de boer

De boer heeft een nieuw imago nodig. Varkenspest, bruinrot en recentelijk de overstromingen hebben van hem een meelijwekkende figuur gemaakt, overgeleverd aan natuurrampen en niet in staat zich aan te passen aan de moderne economie. Althans, zo denkt het grote publiek erover, en daarom organiseerde de Land- en Tuinbouw Organisatie (LTO) de afgelopen dagen de Week van het Platteland. De landbouwsector is met 85 miljard gulden nog altijd goed voor een kwart van de Nederlandse export, en verdient dus meer waardering. “In het buitenland kent niemand Fokker, maar wel onze tulpenbollen en Goudse kaas, aldus voorzitter Gerard Doornbos van LTO. “Nederland is niet trots genoeg op zijn agrarische sector, terwijl die juist gekenmerkt wordt door moderne en toekomstgerichte bedrijven.” Tegelijkertijd heeft hij toe: “Zoals elke sector kent ook de landbouw problemen. Armoede is daar één van.”

De Werkgroep Landbouw en Armoede, het afgelopen voorjaar opgericht door verontruste kerken en boerenorganisaties, luidde deze maand de noodklok. In een nota stelde de werkgroep dat kleine en middelgrote boerenbedrijven nog maar nauwelijks het hoofd boven water kunnen houden. Ongeveer 40 procent van de boeren zou zelfs moeten rondkomen van een jaarinkomen van minder dan 33.580 gulden, het sociaal bestaansminimum. Uit cijfers van het Landbouweconomisch Instituut (LEI) blijkt dat maar liefst 15 procent van de 110.000 agrarische bedrijven in 1996/97 een negatief inkomen had en dat 23 procent minder verdiende dan 25.000 gulden. Dit staat in scherp contrast met de 10 procent van de bedrijven met een inkomen van meer dan 150.000 gulden. Dat cijfer trekt het gemiddelde inkomen op tot 58.000 gulden, maar verhult de problemen van de kleine en middelgrote boeren.

LTO-voorzitter Doornbos erkent het armoedeprobleem, maar plaatst kanttekeningen bij de cijfers van het LEI. “Het gemiddelde inkomen is in Nederland hoger dan in andere Europese landen, onder meer door het hogere kennisniveau van de Nederlandse land- en tuinbouw”, legt hij uit. “Bovendien geven de cijfers een enigszins vertekend beeld. Bij de berekening van het inkomen is namelijk geen rekening gehouden met reserveringen. Dat kan soms zo een paar duizend gulden schelen.” Woordvoerster Diny Bisseling van de werkgroep vindt juist dat die reserveringen niet meegeteld moeten worden. “Dat geld is nodig om investeringen te doen in het bedrijf. Sommige boerengezinnen gebruiken zo'n potje inderdaad om van te leven, maar teren daarmee in op hun reserves.”

Tussen de bedrijfstypen zijn de inkomensverschillen groot. Vooral in de glastuinbouw en de intensieve veehouderij is de marge (het deel van de opbrengst dat overblijft als inkomen) sterk teruggelopen. Voorbeelden daarvan zijn te vinden in de varkenshouderij. Daar schommelden de marges vanaf de jaren tachtig constant tussen de 10 en 15 procent, om vanaf het begin van de jaren negentig tot ver onder de 10 procent te duiken. Toch had de intensieve veehouderij het afgelopen boekjaar nog steeds het hoogste gemiddelde inkomen (136.000 gulden). In de akkerbouw wordt het minste verdiend: gemiddeld 40.000 gulden per jaar.

“De boer bestaat niet”, zegt Doornbos. “Een glastuinder is geen varkenshouder, maar ook binnen de glastuinbouw zijn er verschillen. De ene ondernemer teelt groente, de ander kweekt potplanten. Evenzeer lopen de inkomens uiteen.

Alle 'natuurrampen' van de afgelopen tijd in aanmerking genomen, zal het niemand verbazen dat het inkomen van de boeren onder druk is komen te staan. Maar tegenvallende oogsten en veeziekten alleen kunnen de dalende inkomsten niet verklaren. Ook de strengere milieuwetgeving, het Europese prijsbeleid en schaalvergrotingen zijn daaraan debet. Volgens de Werkgroep Landbouw en Armoede gaat het huidige landbouwbeleid, nationaal en internationaal, meer en meer in de richting van een vrije markteconomie waarin het 'recht van de sterkste' heerst. Hierdoor ontstaat een tweedeling in de agrarische sector: grote, florerende, industriële voedselproduktiebedrijven tegenover kleine en middelgrote gezinsbedrijven die steeds verder verarmen.

De werkgroep waarschuwt dat veel gezinsbedrijven worden bedreigd in hun voortbestaan. Woordvoerster Bisseling, die zelf een varkens- en rundveehouderij heeft, kent de problemen van de boeren als geen ander. Dagelijks krijgt ze telefoontjes van bevriende gezinnen die hun bedrijf moeten beëindigen. “Ik ken mensen die hun boerderij uit moesten en nu op een camping wonen, omdat ze geen huurhuis kunnen betalen. Sommigen krijgen een uitkering, anderen komen in loondienst bij andere boeren. Van dat schamele inkomen moeten ze hun schuldeisers betalen.”

Volgens Bisseling is armoede voor boeren een groot taboe en brengt de financiële malaise schrijnende sociale problemen mee. “Failliete boeren raken geïsoleerd van vrienden en collega's. Ook blijken veel huwelijken niet bestand tegen de problemen.” Ook Doornbos ziet om zich heen dat het onderwerp armoede voor veel boeren eigenlijk niet bespreekbaar is. “Ze gaan soms veel te lang door, zijn te trots om te stoppen. Bovendien willen ze geen gebruikmaken van de bestaande bijstandsregelingen.” Bisseling meent dat radicale oplossingen nodig zijn: Denk bijvoorbeeld aan de inkrimping van de varkensstapel. Als één groot bedrijf wordt opgeheven, kunnen tweehonderd andere blijven bestaan.”

Een toenemend aantal boeren verwerft extra inkomen met activiteiten die min of meer met het bedrijf zijn verbonden, zoals zorgboerderijen, verkoop aan huis en 'agrotoerisme'. Volgens Doornbos zijn deze nevenactiviteiten niet alleen uit nood geboren. “Maatschappelijke trends gaan niet voorbij aan de land- en tuinbouw. Zo zijn er ook steeds meer boeren die in deeltijd werken en gezinsleden die buitenshuis gaan werken.” De werkgroep signaleert echter een tegengestelde trend: “Veel boeren maken (over)uren op de boerderij, om de arbeidskosten te drukken. Ook wordt steeds vaker een beroep gedaan op gezinsleden.”

Gezinsinkomens uit bedrijf in de land- en tuinbouw (1996/97) Inkomen in guldens per jaar Percentage ondernemers Negatief 15 0-25.000 23 25.000-50.000 23 50.000-75.000 12 75.000-100.000 8 100.000-150.000 9 Meer dan 150.000 10

Totaal aantal agrarische bedrijven:110.000 Gemiddeld gezinsinkomen per jaar uit bedrijf: 58.000 gulden

Bron: Landbouw-Economisch Instituut