Zo wordt dan je levensgezellin te ruste gelegd; De hemelse liederen van Michael Bellman

“Als ik er naar luister stribbel ik even tegen en geef me gewonnen.” De Zweden zijn te benijden om de 18de-eeuwse dichter en componist Michael Bellman. Nu moet zijn werk alleen nog vertaald worden.

(1) Bellman leefde van 1740-1795; hij was een tijdgenoot van Mozart (1756-1791). (2) Verschenen als Philips 9199 130, Fredmans Epistlar 64-82; Proprius Musik AB, Stockholm PRCD 9135-36, 1994.

Nederlanders hebben wel schilderkunst maar geen literatuur. Hoe komt dat? Omdat Nederland geen bergen heeft. Dat is een uitspraak van Elias Canetti. Of misschien van iemand anders, maar wie het ook was, ik moet er altijd aan denken wanneer ik luister naar de gedichten/liederen van Carl Michael Bellman en me afvraag waarom zoiets bij ons niet bestaat.

Want dat is helaas zo - wij hebben die muzikale traditie niet, we hebben geen 18e-eeuwse dichter van die allure; de Zweden zijn te benijden om deze illustere combinatie, in feite uniek in Europa. Iedere keer dat ik die liederen beluister vind ik ze mooier, niet alleen de muziek maar vooral de tekst - gelezen als 'gedichten' dus, voor zover dat mogelijk is zonder dat de melodie toch weer begint te ruisen in de spelonken van het achterhoofd.

Wat er bovendien een moeilijk vast te stellen rol bij speelt is de spookachtige barri`ere van de taal. Van de Bellman-liederen bestaan geen Nederlandse vertalingen; wij profiteren van het feit dat Zweeds voor een Nederlander niet helemaal onbegrijpelijk is - zolang je tenminste de tekst meeleest - maar als je wilt weten wat er werkelijk staat ben je toch genoodzaakt met een woordenboek aan de slag te gaan, en dan beginnen de moeilijkheden pas.

Een verwarrende bijkomstigheid is dat iets niet helemaal begrijpen een zekere aantrekkingskracht kan hebben - op mij tenminste; misschien is het een persoonlijke tekortkoming, maar de klok horen luiden zonder precies te weten waar de klepel hangt (in een gedicht) geeft mij soms een gevoel van euforie - de illusie iets verborgens op het spoor te zijn, de anticipatie van een onthulling, zoals een blik in een d´ecollet´e.

Waar het ook iets van heeft is naderende dronkenschap. Dat komt niet alleen door de woorden, ook de muziek heeft er een aandeel in, en het ´e´en versterkt het ander: het is werkelijk waar dat in de Bellmanliederen tekst en melodie met elkaar verweven zijn. En tenslotte zijn het ook drinkliederen, soms gaat het over het drinken en de dronkenschap zelf: de roes van geluk waar de minder vrolijke kanten van het menselijk bestaan door op een afstand worden gehouden - maar zonder illusies: het is maar tijdelijk en provisorisch, eigenlijk een manier om zich groot te houden, recepten voor dapperheid.

Ziedaar de formules waar je bij iedere exploratie van Bellman telkens weer op uitkomt: humoristisch en dapper, 'slechts half door levenslust getemperde weemoed', verliefd en wellustig, verlangend en wanhopig. Voor de sfeer van sommige gedichten (of liederen, of hoe je ze moet noemen) is maar ´e´en woord: hemels. Rococo, zo wordt deze po¨ezie wel genoemd, maar de instelling is in feite intens romantisch - en niet alleen in de liefdesverklaringen aan Ulla Winblad, door Bellman in verschillende gedichten verheerlijkt als lief en aanminnig vrouwelijk ideaal. Bladerend in een Frans boek over Bellman trof mij de volgende aantekening, bij het lyrische 'Ulla min Ulla' (Fredmans Epistel No 71):

“Datum: 1790. Muziek: vermoedelijk oorspronkelijk van Bellman. Als er sprake is van ontlening is de bron onbekend. Dit late werk is in elk geval een van de meest perfecte. Alles is blijdschap, uitbundigheid, gratie, zonder zoetelijkheid - je denkt aan Watteau, aan Mozart (1). Door de Franse revolutie is deze pastorale nog niet aangeraakt. Hoewel onbekend met de psycho-analyse, projecteert Bellman de erotische geladenheid op de hengst, die 'hinnikt en trappelt' bij het naderen van de mythische Ulla. Hij is dan vijftig, heeft schulden, een gezin, een ondermijnde gezondheid, maar tot zulke wonderen is de po¨ezie in staat. En ook de noordse zomer...” Dit is een noot van Monique d'Argentr´e bij haar vertaling van het betreffende gedicht, in de bundel Vive Bellman! po`ete-chansonnier su´edois du XVIIIe si`ecle. (Proprius F¨orlag, Stockholm 1994)

Vertalingen

En zo komen we aan het drama der Bellmanvertalingen, gebrek aan. Deze Franse bundel - gepubliceerd niet in Frankrijk maar in Zweden, wat al boekdelen spreekt - omvat maar een klein gedeelte van het hele oeuvre (Fredmans Epistler, 82 fictieve 'brieven van Fredman' met muziek, en Fredmans S˚anger, 65 liederen idem, plus het sombere en onvergetelijke Wiegelied voor mijn zoon Carl). Voor het Engels geldt min of meer hetzelfde: Carl Michael Bellman, Fredman's Epistles and Songs, translated by Paul Britten Austin, ook verschenen in Zweden, bij dezelfde uitgever, Proprius F¨orlag, Stockholm 1990. Er bestaan ook Duitse vertalingen, al van oudere datum, maar om een of andere reden lokken mij die niet aan. Ik heb liever geen Duitse associaties bij het lezen van Bellman, ik weet dat het onredelijk is maar het zijn werelden die ik liever gescheiden houd.

En, zoals ik al schreef, Nederlandse vertalingen zijn er niet. Op de laatste bijeenkomst van het geheime Nederlandse Bellmangenootschap, waarvan ik de eer heb lid te zijn, werd opnieuw de wenselijkheid van een Nederlandse vertaling besproken, maar een eenvoudige zaak is dat niet. De eerste moeilijkheid is al: wat voor vertaling? Wat de complicaties veroorzaakt is die al meer genoemde verwevenheid met de muziek, die zoals gezegd niet bij wijze van spreken maar werkelijk is. De vraag die het Geheime Genootschap zich stelde was: kan een gedicht van Bellman op zichzelf staan? Waar moet zo'n vertaling geschikt voor zijn? Lezen in afzondering? Voordragen? Gezongen worden in vertaling? Adapt´e pour chant staat in de ondertitel van de Franse vertaling van d'Argentr´e, en ook de Engelse vertaling van Austin is bedoeld om gezongen te worden.

Het resultaat is een onleesbare tekst. En niet alleen onleesbaar, maar vaak ook onverstaanbaar. Het Frans heb ik nooit gezongen gehoord, maar de Engelse vertaling is de versie die gezongen wordt door Martin Best, op de platen en CD's waar ik vroeger al eens over geschreven heb. Prachtige muziek, ik heb er mijn ontdekking van Bellman aan te danken, maar ritme en frasering zijn eigenaardig, de woordvolgorde is geforceerd en in feite on-Engels; als je de woorden leest, dus zonder de muziek, dan word je voortdurend afgeleid door het zonderlinge van de tekst, en als vertaling lijkt het goedbeschouwd nergens op. Zingbaarheid is iets als rijmdwang, maar dan nog veel destructiever. Po¨ezie kun je het resultaat niet noemen, het wonder waar d'Argentr´e het over had is verdwenen.

Het is waar, die vertalingen kunnen worden gezongen, maar door wie? Wie zou ¨uberhaupt op de gedachte komen om dat te doen zonder Bellman in het Zweeds te hebben gehoord? De conclusie die ik hierbij voorleg aan het Geheime Bellmangenootschap en de verdere wereld is dat je je maar beter aan het Zweeds kunt houden, en zorgen dat je een goed idee hebt van wat de tekst betekent. Proberen de tekst als gedicht te vertalen, zo letterlijk mogelijk maar zonder dat er iets verwrongens ontstaat, dat is onder de omstandigheden eigenlijk waar het meest behoefte aan is. Een hulpmiddel dus bij het beluisteren van Bellman (of bij pogingen hem te zingen) in het Zweeds, maar niet bedoeld om zelf gezongen te worden; niet een woord-voor-woord vertaling, maar ook niet een 'herdichting', d.w.z. iets waarin geofferd is aan de bedoeling zelf een Nederlands gedicht te zijn.

L¨ofberg

Dat is dus wat ik met een Bellmanlied heb geprobeerd: Fredmans Epistel No 81. Het is een van die gedichten waarvan alleen al de inleidende regels mij in een staat van verhoogde ontvankelijkheid brengen, zoals hier: opgedragen 'aan de ruziemaker L¨ofberg', geschreven aan diens graf, bij de begrafenis van zijn vrouw. De vorm is een soort gesprek met - of vertoog aan het adres van - een oude kroegvriend genaamd Movitz, die ook op de begrafenis is en die zowel L¨ofberg als diens vrouw heeft gekend. De kroeg, die ook echt heeft bestaan, heette 'De bomen van Danto' - bomen in de betekenis van slagbomen: het moet een soort tolhuis zijn geweest.

Dit Epistel 81 is ook een goed voorbeeld van de meergenoemde wisselwerking van tekst en muziek: als ik de eerste noten maar hoor lopen mij de rillingen al over de rug. Bellman gebruikte vaak bestaande melodie¨en, meest van Franse liederen, maar er schijnt ook in dit geval geen twijfel aan te bestaan dat de muziek van hemzelf is. Al bij de eerste woorden ben ik reddeloos betoverd; het begint: 'Zie (of beter: 'Aanmerk', zoals in de Statenvertaling) hoe onze schaduwen, Movitz mon fr`ere, zich oplossen in het donker...' Dat wat op de spade paars en goud leek, (aldus nog steeds de schrijver van het gedicht), blijkt niet meer te zijn dan puin en vodden. Hij ziet de schipper van de onderwereld wenken van over het water van de Styx - hetzelfde gebaar als van de doodgraver hier op het kerkhof - en dan moet de grafsteen worden gelegd 'over onze zuster', waarvoor de hulp wordt ingeroepen van Movitz.

Het volgende couplet is moeilijk: het is een soort ode aan de graven, 'schuilplaatsen van het verlangen' die daar zo verborgen liggen onder de ruisende takken, en waar mooi en lelijk in de dood tot ´e´en en dezelfde stof zijn verenigd; dan volgt de observatie dat de afgunst niet ge¨interesseerd is in gestorvenen, en dat het geluk, altijd zo bereid zich snel uit de voeten te maken, nooit de kant van het kerkhof uit vlucht. Zelfs de vijand (in oorlog), met al zijn wapens, zit daar weerloos en breekt zijn pijlen in twee¨en.

Dan komt de begrafenis zelf. De klokken luiden, de dominee staat in de groene omlijsting van de kerkdeur, de jongens van het koor heiligen de grond door luidkeels een bede te zingen. Het pad naar het graf is voorzien van alle attributen van de romantische melancholia: oude planken, een vermolmde draagbaar, afgevallen gouden blaadjes van verwelkte rozen; die worden platgetreden door de lange stoet van in het zwart geklede vrienden en verwanten. Ze buigen zich over de groeve, in tranen.

Levensgezellin

Het laatste couplet is gericht tot 'ruziemaker L¨ofberg' zelf: zo wordt dan je levensgezellin te ruste gelegd, na veel woeste feesten, en daar sta je dan, L¨ofberg, daarginds in het gras, mager en met je lange hals, nog op terug te kijken. Vandaag heeft ze afscheid genomen van de kroeg, en met haar de hele lustige bende. Wie moet er nu achter de tapkast staan? Zij lustte er wel een, en anders ik wel; wij allemaal, in feite.

De reden dat ik dit gedicht heb uitgekozen is ook dat ik diep onder de indruk was van een bepaalde vertolking. Door Cornelis Vreeswijk, iemand aan wie ik anders niet veel boodschap heb; maar de manier waarop hij dit lied zingt gaat door merg en been, weergaloos. Vreeswijk was een Nederlander, maar zoals bekend heeft zijn carri`ere zich grotendeels in Zweden afgespeeld. Hij is intussen ook al weer meer dan tien jaar dood, hij stierf in 1987. De opname werd gemaakt op 12 en 13 April 1977. Ik ken van ditzelfde lied wel vier of vijf andere vertolkingen, maar die van Vreeswijk is moeiteloos de meest aangrijpende.

Er zijn (buiten de klassieke muziek) een paar stemmen waar ik niet naar uitgeluisterd raak. Van Morrison heeft zo'n stem: als een opstekende storm, een windhoos, een aardverschuiving, woest en eenzaam als een gebergte. Eerst, een paar maten lang, blijft het ingehouden, maar dan breekt het los en je weet je geen raad: zoveel emotie, zoveel vertwijfeling; zo'n soort stem heeft ook Vreeswijk in dit lied - enfin, toch anders, een beetje na¨iever, plattelandser, maar perfect voor dit lied. Het moet wel het mooiste zijn dat hij ooit gepresteerd heeft. Als ik er naar luister stribbel ik even tegen en geef me dan gewonnen (als gevolg van de tekst vooral), weerloos, schaamteloos, overgegeven aan dat klimmen en dalen, van hoop naar wanhoop, meegesleept door die stem die het ene moment zacht en vlakbij is, bijna fluisterend, en het volgende weggewaaid met de wind, eindeloos ver weg, voorgoed verloren, stervend. Kortom elementen uit hetzelfde arsenaal van de romantiek als waar Bellman zelf met zoveel raffinement uit put.

Ik hoor er ook nog iets anders in dat mij bij Bellman zo dierbaar is, en dat is de liefde, de aandacht voor vrouwen. Dat is ook wat mij ontroert in het onderwerp van dit Epistel: de conjugale liefde, de tederheid voor de vrouw van die dode ruziemaker L¨ofberg: 'din maka' (jouw wederhelft) - nu is ook zij dood, je kunt er alleen nog maar op terugkijken, vanuit je graf in het gras. Voorbij, voorbij. Hartverscheurend.

Kader:Aan de ruziemaker L¨ofberg, in het sterfhuis, bij De bomen van Danto,geschreven aan zijn graf.

Kijk Movitz, mon fr`ere, zie hoe onze schaduw

Zich oplost in het donker

Hoe het goud en paars op de spade, daarginds

Verandert in gruis en vodden.

Charon wenkt ons van over zijn bruisende stroom

En dan, driemaal, de doodgraver zelf;

Nooit zul je je druiven meer persen!

Daarom, Movitz, help mij over onze zuster

Deze grafsteen te tillen.

Ach, hutje van verlangen, verscholen Onder de ruisende takken, Waar de tijd en de dood mooi en lelijk Tot ´e´en stof verenigt! De afgunst, die weet tot jou nooit de weg, Het geluk, anders zo snel en gewiekst, Dwaalt nooit tussen de graven. Zelfs de vijand met al zijn geweld, denk je in, Ontdoet zich daar vroom van zijn pijlen.

De kleine klok luidt door het gedreun van de grote, De Cantor staat bij de groenomkranste poort, En onder het snerpende bidden van de jongens, Heiligt deze plek. Een pad naar de tempelstad, met graven versierd, Wordt getreden in de vergeelde bladeren van de rozen, Tussen vermolmde planken en draagbaren; Totdat de lange rij, in zwart gekleed Diep zich buigt, in tranen.

Zo ging te ruste, van vechten en feesten, Ruziemaker L¨ofberg, je vrouw; Daar in het gras, met je lange hals en mager, Sta je er nog op terug te kijken. Van de Bomen van Danto nam zij afscheid vandaag, En met haar, al de vrolijke kameraden. Wie zal nu over de fles bevelen? Van dorst verging zij en verga ook ik, Van dorst vergaan we allemaal. Fredmans Epistel No 81. Met opdracht aan Doctor BLAD. Vermoedelijke datum 1789 of '90. Muziek toegeschreven aan Bellman