandacht voor rehabilitatie en resocialisatie van de veelal getraumatiseerde kinderen. Sport en geloof moeten de minderjarigen mentaal sterker maken. Santino is er inmiddels weer bovenop en heeft zijn toekomst al uitgestippeld. “Eerst mijn middelbare school afmaken, en daarna wil ik voor priester of dokter studeren. Daarmee help ik mijn volk meer dan door te vechten.”

Of zijn dromen werkelijkheid worden, is de vraag. Voorlopig kunnen de vluchtelingen in Kakuma geen kant op. Terugkeren naar Soedan is niet mogelijk vanwege de slepende burgeroorlog en een andere uitwijkmogelijkheden zijn er niet. Ook Santino en James moeten na hun bezoek aan Nederland terug naar Kakuma.