Wanhoop in simpele zinnetjes

David Hines: Batman kan niet vliegen. Vertaald uit het Engels door Annelies Jorna. Querido. Vanaf 12 jaar. ƒ 19,90

Vaker dan kinderboeken verlopen boeken voor jongeren volgens een vast stramien. Een hoererende moeder, haar zoon die volwassen wordt en seksueel bewust raakt, een oma met een hartkwaal. Bij het lezen van Batman kan niet vliegen van David Hines ben je aanvankelijk geneigd comfortabel achterover te leunen. Het is een dun boekje, dus over een luttele negentig bladzijden is het allemaal vast wel weer goed gekomen. Oma een pacemaker, zoonlief een vriendin en mama een nette baan op kantoor.

Zo gaat het dus niet bij Hines, voormalig danser en taxichauffeur en nu toneelschrijver in Londen. Batman kan niet vliegen is een kille novelle, met grote precisie geschreven. David Hines laat de lezer in de waan dat diens verwachtingen worden ingelost. De klap komt des te harder aan.

Hines' zinnen zijn kort, zijn dialogen strak. Hij geeft woorden hun maximale lading mee. Achter eenvoudige uitspraken van zijn personages gaat een hele wereld schuil. Summier is ook de informatie die hij geeft. Het is aan de lezer dwarsverbanden te leggen, te interpreteren, sterker dan in andere jeugdromans over problemen. Hines kauwt niets voor en wijst je hoogstens de verkeerde kant op. Een bezoek aan een oude vrouw in een buitenwijk lijkt een duf uitstapje naar een bejaarde taart, maar als moeder na terugkeer uit de auto stapt siert een bloedvlek haar rok.

Haarscherp geeft David Hines de familieverhoudingen weer. Hij beschrijft gebeurtenissen vanuit de jongen, maar blijft toch afstandelijk en becommentarieert zelden. De jongen blijft zo lang mogelijk in zijn jongenswereld. Op een keer verschijnt zijn vriendje voor het raam. “ 'Hij is mesjogge, dat joch', zei mijn moeder, die de twee bekers omspoelde en in het droogrek zette. 'Er is niks mis met hem', zei ik. Ik laadde mijn geweer. 'Hij is mijn beste vriend.' 'Nou, als hij de beste is, wil ik je slechtste vriend niet ontmoeten.' 'Er is niks mis met hem', zei ik, en gooide een handgranaat naar hem. 'Is er iets te eten?' ”

Het komt niet, of nauwelijks, goed met hoofdpersoon David. En met zijn moeder al helemaal niet. Terugbladerend naar het eerste hoofdstuk blijkt het daar in feite allemaal al te staan. Zoon is nog klein. Moeder lijkt nog een gewone moeder die klaagt over zand op zijn broek en zeurt over het gordijn dat hij als Batman-cape gebruikt. Ze wil heel gewoon oma verrassen door onkruid te wieden. Moeder en zoon praten: 'Mam... waarom wil je niet met ons op vakantie?' 'Hoe kom je daarbij?' 'Oma zegt dat je niet wilt... Waarom niet?' 'Ik geef niks om strand. Bovendien heb ik niks om aan te trekken.' (...) 'Ik heb vijftig gulden gespaard. Die mag je hebben. (...) Ik bewaar het op een geheime plaats. Zal ik zeggen waar?'

Dit lijkt achteloos gevoerde, normale moeder-en-zoon conversatie, maar later blijkt tussen die simpele zinnetjes de wanhoop schuil te gaan. De wanhoop van een vrouw die zich niet aan haar kind kan en wil wijden, van haar zoon die hunkert naar normaal zijn, erbij horen, doen als iedereen. Zijn moeder is geen rotwijf, al laat ze hem op beslissende momenten in zijn leven in de steek, en ook eigenlijk niet zielig, al wordt ze nog zo vaak in elkaar getremd door haar klanten.