'Het woord modern is onbruikbaar geworden'; PETER BURKE OVER GROTE LIJNEN IN DE GESCHIEDENIS

Wat is er mis met historische details? Niks, aldus historicus Peter Burke. Zolang je maar op zoek bent naar de complete menselijke ervaring.

ALLES IS CULTUUR, en overal zijn patronen. De Britse cultuurhistoricus Peter Burke is bekend van zijn werk over volks- en elitecultuur in de Renaissance. Maar net zo makkelijk schrijft hij over het hedendaagse Brazilie. Door zijn Braziliaanse vrouw heeft hij veel contacten in São Paulo. “In mijn collumn in een Braziliaanse krant heb ik nu geschreven over Great Trainrobber Ronnie Biggs. Sinds begin jaren zeventig leeft hij met veel succes in Brazilië. Mijn theorie is dat zijn integratie in die samenleving zeer geholpen is door het Braziliaans symbool van de malandro, de ruimhartige stedelijke rover. Hij past toevallig precies in dat beeld, en vlak voor zijn komst was er ook nog net een heel populaire musical over een malandro. De inspecteurs van Scotland Yard die hem willen laten arresteren passen daarentegen totaal niet in de Braziliaanse cultuur en doen daar ook geen enkele moeite voor. Heel leuk om zoiets te doen. Ik hoop alleen niet dat mijn collega's in Cambridge er achter komen.”

Burke is Reader in culturele geschiedenis aan de Universiteit van Cambridge en Fellow van Emmanuel College, Cambridge. Dit collegejaar is hij - als eerste - tevens Vonhoff-professor aan de Rijksuniversiteit Groningen, een leerstoel op het gebied van de Geesteswetenschappen die de provincie Groningen en de universiteit instelden bij het vertrek van de gelijknamige commissaris van de koningin.

Burke geeft vijf hoorcolleges over the sociology history of knowledge 1400-1800 en nog een aantal werkgroepen. “Ik kreeg eerst een brief dat ik van negen tot vijf aanwezig moest zijn, maar dat misverstand is gelukkig snel opgelost”, vertelt hij na afloop van zijn tweede college. Hij reist in nog geen vier uur van Cambridge naar Groningen. Hij voelt zich thuis in Nederland. “Als ik Nederlandse historici ontmoet, lijken ze zich vaak de mindere van de Britten te voelen, meer in de marge. Misschien komt dat door de kleinere taalgroep. Maar als je de boeken leest zie je weinig verschil. Nederlanders, Engelsen en ook de Scandinaviërs zijn erg empirisch ingesteld. Duitsers, Fransen en Italianen doen veel meer aan metafysica en retorica. Daar is veel meer alien aan. Met Nederlanders heb ik dat nooit.”

In het college van vorige week donderdag verbond Burke op elegante wijze het universitaire curriculum, de indeling van encyclopedieën en de ordening van boekenkasten in de renaissance met elkaar. “Rond 1500 was het onderscheid tussen theoretische en bruikbare kennis een belangrijk ijkpunt. Tot in de zeventiende eeuw werd nuttige kennis als iets inferieurs beschouwd, typerend voor een maatschappij die wordt gedomineerd door de niet-werkende klasse”, zo hield hij de circa zeventig wetenschappers en studenten voor. En typisch voor Burke waarschuwde hij voor te snelle generalisaties: “De categorieën van het menselijke denken worden voortdurend opnieuw gemaakt en ze verschillen per plaats en tijd. Maar waarom ze veranderen is vaak moeilijk te verklaren.”

Een belangrijke verandering eind zeventiende eeuw is de introductie van encyclopedieën met een alfabetische ordening in plaats van de oude 'organische boom van kennis'. “Die verandering is meer dan een hulpmiddel om sneller op te zoeken. Het hangt samen met veranderende wereldbeelden, van hiërarchisch en organisch naar atomistisch, individueel en egalitair. En de lezer moest heel anders gaan lezen in zo'n boek. Als je gewoon intensief gaat lezen en voorin begint wordt alles een blur. Telkens een heel nieuw onderwerp.”

In uw recentste boek 'Varieties of culture history' noemt u een van de belangrijkste functies van de historicus die van 'remembrancer', naar een eufemisme voor belastinginner. Hij moet mensen herinneren aan wat ze liever zouden willen vergeten. Wat bijvoorbeeld?

Burke: “Geschiedschrijving is vaak niet meer dan een verfijnde manier om te vertellen wat een cultuur wil horen. De historicus moet daar tegenin gaan en zijn samenleving herinneren aan wat er echt gebeurd is. Zelf heb ik eerlijk gezegd nog geen onderwerp gevonden dat echt onthutsend was voor mijn cultuur. Maar ik schrijf dan ook over de cultuur van anderen, vooral van Italië. Ik ben nog altijd bezig de gebruikelijke beschuldiging te vermijden dat ik niet begrijp hoe Italië werkt. Misschien dat als ik tien jaar in Italië ga wonen ik dan voldoende moed vind zoiets te doen. Het is gemakkelijker om van helden uit je eigen cultuur naar de minder heroïsche kanten te kijken. Ik ben bijvoorbeeld Iers genoeg om zonder veel moeite iets onaangenaams te kunnen zeggen over Eamon de Valera (voorman van de Ierse Opstand in 1916 en de Ierse premier die in 1937 Ierland losmaakte uit de Britse Common Wealth, red). Maar dan nog, die functie is toch meer voor politieke historici die zich met recente gebeurtenissen bezighouden. Ik ben cultuurhistoricus en dat ligt toch anders.”

Ik dacht dat u misschien zou kunnen verwijzen naar uw ontrafeling van het werk van Baldassare Castiglione (1478-1529), wiens dialoog De Hoveling juist helemaal niet bedoeld was als het etiquette-boek waar bijna iedereen het nog altijd voor houdt.

“Oh nee, want ik heb Castiglione nog eigenlijk beter gemaakt dan hij al was, veel subtieler en verfijnder nog. Juist omdat hij zich in die dialoog afvroeg: kan zoiets als een boek met gedragsregels eigenlijk wel bestaan? Zijn uitgevers èn zijn lezers hebben er een regelboekje van gemaakt.”

Laat ik het dan omdraaien: bent u dan niet bang dat u met uw werk over 'de vroeg moderne tijd' de oude clichématige indeling in Middeleeuwen, Renaissance en Verlichting versterkt?

“Eh, waarom? Was het verkeerd om mijn lezing vanmiddag in het jaar 1500 te beginnen? Ik bestrijd helemaal niet dat er in die tijd belangrijke veranderingen waren. Wat ik bestrijd is de interpretatie van dat keerpunt, dat er toen hele moderne dingen begonnen te gebeuren. Mensen leken toen helemaal niet zo sterk op ons als populaire geschiedenissen willen doen geloven.

“Maar inderdaad, ik zou dat woord modern eigenlijk liever niet meer gebruiken. Dat woord wordt al sinds de elfde eeuw gebruikt en iedere keer betekent het weer wat anders. Het woord is net een overvolle koffer, alles wordt erin ingepropt en hij gaat nooit meer dicht. De ene keer wordt modern gebruikt voor mensen die ingingen tegen de gedachte dat de klassieke oudheid het meest complete en perfecte model was en die durfden te beweren dat Jean Racine misschien wel net zo'n goede toneelschrijver was als Sophocles (La querelle des anciens et des modernes, circa 1688, red.). De andere keer slaat modern weer op de spraakmakende breuk met realistische representatie aan het begin van onze eeuw, met Picasso en Braque. Eén woord brengt alles samen, maar je schiet er niet veel mee op.”

En 'modern' in een meer beperkte betekenis, zoiets als: 'de combinatie van historisch bewustzijn met geloof in rationaliteit en vooruitgang', is dat niet bruikbaar?

“Nee. Historisch bewustzijn stamt uit de vijftiende eeuw en vooruitgangsgeloof begint aan het begin van de negentiende eeuw. En er is niet veel verband tussen, behalve dan dat uiteindelijk alles in verband staat met alles. Het historische besef in de Renaissance hing juist nauw samen met het idee dat het verleden veel beter was.”

Acht u het überhaupt wel mogelijk om iets 'groots' te zeggen over het verleden. Bijvoorbeeld dat de wortels van onze huidige, 'moderne' cultuur te vinden zijn in de elfde eeuw, of in Mesopotamië, of voor mijn part pas in de negentiende eeuw?

“Het is altijd makkelijker om een Grote Lijn te trekken door een periode die je niet zo goed kent. Want als je met de details werkt zie je altijd de uitzonderingen en wil je geen generalisaties maken. Maar het is ook een kwestie van ruimte. Als het moest zou ik in vijf minuten een samenvatting kunnen geven van de wereldgeschiedenis, heel simpel en heel speculatief. En het makkelijkst zou dan zijn de ontwikkeling in de materiële cultuur. Je zou nog wel kunnen volhouden dat de mensen in de dertiende eeuw een beter leven leidden dan in de zestiende en zeventiende, maar op de langere termijn van zeg tweeduizend, drieduizend jaar is de trend duidelijk omhoog. Maar dan komt het moeilijke punt: is er wel een patroon in de manier waarop ideeën, waarden en de denkwijze van mensen is veranderd?

“Ik zie wel veranderingen, maar ik heb geen enkel beeld van vooruitgang. Ja, vormen van kennis die het resultaat zijn van systematische research zijn cumulatief. Die kennis is zelfs moeilijk te verliezen - zolang je niet te maken hebt met de val van het Romeinse Rijk of verbranding van bibliotheken. Op de werken van Aristoteles werd bijvoorbeeld altijd weer voortgebouwd. Maar verder, in de meer interessante wereld van ideeën en interpretaties is het moeilijk te zeggen dat de ene periode beter is dan de andere.

“Het punt is dat we zelf altijd denken beter te zijn dan onze voorouders. Onbewust denk ik ook dat we nu in een bevoorrechte tijd leven, maar bij bewustzijn zou ik die claim nooit maken. Het ene aspect is misschien nu wel beter, maar het andere aspect weer niet. Natuurlijk weten we nu dingen die ze in de zestiende eeuw niet wisten of zagen. Maar wie weet wat ze toen zagen waarvan wij nu weer geen idee hebben? Die gedachte vormt in feite mijn motief om cultuurgeschiedenis te bedrijven. En om door andere culturen te reizen. Het is fascinerend om te zien dat wat in Engeland niet serieus wordt genomen elders op veel belangstelling kan rekenen. Het is een vergroting van de menselijke ervaring om al die andere manieren om mens te zijn die toevallig niet de jouwe zijn te onthullen. Je wordt er veel menselijker van. De andere kant is natuurlijk dat je je juist door die contacten veel meer bewust wordt van je eigen cultuur. Al is het alleen maar omdat ik zie dat anderen mij zien als een typische Engelsman.”

En het gevolg is dat u weliswaar grote onderwerpen aanpakt, zoals de Europese volkscultuur van 1500 tot 1800, maar dat u dan eigenlijk vooral over details schrijft en generalisaties bijna altijd afzwakt.

“Ja, maar is dat niet typerend voor iedere empirisch ingestelde historicus? U noemt het details, ik noem het voorbeelden. Er is een groot verschil tussen historici en mensen die geen historicus zijn maar wel over geschiedenis schrijven en dan niet het geduld kunnen opbrengen om de details te bestuderen. Ik voel er niets voor om een nieuwe Spengler te worden. Daarbij komt dan nog dat ik door mijn temperament altijd veel aandacht heb voor rivaliserende opvattingen. Ik denk meestal dat mensen aan beide kanten wel iets belangrijks kunnen zien. Ik wil altijd graag uitleggen waarom mensen überhaupt ergens verschillend over kunnen denken. Je kunt dat een déformation professionel van de academicus noemen, maar ik denk dat iedereen zich zou moeten kunnen voorstellen hoe de andere kant er over denkt. Er zouden aanzienlijk minder oorlogen zijn. Op die manier kun je geen geschiedenis schrijven in de stijl van een negentiende-eeuwse roman met een alleswetende verteller die een rotsvast oordeel heeft. Maar hoe erg is dat? We moeten beseffen dat we niet niet alles kunnen weten. Die bescheidenheid moeten we overbrengen aan iedereen die ons leest. Tegelijk moet je wèl proberen alles te beschrijven in een geschiedenis. Als ik moet kiezen om aspecten van een cultuur zoals dromen, symbolen en verbeelding weg te laten of om er niet volkomen gedocumenteerd over te schrijven, dan kies ik om er wèl over te schrijven. Zoals Jacques Le Goff zegt: De prijs om erg precies te zijn is hoog, je moet dan te veel van de menselijke ervaring weglaten.”

Wat is dan nog de status van geschiedwetenschappelijke kennis? Een soort literaire kennis, vergeleken met natuurwetenschap?

“Literairder, maar ook meer zoals onze dagelijkse kennis: het soort kennis dat we hebben van onze vrienden. Je ontmoet mensen, je krijgt brieven, je trekt conclusies. Dus als geschiedkunde onbetrouwbaar is, dan zijn onze kennis en oordelen over vrienden en kennissen dat ook. Die twee dingen gaan overigens niet altijd samen. Ik ken historici met een groot opmerkingsvermogen die dat ook in het dagelijks leven tonen. Maar ik ken er ook die prachtige boeken schrijven en sociaal volkomen incompetent zijn als je ze ontmoet. Vreemd eigenlijk.”

Hoe ziet uw eigen dagelijks leven er eigenlijk uit? Uw boeken maken de indruk van een verpletterende eruditie. Zit u altijd te lezen?

“Nee, niet altijd. Ik heb een normaal slaappatroon, hoor. Ik werk altijd aan verschillende onderwerpen tegelijk, zodat ik voor verschillende projecten tegelijk aantekeningen kan maken. En ten tweede lees ik inderdaad erg snel. Tenminste, iedereen is altijd verbaasd: 'Heb je dat boek in twee uur gelezen? Dat kan niet!' En sterker nog: hoe sneller ik lees, des te meer heb ik het gevoel dat ik de essentie te pakken heb. Of het waar is weet ik niet, maar ik heb het gevoel dat ik hele zinnen tegelijk zie en opneem, niet woord voor woord. Ik denk dat je het kunt trainen. Ik zeg altijd tegen mijn studenten dat ze zich bewust moeten aanleren op drie verschillende snelheden te lezen. Topspeed als je alleen maar informatie moet verzamelen, en heel langzaam als je een heel belangrijke tekst hebt waaruit je alle nuance moet begrijpen. En dan natuurlijk de normale snelheid. Je moet je heel bewust zijn van het doel dat je bij het lezen hebt. Het enige probleem is dat je, als je een tekst later op een andere manier nodig hebt, soms weer helemaal opnieuw moet beginnen. Ik heb ook wel eens boeken gelezen waarvan ik later ontdekte dat ik ze vijf of tien jaar eerder ook al had gelezen. En dan heb ik vaak precies dezelfde aantekeningen gemaakt!”

Wat vindt u van de ideeën van Norbert Elias over de almaar groeiende complexiteit van de menselijke samenleving, en de daarmee samenhangende toenemende disciplinering?

“Ik vind hem, met Pierre Bourdieu en Max Weber, de meest originele socioloog van deze eeuw. Maar ik neem hem als socioloog veel serieuzer dan als historicus. In de details zijn zijn boeken over de beschaving en de hofcultuur nooit helemaal acceptabel. Het hof is bijvoorbeeld nooit de enige bron van gedragsnormen geweest. De kerk en de stad zijn minstens even belangrijk. Neem het republikeinse Florence, dat had helemaal geen hofcultuur, maar zij waren wel zo ongeveer de eersten die met een vork aten! En over de disciplinering en zelfbeheersing, de trend kan nooit alleen maar omhoog gaan. Dat accepteerde Elias ook wel, geloof ik. Soms gaat het omhoog, soms gaat het omlaag ook al is de sociale complexiteit sinds de Middeleeuwen natuurlijk alleen maar groter geworden. In een stad is echter veel minder sociale controle en meer sociaal isolement dan in een dorp. En er zijn altijd reacties. De Romantische nadruk op spontaniteit bijvoorbeeld. En in Engeland in 1660: als adellijke figuren zich bewust grof gaan gedragen in reactie op het voorafgaande regime van de Puriteinen. Het worden geen barbaren natuurlijk, maar toch. Wat dat betreft is het voor een historicus gemakkelijker om de theorieën toe te passen van een socioloog die zelf niet in geschiedenis geïnteresseerd is, want dan hoef je je niet zo vaak te ergeren aan fouten die hij in jouw periode maakt. Dat is ook wel een voordeel van Pierre Bourdieu. Met zijn theorie over habitus heeft hij een belangrijke element toegevoegd aan het idee van mentaliteit. Habitus is ook lichamelijk. Bourdieu heeft zich daarmee ontdaan van de oude Cartesiaanse scheiding tussen lichaam en geest, waaraan de oude Annales-school nog wel vasthield. Ik vind Bourdieu wel te cynisch en te reductionistisch. Bij hem lijkt het wel alsof het onderwijssysteem er alleen maar is om er voor te zorgen dat de topmensen aan de top blijven. Dat is maar een van de functies. Achter zijn theorieën ligt een grote rancune, hij moet aantonen dat het Systeem niet deugt, zo lijkt het wel. Maar zo simpel is het niet, natuurlijk.”