Vergankelijkheid in de wijngaarden; Schilder en kunsthandelaar Piet Moget

In een voormalige wijnopslagplaats in Zuid-Frankrijk heeft de Haagse kunstenaar Piet Moget met zijn dochter de expositieruimte 'Lieu d'Art Contemporain' opgericht, waar ze werk van Richard Long, Thomas Ruff en deze maand Ronald Opalka tonen. Moget gaat ook dagelijks met zijn rijdend atelier naar zee, om te schilderen.

Lieu d'Art Contemporain in Sigean (tel 04-68488362) is in oktober alleen in de weekeinden en op feestdagen geopend van 14-18 u. Van 10 oktober t/m kerstmis is er een tentoonstelling van Jan Andriesse.

In een voormalig treinstation midden tussen de wijngaarden, in het Zuidfranse plaatsje Sigean, woont Piet Moget (1928). Sigean ligt iets ten zuiden van Narbonne aan de Middellandse Zee.

Het landschap heeft er iets hards en ongenaakbaars, door de felle zon en de Mistral-stormen die er waaien. Tinten bruin en donkergroen overheersen, loofbomen zijn er weinig. Al in 1946, toen hij hier terecht kwam tijdens een maandenlange zwerftocht door Frankrijk, mee met een handelsreiziger in schoenen die overal halt hield, wist Moget dat hij hier wilde wonen: dit was het landschap waarvan hij hield. In de jaren vijftig kocht hij met zijn vrouw Mary het treinstation en verbouwde het tot woonhuis.

In Nederland kent vrijwel niemand de van oorsprong Haagse schilder Moget. Hij ziet er in zijn werktenue uit als een zwerver, met oude slobberkleding en een wollen mutsje op het wilde grijze haar. Moget is zijn leven lang al succesvol actief als schilder, kunsthandelaar, verzamelaar en tentoonstellingsmaker. Tien jaar geleden richtte hij samen met zijn dochter Layla in Sigean een expositieruimte op, de Lieu d'Art Contemporain. De lijst van tentoonstellingen is indrukwekkend: de openingsexpositie in 1991 was gewijd aan Geer van Velde (1898-1977, broer van Bram van Velde), daarop volgden exposities van onder anderen Richard Long, Walter de Maria, Robert Morris, Wolfgang Laib en Thomas Ruff. Deze zomer is er een overzicht van de Poolse schilder Roman Opalka te zien.

De belangstelling voor de LAC is groot - behalve uit Nederland. Moget heeft zich hier bij neergelegd. Een reden is, denkt hij, het feit dat hij zijn kunstenaarsschap combineert met handel. “In de kunstwereld haten ze het als je naast kunstenaar ook handelaar bent. Je mag ik weet niet wat er bij doen, maar geen handel. Een soort burgerlijkheid is het. Je mag niet open en bloot laten merken dat je geld nodig hebt - alsof je je daarvoor zou moeten schamen.”

Moget is geboren in een Haags arbeidersmilieu. Van 1946 tot 1951 doorliep hij de kunstacademie in Den Haag. Hij kreeg er les van onder anderen Rein Drayer en Paul Citroen, en van 'Mevrouw Giacometti' van wie hij, zegt hij, het meest heeft geleerd. Mevrouw Giacometti (geen familie van de beeldhouwer) gaf kunstgeschiedenis. Zij deed dat zo inspirerend dat zij in de Haagse kunstwereld is uitgegroeid tot een kleine legende.

“In die tijd hielden we ons in leven met portretten die we deur aan deur verkochten. Als je maar een portret kan tekenen of een villa kan aquarelleren, dan kan je je redden, nietwaar. 's Zomers verkochten we veel in Zwitserland en Zweden. Vooral in Varberg, het Biarritz van Zweden. We mochten daar een expositie maken in de Sociëteitssalon, waar de chic van Zweden kwam om thee te drinken en concerten bij te wonen. Hele stapels werk verkocht ik, van Drayer, Wil Bouthoorn, Citroen, en van onszelf. Er zijn zeker tweehonderd werken van Citroen in Zweden terecht gekomen. Ik nam commissie op de verkoop, en zo hadden we geld genoeg om drie maanden naar Frankrijk te gaan om er te schilderen. Ons Zweedse avontuur duurde vier jaar. Toen mocht ik niet meer komen, omdat we het geld van de Zweedse schilders weghaalden. Toch ben ik later weer uitgenodigd om tentoonstellingen te maken; ik liet er toen werk zien van Asger Jorn en Karel Appel, het liep fantastisch.”

Wijngaard

Al doende bouwde Moget een verzameling op, met werken van uiteenlopende kunstenaars. Zijn grote liefde gaat uit naar abstracte, strenge kunst, te beginnen bij Zero, en later, in de jaren zeventig, Minimal Art van bijvoorbeeld de grijs-schilder Alan Charlton of de wit-schilder Robert Ryman, en naar Land Art van bijvoorbeeld James Turrell en Richard Long.

Maar zijn verzameling was hem niet genoeg. Jarenlang droomde Moget ervan om een museum in de buitenlucht op te zetten, waar kunstenaars die hij bewonderde tijdelijke en conceptuele kunstwerken zouden kunnen maken, een 'museum éphémère'. Daarom kocht hij in 1961 een wijngaard die niet meer gebruikt werd van anderhalve hectare, vlak aan zee in Port-la-Nouvelle, het havenplaatsje enkele kilometers van Sigean. Voordat Moget zijn openlucht-museum op dat terrein kon inrichten, kwam er een kink in de kabel. Er zou een atoomcentrale in de buurt komen en de koelingskanalen zouden dwars over zijn museumterrein komen te lopen.

Vandaar dat Moget in de jaren tachtig opnieuw een aankoop deed: twee grote voormalige wijnopslagplaatsen op drie hectare grond, 'caves viticoles' die ooit deel uitmaakten van een groot landgoed. De laatste kasteelheer, een armlastige graaf, liet eind jaren dertig om de belastingen te ontduiken de daken van zijn kasteel afhalen.

Moget heeft de wijnopslagplaatsen, een prachtige dubbel pand van twee verdiepingen, met puntdaken, talrijke boogvensters en grote deuren, laten restaureren en geschikt gemaakt als expositieruimte. Elementen die aan het oorspronkelijk gebruik herinneren, zijn intact gelaten, zoals een grote oude weegschaal en de wijnvaten, gesloten cellen met schuifluiken op de grond.

Er hangen nu schilderijen en tekeningen van Opalka (1931) op de beneden- en op de bovenverdieping. In 1965 schilderde deze Poolse, in Amerika wonende kunstenaar het getal 1 in wit op een zwarte ondergrond. Sindsdien doet hij niets anders dan tellen. Hij heeft nu de vijf miljoen overschreden. Zijn totale oeuvre vanaf 1965 beschouwt hij als één kunstwerk, getiteld Opalka, 1965/1-oneindig. Hij telt van de linkerbovenhoek van het doek naar de rechterbenedenhoek. Zijn schilderijen hebben altijd dezelfde afmetingen, 196 bij 135 centimeter. Toen Opalka in 1972 de 1.000.000 bereikt had, besliste hij dat hij voortaan de zwarte ondergrond steeds één procent lichter zou maken. Zo zal langzaam het zwart verdwijnen en in wit veranderen. Over een jaar of vijf zal het misschien zo ver zijn, maar precies is het niet te zeggen omdat hij niet iedere dag even lang werkt. Als hij het wit heeft bereikt zal hij, zo vertelde Opalka ooit, verder gaan met tellen: het getal zal dan heel even, zolang het nat is, oplichten en daarna onzichtbaar zijn op de witte ondergrond: een 'emotioneel, mentaal wit'.

Bijzonder aan de tentoonstelling in de LAC is dat Opalka hier voor het eerst ook werk toont dat aan de getallenschilderijen is voorafgegaan: minutieuze tekeningen van duizenden cirkeltjes die van dichtbij bezien krioelende mensenmassa's blijken te zijn. Het zijn angstaanjagende visioenen die voortkomen uit zijn oorlogsverleden; Opalka kwam als negenjarig jongetje, alleen, in een concentratiekamp terecht. De tekeningen verduidelijken veel van het dwangmatige en dramatische karakter van Opalka's tel-werk.

Rijdend atelier

Hoezeer Moget ook betrokken is bij de kunstenaars die in de LAC exposeren, het werken aan zijn eigen oeuvre staat voor hem voorop. Sinds 1959 schildert Moget ieder dag hetzelfde motief: een stuk van de havenkade in Port-la-Nouvelle. “Ik schilder een muur, een hemel, en water. Ik heb die muur nodig, hij biedt houvast. En hij verbergt de horizon, zodat de ruimte in het schilderij niet te landschappelijk wordt.” De muur steekt meer dan een kilometer de zee in. Tussen deze pier en de wal varen de schepen af en aan naar de haven. Het fonkelend diepgroene water is zeer diep. Soms manoeuvreert een reusachtig vrachtschip door de smalle sleuf, pal langs de wallekant, hoog uittorenend boven de visrestaurants en winkeltjes van Port la Nouvelle.

's Ochtends, met uitzondering van de marktdagen tweemaal per week in de zomer, rijdt de schilder zijn oude bus naar een vaste plek aan de haven. De burgemeester van Port la Nouvelle heeft een extra brede parkeerplaats laten markeren. De wagen is zijn rijdend atelier, volgestouwd met olieverf, kwasten en rekken om de schilderijen van bijna twee bij twee meter in te plaatsen. Er hangt een sterke terpentijnlucht rond de auto.

Om te schilderen hangt Moget de doeken op ooghoogte aan de zijkant van de bus. Hij gebruikt zeer grote en zonderling lange kwasten waarmee hij de verf op het doek borstelt. Soms bevestigt hij ze aan een bezemsteel. “Het liefst zit ik met mijn kop midden in het schilderij, maar de terpentijn spettert in mijn ogen, ik heb aan het eind van de dag hele branderige ogen. Ik gebruik minstens vijf liter terpentijn per dag. Elke keer moet ik de kwast helemaal schoonmaken; ik kan nooit delen van het schilderij bijwerken, want als de lucht niet goed is is ook de onderkant niet goed. Als het mislukt gooi ik de rest van de terpentijn eroverheen, dan spoelt de laatste laag weer weg.” Bijna-monochroom zijn deze vierkante schilderijen: mauve, grijs, groen in alle mogelijke nuances en mengelingen voor de muur, en verder veel wit, een tintelend grijswit. Hij werkt aan twintig doeken tegelijk, maar voltooit er per jaar uiteindelijk twee, waarover hij tevreden is.

Regen en zoute zeewind kunnen de schilder en zijn doeken niet deren. Integendeel. “Edvard Munch zette zijn schilderijen onder de dakgoot om ze te laten verweren. Ze worden er mooier, levendiger van.”

Moget houdt er van als de kade is natgeregend, als de stenen donker worden en er, zoals hij zelf zegt, een oesterachtige atmosfeer ontstaat. “De kade en het water zien er dan uit als de binnenkant van een oesterschelp, met grijsgroen, smaragd, en parelmoer. Overdag is het licht te fel, dan kan ik hier niet werken. Alleen 's ochtends heel vroeg, vanaf zes uur kan het, en 's avonds na acht uur. Als de wind van de zeekant komt lijkt alles hier doorzichtig. Het licht van de Mediterranee is veel gevulder dan dat van Nederland, rijk, alsof er een microkosmos van leven in zit. En zo transparant wil ik mijn schilderijen hebben.”