Gershwin als mythe

De juridische afdeling van Warner Brothers nam in mei 1941 contact op met de tekstdichter Ira Gershwin. Alle auteursrechten voor het gebruik van de muziek van zijn vier jaar eerder aan een hersentumor gestorven broer George waren geregeld, en nu kon de verfilming van diens levensverhaal dus beginnen.

“Ik neem aan dat het hen ernst is,” noteerde Ira, “ en dat er snel een contract wordt opgesteld en dat ik binnen een maand of anderhalf waarschijnlijk bezig zal zijn aan die film te werken.”

Die film ging Rhapsody in Blue heten en kwam in 1945 in de Amerikaanse bioscopen. Maar in werkelijkheid, schreef Edward Jablonski in zijn biografie Gershwin, heeft Ira er maar heel weinig aan gedaan.

Dat laat zich raden, voor wie de film (bijvoorbeeld vanavond) ziet. Natuurlijk was Warner helemaal niet geïnteresseerd in een waarheidsgetrouwe levensbeschrijving. Het moest wel een béétje lijken op wat het grote publiek toen nog van de echte Gershwin wist, maar verder behielden de makers zich alle rechten voor om de feiten smeuïger en schilderachtiger te maken.

Aan een film waarin men iemand ziet componeren, is nu eenmaal niets te zien - net zo min als aan een film over een schrijver, waarin die schrijver aan het schrijven is. In de bio-pics uit die dagen ziet men de hoofdpersoon zelden bezig met het werk dat hem beroemd heeft gemaakt. Liever werd vertoond hoe hij zich bijvoorbeeld ontworstelde aan een armelijke jeugd, hoe dom het van sommige anderen was dat ze zijn talent niet meteen herkenden, en hoe de kunstenaar desondanks de begeesterde blik gericht houdt op een glorieuze toekomst.

“Ik hoor de klanken in mijn hoofd,” zegt de door Robert Alda vertolkte Gershwin, terwijl hij naar een onbestemd punt in de verte kijkt, “en ik wil die klanken doen neerdalen tot ze uit mijn vingers op het papier komen.” Of later, op diezelfde gedragen toon: “Alleen door mijn muziek kan ik mijn bestaansrecht bewijzen.”

Omdat een liefdesleven evenmin mag ontbreken, wordt de componist hier omringd door twee - rivaliserende - vrouwen. Dat doet het altijd aardig. Het enige wat eraan klopt, is dat Gershwin altijd vrijgezel is gebleven. Het werk ging voor. Jablonski's gedegen biografie vermeldt diverse romances, maar niet de twee die in de film worden opgevoerd. Zij zijn even apocrief als de manier waarop de pathetische zanger Al Johnson de hand legde op het nummer Swanee en de stelling dat de eerste uitvoering van de Rhapsody in Blue louter met gejuich werd ontvangen.

Ook een wijze leermeester is altijd goed. Hier is het een zekere professor Franck, met een Europees accent en een puntsikje, die nog bevriend is geweest met Brahms en die de jonge Gershwin liefst in de klassieke richting zou sturen. In de biografie komt geen Franck voor, maar dat doet er niet toe - als we maar weten hoe onze held heen en weer werd geslingerd tussen populair en klassiek.

Ik verdenk regisseur Irving Rapper er trouwens van, dat hij die keus stiekem wèl heeft gemaakt: zijn film springt heel wat eerbiediger om met Gershwins symfonische werk dan met de schitterende songs die George en Ira schreven. Hij laat de componist zelfs sterven tijdens een uitvoering van diens Concerto in F.

En toch is Rhapsody in Blue ondanks alle romantisering een aardige, zwierige film met gevatte dialogen, aandoenlijk nagemaakte stukjes Parijs en de muziek die alles overleeft, ook de onzin die er soms omheen wordt verzonnen.

Rhapsody in Blue (Irving Rapper, VS, 1945), zaterdag, Ned.1, 22.56-1.12u.