De Hortus in Haren

Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van het steenrijke Nederland komt geld te kort, en niet zo'n beetje ook. Zo hoort het ook zou men kunnen denken: de ambities moeten altijd verder reiken dan de mogelijkheden. Tijdens de zomermaanden, toen Nederland eventjes niet geregeerd werd in verband met de kabinetsformatie en de scheidende minister al was vertrokken en zijn opvolger nog op vakantie was, bleek opeens dat het ministerie zeshonderd miljoen, nee zes miljard te kort kwam voor de invoering van computers in het lager en middelbaar onderwijs, en een week of wat later bleek dat het ministerie ook nog eens een miljard te kort kwam om de huren van schoolgebouwen te kunnen betalen.

Geen wonder dat er dan geen geld beschikbaar is om de in eeuwen opgebouwde museale schatten van de universiteiten naar behoren te beheren. Zeker, de universiteiten hebben een jaar of wat geleden een extraatje gekregen van de toenmalige staatssecretaris voor cultuur voor het behoud van hun collecties maar van dat bedrag kun je nog niet eens de lijst van Mondriaans Victory Boogie Woogie betalen.

Een type instelling dat door de veronachtzaming van het door de klassieke universiteiten opgebouwde cultuurgoed danig in het gedrang is gekomen is de hortus botanicus. De Leidse hortus groeit en bloeit nog in volle glorie, maar in Haren leidt de voormalige hortus botanicus van de Rijksuniversiteit Groningen nu al jaren een geprivatiseerd bestaan, wat onder andere inhoudt dat hij steeds meer verandert in een pretpark en het hoofd boven water moet houden met de verkoop van bloembollen. De hortus in Haren was de afgelopen zomer weer in het nieuws omdat hij had besloten over te gaan tot de aankoop van een wassenbeeldenspul vertonende een straatje met traditionele Chinese ambachten. De hortus in Haren beschikt ook al over een fraaie Chinese tuin, vandaar.

Al weer een tijdje geleden heb ik zelf een lezing gegeven in de hortus in Haren, en wel over de tuinen in de poëzie van de beroemde dichter Bai Juyi (774-846; vele Nederlanders uit het werk van Slauerhoff beter bekend als Po Tsju-i). Niet geremd door al te grote kennis van zaken trok ik toen een directe lijn van de Chinese tuinen in de negende eeuw naar de Chinese tuinen van meer dan duizend jaren later zoals ze model gestaan hebben voor de Chinese tuin in Haren - en voor de vele Chinese tuinen die ook elders in de wereld buiten China inmiddels zijn aangelegd en gebouwd. De inspiratiebron voor deze toeristenattracties wordt geleverd door de tuinen van Suzhou, die uit de Ming-dynastie (1368-1644) heten te stammen en ook in China zelf een van de grootste toeristenattracties zijn.

Toen ik mijn lezing hield, had ik nog niet de beschikking over Fruitful Sites, Garden Culture in Ming Dynasty China (London: Reaktion Books, 1996), een van de recente boeken van de Britse kunsthistoricus en sinoloog Craig Clunas. Was dat boek er toen al geweest, dan zou ik me wel wat voorzichtiger hebben uitgelaten over de historische continuïteit in de Chinese tuininrichting. Clunas is vele jaren lang verbonden geweest aan het Victoria en Albert Museum en doceert tegenwoordig aan de University of Sussex. In tegenstelling tot vele andere specialisten op het terrein van de Chinese kunst, die zich maar al te vaak verlustigen in abstruse stilistische analyses (ongetwijfeld nuttig maar voor een relatieve buitenstaander ondoorgrondelijk), is hij vooral geïnteresseerd in het sociale functioneren van kunst en kunstnijverheid. Dat blijkt bijvoorbeeld heel duidelijk uit zijn recent verschenen uitermate leesbare, rijk geïllustreerde en toch heel betaalbare inleiding tot de Chinese kunst, Art in China (Oxford: Oxford University Press, 1997). Dit boek is niet ingedeeld naar periode of genre maar naar functie: grafkunst, hofkunst, tempelkunst, elite kunst en commerciële kunst.

In het verlengde van zijn belangstelling naar de sociale functie van kunst is Clunas geïnteresseerd in de veranderingen in het discours over kunst in relatie tot sociaal-economische ontwikkelingen. Die belangstelling resulteerde al weer enige jaren geleden in zijn niet geïllustreerde maar toch uiterst leesbare Superfluous Things. Material Culture and Social Status in Early Modern China (Urbana: University of Illinois Press, 1991). Dit boek is een studie naar de handleidingen voor een elegante levensstijl die in de laatste eeuw van de Ming-dynastie in Suzhou en omstreken werden gepubliceerd, toen de gevestigde elite zich inspande om zich door haar superieure smaak te blijven onderscheiden van proleten met geld die meenden dat alles maar te koop was.

Ondanks de titel, die een ruimer onderwerp doet vermoeden, beperkt Clunas zich in Fruitful Sites tot de tuinen van Suzhou. In het traditionele China waren de tuinen van Suzhou zeker niet bij voorbaat de beroemdste. De tuinen van Yangzhou bijvoorbeeld genoten in de achttiende eeuw een veel grotere faam. De tuinen van Suzhou werden pas echt beroemd nadat de aanleg van een spoorlijn in het begin van de twintigste eeuw die tuinen bereikbaar had gemaakt voor dagjesmensen uit Shanghai. De tuinen die ze in Suzhou zagen hadden vaak hooguit de naam of de locatie nog gemeen met de tuinen uit de Ming-dynastie. Bomen en heesters hebben nu eenmaal niet het eeuwige leven en iedere nieuwe eigenaar van een tuin heeft zijn eigen smaak. Meestal ging de inrichting van de tuinen van Suzhou in de eerste jaren van de twintigste eeuw niet verder terug dan de tweede helft van de negentiende eeuw.

Voor de westerse bezoekers uit het overvolle Shanghai vertegenwoordigden deze tuinen echter de Chinese tuin tout court en waren zij een essentiële uitdrukking van de - helaas verleden! - traditionele Chinese beschaving. Deze oriëntalistische Schwärmerei van westerse estheten was een reden voor Chinese deskundigen op het gebied van tuingeschiedenis om tot de stichting van de Chinese Volksrepubliek in 1949 het belang van de tuinen van Suzhou af te zwakken en de aandacht liever op andere plaatsen te richten. Pas na de Bevrijding verwierven de tuinen van Suzhou in China zelf hun huidige prestige en werd de restauratie ter hand genomen.

Het feit dat de tuinen van Suzhou in de twintigste eeuw onderwerp van verwaarlozing en herinrichting zijn geweest betekent natuurlijk niet dat ze tot het einde van de negentiende eeuw altijd volgens hetzelfde stramien werden ingericht. Clunas wil ons juist overtuigen van het feit dat de tuinen van Suzhou in de loop van de zestiende eeuw een belangrijke verandering van functie ondergingen en dat als gevolg daarvan ook de inrichting ingrijpend werd gewijzigd. Een pleziertuin was te allen tijde een kostbaar bezit, maar in het begin van de zestiende eeuw combineerde hij in het algemeen nog de functies van boomgaard, moestuin, visvijver en siertuin.

Mar zelfs de bloemen uit de siertuin konden te gelde worden gemaakt en geen enkele eigenaar hoefde zich te schamen voor het grofstoffelijke gewin dat zijn tuin hem kon leveren. De zestiende eeuw was echter een periode van economische bloei en de leden van de vaak puissant rijke elite wedijverden in conspicuous consumption. Hun tuinen werden meer en meer een uitsluitend esthetisch object en een publiek vertoon van goede smaak.

De bruikbare bomen werden in toenemende mate vervangen door exotische heesters; in plaats van de enkele bizarre rotssteen kwam een kunstmatige rotsformatie met slingerpaden en duistere grotten. De oudere tuinen waren ruim geweest, met weinig bouwsels. De nieuwe tuinen mochten kleiner zijn maar werden gevuld met prieeltjes van velerlei formaat. Op oudere kaarten werd de locatie van een tuin aangegeven met een boomgaard en een vijver, op nieuwere kaarten door een rotspartij en een prieel. Met andere woorden, 'de Chinese tuin' bestaat niet en heeft nooit bestaan, maar er waren en zijn vele soorten van Chinese tuin, elk met eigen functie, inrichting en charme.

Ook de Chinese tuin in Haren is dus niet de Chinese tuin maar een Chinese tuin. Bovendien is hij niet alleen een product van de traditionele Chinese tuinarchitectuur maar al evenzeer van de moderne inzichten in wat een traditionele Chinese tuin moet zijn. Is hij daarom minder waard bezocht te worden? Nee, natuurlijk niet, want hij is minstens zo authentiek als de gerestaureerde oude tuinen in China zelf. Toen ik de tuin bezocht, was hij pas aangelegd. Nu de heesters en bomen meer volgroeid zijn, kan hij alleen maar mooier zijn geworden. Maar ik vind Disneyland ook heel mooi.