Flo-Jo

Een in memoriam voor Florence Griffith-Joyner is een hachelijke onderneming. Het eindigt altijd in een postume verdachtmaking, en dan zit je op Emily-ijs: wat niet aan is, kan niet uit zijn. Flo-Jo was in de atletiekwereld de muze voor dopinggebruikers. Alleen, alle controles die ze heeft doorstaan waren negatief. Officieel is ze op 38-jarige leeftijd brandschoon uit het leven gestapt.

Haar lichaam was nog niet koud of de Keulense dopingexpert Prof.dr. Werner Franke vroeg de justitie van Los Angeles sectie te laten verrichten en een gerechtelijk onderzoek te openen. “Haar dood”, aldus de moleculair bioloog Franke, “was te voorzien”. Flo-Jo had het hart van een tachtigjarige, een gevolg van het gebruik van spul.

Ik zag haar voor het eerst in Seoul. In 1988. Bij een eerste aanblik inderdaad te gespierd voor een vrouw. Spieren als koorden in de schouders en de bovenarmen. Een beetje walgelijk. Maar na een minuutje dóórkijken plooide de diva open. Oogverblindend stond ze daar, in de glans van de donzige haartjes op haar lichaam. De mond vlezig als een perzik. De ogen volstrekt geweldloos. Poezig van kop tot teen. Een vrouw die elke puber zich droomt: hoerig ook, maar zonder de wreedheid van hoeren.

Je ziet het zelden, een mannequin op spikes. Stella Jongmans heeft het een beetje, maar dan op zijn Hollands. Sport staat de weelde van de vrouw in de weg. De meeste atletes zijn Adidas-spijkers, ongrijpbaar in hun platheid. Het strelen niet waard. Hun vrouwelijkheid is letterlijk naar binnen gekeerd. Ik heb het nu over sprintfenomenen. Schaatssters en hockeydames hebben een ander probleem: te veel dij en te veel kont. Daar is ook geen beginnen aan.

Florence Griffith-Joyner was de perfecte balans. En zij wist het. Ze was het vlees geworden assortiment van smaak en originaliteit. Een merknaam. Haar vijftien centimeter lange nagels waren op den duur nog befaamder dan haar snelheid. Tijdens de Spelen van Seoul verfde ze drie van haar vingernagels in de kleuren van de nationale vlag. Een vierde nagel voorzag ze van een gouden vernisje. Een jaar na haar goldrush in Seoul had Flo-Jo een marktwaarde van 50 miljoen dollar. Zeker een derde was toe te schrijven aan haar totalitaire make-up.

Tien jaar na Seoul zijn haar wereldrecords op de 100 m en de 200 m nog altijd ongeëvenaard. Het waren onwerkelijke prestaties, zoals dat heet. Prof. Dr. Franke zal dus wel gelijk hebben: de spuit zat er voor veel tussen. Maar wat dan nog? Koppen met de bal kan ook dodelijk zijn. En je leest zelfs over oppassende burgers die in de fleur van hun leven aan een hartstilstand bezwijken. Topsporters, tien jaar na hun actieve carrière, nu dan in de dood, nog lastig willen vallen met een onderzoek naar stimulerende middelen is heksenjacht. Die prof. dr. Franke moest maar eens aangeklaagd worden voor lijkschennis.

Opeens is sport een van de hoogste morele categorieën geworden. Met een eigen Vaticaan dat banbliksemt: dopinggebruikers moeten in quarantaine worden geplaatst, zoals dat gewenst is voor pornoliefhebbers en pedofielen. Bobo's en andere hogepriesters van de sportreligie propageren op zijn minst het sociale isolement. De Festina-renners zijn de homo's van de jaren negentig, Cees Priem c.s. de nieuwe koningen van de onderwereld. Neo-puriteiten alom hebben de sport ontdekt voor hun kruistocht tegen het kwade in de mens. Over de coke-snuivers van Wall Street reppen de zeloten met geen woord want dat is een hogere wereld. Het is namelijk hun wereld.

Ergerlijk is niet dat er zoveel doping wordt gebruikt, ergerlijk is de hypocrisie die eromheen hangt. In het gloriejaar van Florence Griffith-Joyner werd Ben Johnson op het gebruik van stanozolol betrapt. Ook in Seoul. De Canadese sprinter moest zijn gouden plak meteen inleveren en werd levenslang geschorst. De IAAF laat liever een schlemiel als Johnson tegen de lamp lopen dan een glamourboy als Carl Lewis. Waarom mag Bartoli in Valkenburg wel wereldkampioen worden en Virenque niet? Zijn het dan opeens geen broeders meer in de medische begeleiding?

Allicht liep er in het prachtige lichaam van Flo-Jo een mini-laboratoriumpje mee. Dat was dan haar zaak, haar keuze, haar geweten. De dopingexperts hadden maar slimmer moeten zijn, of minder hypocriet. Nu horen ze te zwijgen en te buigen. Handen af van die kist! Al zou ik zelf nog een keer die gouden glinstering willen zien op die ene nagel.