Arts in Arabië

Gewina. Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek. Jaargang 21: 1998 nummer 3. Verschijnt vier keer per jaar. Losse nummers: ƒ 17,50.

'HOE VAAK ben ik niet door een dokter behandeld en heb ik dieet moeten houden, terwijl ik pas beter werd toen de behandeling stopte!' Deze verzuchting komt niet uit de mond van een moderne westerling die zijn angst verbergt maar is als voorbeeld van domme-mensenpraat opgenomen in Artsenbanket, een middeleeuws Arabisch satirisch boekje van de arts Ibn Butlan. De mensen houden meer van dierenartsen dan van artsen, constateert Ibn Butlan. Ook in de elfde eeuw was het nooit goed of het deugde niet: studeert de arts hard, dan is hij 'knap maar een armoedzaaier'; is hij zorgvuldig, dan is hij 'een zeurpiet'. Bovendien: de mensen lopen eerder naar de drogist of de amulettenschrijver dan naar de dokter.

Over 'het artsenberoep in het middeleeuwse Arabische discours' schreef de Leidse arabiste prof.dr. Remke Kruk een levendig artikel in Gewina, het tijdschrift voor de geschiedenis van de geneeskunde, natuurwetenschappen, wiskunde en techniek. De Arabische literatuur over de praktijk van het artsenberoep is omvangrijk. Kruk richt zich op de periode tussen 800 en 1200, toen in Bagdad zetelende Abbasidische kaliefen onder de moslims (officieel) de dienst uitmaakten. Naast Bagdad waren ook Kairo en Damascus intellectuele centra waarin zowel moslimse, joodse als christelijke geleerden een vooraanstaande positie innamen. De medische wetenschap leunde daarbij sterk op de theorieën van de Griekse artsen.

Over de eisen waaraan de arts dient te voldoen, de deontologie, handelt Adab at-tabib, een werk uit de negende eeuw van Ishaq ibn 'Ali ar-Ruhawi - het enige resterende handschrift bevindt zich in Istanbul. Ruhawi verlevendigt zijn sterk Hippocratisch-Galenisch getinte theorie met - stereotiepe - praktijkgevallen, zodat we ook het nodige te weten komen over de verhouding tussen arts en patiënt in de Arabische wereld van die dagen.

Een arts dient zich bovenal waardig te gedragen en moet van onberispelijk gedrag zijn, meent Ruhawi. Hij moet zijn lichaam adequaat verzorgen, weinig slapen, hoogstaand converseren, stank vermijden en bij voorkeur met beschaafde lieden omgaan. Handel en spel zijn taboe, en als hij een glas wijn wil drinken doet hij dat 's avonds alleen. Joviaal optreden jegens de patiënt kan absoluut niet door de beugel, dat is voor charlatans en kruidendokters die zo hun onkunde maskeren.

In navolging van Hippocrates en Galenus hecht Ruhawi groot belang aan het moreel van de patiënt. Een slechte prognose kan de arts beter voor zich houden, bezoekers moeten vooral gezellig doen en zeker niet met verhalen over ziekte en dood aankomen, en een goed ziekbed is omringd met bloemen, planten, schilderijen of andere kunstvoorwerpen. Al is de patiënt nog zo onontwikkeld, de scrupuleuze arts handelt zorgvuldig en vakbekwaam en moet niets hebben van obscure piskijkers die de gelegenheid te baat nemen om snel geld te verdienen.

Het gevolg is wel dat de arts soms tot wanhoop gedreven wordt. Zo verhaalt Ruhawi van een oude man die vroeg of hij een zieke gehakt van een oud schaap mocht geven: uit vrees voor nog meer domheid durft een arts bij zo'n patiënt nauwelijk nog op visite. Even verbijsterend vindt de auteur de man die 'urine bewaren' geïnterpreteerd had als 'urine ophouden' - zodat de dokter hem krimpend van de buikpijn aantrof. Of neem de bediende die bij het bereiden van gerstewater in de fout was gegaan en een soort stijfselpap had gekookt: alleen met een braakmiddel wist de toegesnelde dokter de blunder ongedaan te maken en zo de patiënt te redden.

Aan het slot van haar artikel behandelt Kruk het wedervaren van de lijfartsen van de kaliefen. Generaties lang werd deze felbegeerde - maar niet van risico's ontblote - positie in Bagdad bekleed door een vertegenwoordiger van de christelijke familie Bukhtishu'. Het begon halverwege de achtste eeuw met Jurjis ibn Jibril. Die maakte, aldus biograaf Ibn abi Usaybi'a, zijn entree aan het Abbassidische hof door er in te slagen de arm van een meisje, die continu recht omhoog stak, naar beneden te krijgen. Waar andere artsen faalden had hij succes door net te doen alsof hij in het bijzijn van anderen haar rok wilde optillen.

Verder in dit nummer van Gewina een artikel van de wiskundige Danny Beckers over 'meetkunde als de korte en zekere weg naar kunst', naar aanleiding van Gérard de Lairesse's Grondlegginge der Teekenkonst uit 1701. En de Utrechtse wetenschapshistoricus Bert Theunissen bepleit een herwaardering van de Nederlandse natuurwetenschappers uit de eerste helft van de negentiende eeuw - om zelf de daad bij het woord te voegen met een bespreking van de opvattingen van de conservatieve Leidse zoöloog Jan van der Hoeven. Die verzette zich tegen wetenschapsbeoefening omwille van het nut: vergroting van kennis zou de weg naar toepassingen vanzelf wel vrijmaken. Altijd hebben de universiteiten nadien met een dergelijke redenering hun unieke positie beargumenteerd - tot de privatisering opdook.