Inkomensderving bij ziekte en arbeidsongeschiktheid

De meeste mensen verdienen hun geld door middel van arbeid. In de tijd van snelle koersstijgingen op de beurs en de genereuze optieregelingen van de laatste jaren leek dit voor sommigen wel eens anders.

De recente koersdalingen op de beurs geven aan dat werken voor de kost op termijn de grootste zekerheid voor het inkomen geeft. En de werkeloosheid is de laatste jaren gedaald, waarmee de kans om een baan te vinden groter is dan enige jaren geleden. Dit neemt helaas niet weg dat iedere werknemer ziek kan worden en daardoor niet in staat is te werken.

De sociale zekerheid ving via de Ziektewet, de WAO (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering) en de AAW (Algemene arbeidsongeschiktheidswet) het inkomensverlies voor de meeste werknemers bij ziekte op.

Er is op dit gebied in de afgelopen jaren veel veranderd. De Ziektewet, waarin de inkomensvoorziening gedurende de eerste 52 weken van de ziekte geregeld is, geldt in de oude vorm nog slechts voor enkele groepen, zoals voor uitzendkrachten en zwangeren. Voor werknemers met een arbeidsovereenkomst geldt een doorbetalingsverplichting voor de werkgever (WULBZ, Wet uitbreiding loondoorbetaling bij ziekte) gedurende de eerste 52 weken van 70 procent van het loon met een maximum van 70 procent over ongeveer 79.000 gulden per jaar. Op grond van afspraken tussen werkgever en werknemer kan overigens door de werkgever meer uitgekeerd worden.

Bij langdurige ziekte gaat na 52 weken de WAO gelden. In het verleden ontving de werknemer bij volledige arbeidsongeschiktheid een uitkering van maximaal 80 procent van het loon tot het maximum van dit percentage over een loon van ongeveer 79.000 gulden. Sinds 1993 is deze regeling ingrijpend veranderd. De WAO-uitkering is sindsdien afhankelijk geworden van de leeftijd van de arbeidsongeschikte werknemer. Concreet betekent dit dat de aan het loon gerelateerde uitkering slechts voor een beperkte periode geldt.

Uitzonderingen op deze regel gelden voor werknemers jonger dan 33 jaar voor wie zelfs helemaal geen aan het loon gerelateerde uitkering bestaat. Slechts werknemers van 59 jaar en ouder hebben tot hun 65e jaar recht op een aan het loon gerelateerde uitkering. De overige werknemers vallen onder de leeftijdsafhankelijke regeling.

Na afloop van de periode waarop recht bestaat op een uitkering van 70 procent van het loon tot het hierboven beschreven maximum ontstaat recht op een vervolguitkering. Deze bestaat uit een uitkering ter grootte van 70 procent van het minimumloon met een aanvulling die afhankelijk is van de leeftijd, waarbij de maximumuitkering ongeveer 55.000 gulden bedraagt. Het zal duidelijk zijn dat vooral voor jonge werknemers met een hoog salaris de huidige regeling tot een behoorlijke inkomensdaling kan leiden.

Het verschil tussen de oude en de nieuwe WAO-regeling noemt men het WAO-gat. Inmiddels hebben veel werkgevers dit WAO-gat verzekerd, zodat de werknemers niet geconfronteerd worden met de nadelige gevolgen van de nieuwe wet.

Een voorbeeld maakt duidelijk hoe ingrijpend het WAO-gat kan uitpakken. Een werknemer van 40 jaar met een brutosalaris van 70.000 gulden per jaar, houdt bij volledige arbeidsongeschiktheid een bruto jaarinkomen van minder dan de helft van het oorspronkelijke inkomen over. Indien deze werknemer een salaris van 100.000 gulden had, wordt het percentuele verschil nog groter wegens de beperking tot het maximum dag-loon van ongeveer 79.000 gulden voor de WAO. Een maximum dagloon gold overigens ook reeds onder de oude regeling. Het grote verschil in uitkering zit in de tijdelijkheid van de aan het loon gekoppelde uitkering.

Hiernaast is in 1993 nog de beschikbaarheid voor een andere dan de eigen oude functie gekomen. Het belangrijkste verschil met de situatie van vóór 1993 is dat het niet langer vanzelfsprekend is dat de inkomensderving bij arbeidsongeschiktheid goed geregeld is.

Mogelijk is een arbeidsongeschikte niet meer in staat om zijn oorspronkelijke arbeid te verrichten, maar kan wel ander werk doen. Voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt gezocht naar de drie bestbetaalde functies, die minimaal 30 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen en die nog wel door de arbeidsongeschikte verricht kunnen worden. De middelste van deze functies is bepalend voor wat de arbeidsongeschikte nog kan verdienen. Van de arbeidsongeschikte werknemer wordt verwacht bereid te zijn deel te nemen aan scholing voor een andere functie. Als de arbeidsongeschikte niet bereid is tot ander werk of scholing kan dit gevolgen voor de uitkering hebben. Als iemand voor een bepaalde functie geschikt bevonden wordt betekent niet dat die functie beschikbaar is.

Mogelijk valt de werknemer dan geheel of gedeeltelijk onder de werkeloosheidswet. De hoogte van de werkeloosheidsuitkering is afhankelijk van het arbeidsverleden. Indien dit minder dan vier jaar is wordt gedurende een half jaar een aan het loon gerelateerde uitkering verstrekt tot het maximum van 70 procent van ongeveer 79.000 gulden. Daarna volgt een uitkering van maximaal 70 procent van het minimumloon gedurende twee jaar. Voor werknemers van 57,5 jaar en ouder duurt de uitkering op basis van 70 procent van het minimumloon maximaal 3,5 jaar.

Arbeidsongeschikte werknemers worden in principe regelmatig herkeurd om de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Zodra een werknemer in staat geacht wordt (gedeeltelijk) aan het werk te kunnen, wordt de uitkering verlaagd. Er is pas recht op uitkering bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van minimaal 15 procent.

In het geval dat de arbeidsongeschiktheid minder is dan 80 procent tot 100 procent zijn ook de uitkeringen volgens een aflopende schaal lager dan 70 procentDeze nieuwe regels zijn ingevoerd om de grote instroom in de WAO te keren en zijn er op gericht om zoveel mogelijk mensen aan het werk te houden.

Per 1 januari 1998 is de AAW vervangen door de WAO voor werknemers, de WAZ (Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen) en de Wajong (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten). De volksverzekering AAW als opvang bij ziekte na 52 weken is hiermee verdwenen.

Ter beteugeling van de instroom van arbeidsongeschikten is in 1994 de Arbo-wet (Arbeidsomstandighedenwet) ingevoerd. Sinds 1 januari 1998 moeten alle werkgevers verplicht een contract hebben met een gecertificeerde Arbo-dienst.

Tenslotte is onlangs de REA (Wet op de reïntegratie arbeidsgehandicapten), waarbij faciliteiten aan werkgevers om arbeids-gehandicapten aan te nemen worden geboden, ingevoerd.

Gezien alle wijzigingen en beperkingen en het belang van werk voor inkomen kan het geen kwaad na te gaan welke risico's via de werkgever aanvullend verzekerd zijn. Indien nodig kan men zelf een arbeidsongeschiktheidsverzekering sluiten. Bestaande gezondheidsrisico's worden daarbij veelal door de verzekeraar uitgesloten. De premie voor een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering is aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Eventueel in de toekomst uitgekeerde periodieken zijn belast.