Tentoonstellingen over Leuven en Dirk Bouts; In zorgelijke stilte

Leuven eert zichzelf en de schilder Dirk Bouts die er in de 15de eeuw kwam wonen en er school maakte. “We zien hoe Jezus in een 15de-eeuws Vlaams interieur op de Leuvense Plaetse voor zijn twaalf apostelen de hostie zegent.”

Tentoonstellingen: Dirk Bouts, een Vlaams Primitief te Leuven; Stadhuis, Sint-Pieterskerk, Stedelijk Museum Vander Kelen-Kertens en Predikherenkerk. Tot 6/12. Geopend: ma t/m do 9.30-17.30 uur; vr 9.30-21.30 uur; za en zo 9.30 tot 18.30 uur. Op 1/11 gesloten. Catalogus Dirk Bouts; Bfr. 2000.- Catalogus Leven te Leuven in de late middeleeuwen; Bfr. 1400.- Catalogus Stadhuis; Bfr. 900.- Boek Dirk Bouts; Bfr. 850.-

De hotelkamer is van wijnrood pluche, dat verlicht wordt door wandlampjes van plastic kristal. Buiten is het nacht en stil. Zelfs in de wolkenkrabber aan de overkant brandt geen peertje. Dat kan ook niet, zo blijkt later, want het hotelraam kijkt uit op De Schande van Leuven. Een twaalf etages tellend ziekenhuis, waarvan geen enkele kamer ooit in gebruik is genomen. Bij oplevering bleken de gangen te smal om er met een ziekenhuisbed te kunnen manoevreren. Sinds een jaar of tien maken muizen de dienst uit op deze ideale filmlocatie.

De stad Leuven doet deze dagen net of er geen leeg ziekenhuis bestaat. Juist dit jaar wil het van geen schande weten. Het viert uitgebreid dat 550 jaar geleden de eerste steen van het gotisch stadhuis werd gelegd, destijds 'het pronkjuweel van Brabant', waarmee in architectonische naijver de stad Brussel om de oren werd geslagen. En de herdenking van dat jaar 1448 is meteen ook een mooie reden, vindt de gemeente, om het werk van de grootste schilder van Leuven, de van oorsprong Haarlemse Dirk Bouts (ca. 1410-1475), pontificaal te presenteren.The bold and the beautiful liggen niet ver van elkaar. Zo kaal en vies als het ziekenhuis is, zo schoon en pronkzuchtig staat op de Grote Markt het stadhuis. De ivoorwitte pijlers, bogen en pinakels - ze hunkeren ijl naar de hemel, net als de gewelven van de gotische Sint Pieterskerk aan de overkant. In uiterlijk vertoon kon dit stadhuis het inderdaad gemakkelijk tegen zijn equivalent in Brussel opnemen. Als economisch centrum hoefden de Brusselaren vanaf de 16de eeuw met Leuven nooit meer rekening te houden.

Wie die volmaaktheid van dat zandstenen gemeentehuis verdacht vindt, zit goed. De ruim tweehonderd, in nissen geplaatste, sculpturen van 'grote' mannen zijn niet meer dan een eeuw oud. Niets aan hen is gotisch, al zijn Napoleon en Leopold II zó gesneden dat ze zich als kennissen tussen de Brabantse hertogen kunnen ophouden. Ook van de vele oorspronkelijke kraagstenen, een soort kapitelen of consoles, zijn dankzij de vernielzucht van 19de-eeuwse progressievelingen nauwelijks exemplaren overgebleven. Er liggen er een paar op zolder, onder de authentieke dakconstructie die een klim waard is. Wind, weer en de latere zure regen veranderden bijbelse vorsten in stenen gehaktballen.

Dirk Bouts streek hier neer op het moment dat met de bouw van het stadhuis net een begin was gemaakt. Vermoedelijk was hij al in de leer geweest bij de Brusselse meester Rogier van der Weyden (1399-1464) en evenals andere collega's wilde hij in de eerste Europese universiteitsstad zijn geluk beproeven.

Kwartje

Er woonden tussen de kerken en kloosters van het ommuurde Leuven zo'n 16.000 mensen, onder wie ongeveer vijftig schilders. Armoede, stank, smerig water, ongedierte en ziekte waren voor de meeste inwoners niets bijzonders. Het wemelde er van de ambachtslieden, zoals wevers, ververs, bootslui, maalders, leerbewerkers, huidenvetters - dubbeltjes die nooit een kwartje zouden worden.

Bouts wél: hij bracht het in de stad aan de Dijle zelfs tot 'overste knaap', een soort ereburger, en die status gaf hem recht op jaarlijks tien ellen stof en een aanzienlijk pak voeringstof. Ter onderscheiding van het gepeupel kon hij zo een ceremonieel gewaad laten maken, te dragen bij de Leuvense ommegangen, feesten waarbij de overwinning op de Noormannen van het jaar 891 werd gevierd.

Het Stedelijk Museum Vander Kelen-Mertens laat nu zien hoe het er in die Bourgondische late middeleeuwen, ten tijde van de kunstminnende Filips de Goede (1419-1467), rondom die Grote en Oude Markt aan toe ging. Hoe er kinderen kolfden en tolden, hoe geliefden in de kuipen van het badhuis al wassend en etend het voorspel bedreven, hoe er hanengevechten werden gehouden, hoe op de vastendagen steekspelen werden georganiseerd, die de opgepotte irritatie van een lege maag moesten kanaliseren. En hoe mateloos er gedronken werd; bier en nog eens bier, want het water deugde niet en wijn moest je kunnen betalen.

Behalve deze stedelijke tentoonstelling, waar opvallend veel Nederlandse bruiklenen te zien zijn - van schaatsen tot kookpotten - en behalve,in het stadhuis, een historisch overzicht óver dat stadhuis, is in twee kerken een aantal schilderijen en tekeningen samengebracht van zowel Dirk Bouts als zijn zoon Albrecht. Uit alle windstreken zijn ook de religieuze panelen van tijdgenoten en navolgers ingevlogen.

Net als in 1994 bij de overzichten van Hans Memling (1440-1494) in Brugge en Petrus Christus (1420-1472) in New York, bekruipt je weer dat 'once in a life time'-gevoel. Hoe vaak is er nog een overzicht van zulke vroege stukken te zien? Met steeds meer tegenzin sturen musea en particulieren hun kwetsbare panelen op reis. Het Parijse Louvre weigert allang ze uit te lenen en andere musea zullen volgen. Want klimatologische kisten voor het vervoer kunnen niet voorkomen dat conditie van hout en verf aantoonbaar achteruit gaat.

Sjablonen

Dirk Bouts was geen ambachtsman die moest sloven om te overleven. Tweemaal trouwde hij een welgestelde vrouw. Hij kreeg domeinen en wijngaarden, en hij kon het zich permitteren lang met een enkel paneel bezig te zijn. De twee dochters uit zijn eerste huwelijk kwamen in het klooster terecht, zijn twee zonen gingen eveneens schilderen. Alleen de jongste zou naam maken, vooral met het kopiëren van zijn vaders werk.

Dat was geen schande in die tijd, maar de praktijk van alledag, waarbij schildersateliers, in de weer met massaproduktie, thematische composities gewoon uitwisselden. Behalve zijn onafgemaakte werk liet Dirk zijn zonen ook zijn 'schildersgerief' na, waaronder een soort sjablonen. Het bedrijf Bouts kon dus vooruit. En aangezien Albrecht bijna honderd jaar oud zou worden en met minder talent en betrokkenheid, in feite beroepsmatiger, schilderde dan zijn vader, kon hij aanzienlijk meer produceren.

Volgens de Leuvense kunsthistoricus Maurits Smeyers, die meer dan 25 jaar onderzoek naar Bouts verrichtte en veel aan de tentoonstellingen en catalogi bijdroeg, zijn er wereldwijd niet meer dan 22 echte schilderingen van Bouts bewaard gebleven, aanzienlijk minder dan begin deze eeuw werd aangenomen. De helft daarvan is nu in Leuven te zien. Ze variëren sterk in formaat: van een klein paneeltje, waarop een engel aan Maria de komst van het kind aankondigt, een bruikleen uit Lissabon, tot Het Laatste Avondmaal.

Dit net gerestaureerde, flinke triptiek, eigenlijk De Nachtwacht van Leuven, is het zeldzame voorbeeld van een laatmiddeleeuwse opdracht die nog precies op de plek hangt waar die destijds voor gemaakt is; een van de kapellen in de kooromgang van de Sint Pieterskerk. Het scheelde niet veel of dit drieluik was deze eeuw toch nog verloren gegaan. De nazi's namen de zijluiken mee, die de geallieerden gelukkig weer konden terugbezorgen.

De Leuvense Sacramentsbroederschap, opdrachtgever van Het Laatste Avondmaal, verwachtte van Bouts in 1464 'costelike tafele' (-) van 'den avontmaeltyt ons liefs heren met syne XII apostelen'. En net als de Gentse meester Jan van Eyck (1390-1441) voor diens altaarstuk Lam Gods, diende ook Bouts voor de juiste weergave van de gevraagde, bijbelse gebeurtenis geleerde theologen te raadplegen, want schilders kenden die 'werkelijkheid' niet.

We zien nu hoe Jezus in een 15de-eeuws Vlaams interieur op de Leuvense Plaetse (Grote Markt), voor zijn twaalf apostelen de hostie zegent aan een Vlaams gedekte tafel. Uit die wit gestucte kamer kon Hij nog net een glimp van die Leuvense Sint Pieterskerk opvangen. Wat de heiland niet kon zien, is het doorgeefluik achter hem, waar twee van de vier opdrachtgevers werden geportretteerd, als spiekende kinderen. De twee anderen houden zich ook achter Hem in de kamer op. En jammergenoeg blijkt de rechter figuur, met de rode hoge hoed, niet Bouts zelf te zijn, wat wel lange tijd is aangenomen.

Alle vier zijn 15de-eeuws gekleed, in tegenstelling tot de wat hoekig geschilderde, 'antieke' gewaden van de apostelen. Hoewel er onder Jezus' volgelingen een groepsgevoel zou moeten heersen, lijkt niemand van hen iets met de ander te maken te hebben. Leuven juicht nu in zijn folders over Bouts als 'schilder van de stilte'. Dat is een handige 'one-liner', en bovendien echt waar. Vooral op dat Laatste Avondmaal wordt zichtbaar gezwegen. Niemand kijkt naar Jezus, elke apostel lijkt toevallig in hetzelfde eetclubje terecht te zijn gekomen en houdt zijn gezicht in de plooi, zoals Bouts altijd iedereen uiterst beheerst laat zijn, en zich af laat vragen hoe dit in vredesnaam kon gebeuren.

Bouts weet je ook knap wijs te maken dat in die zorgelijke stilte de mompelende stem van Jezus uitkomst bood. Dat Hij zijn apostelen als het ware met een paar woorden moed in sprak, zoals een stervende soms zijn gezonde bezoekers moet troosten. En met diezelfde manipulerende hand plaatste Bouts de Heiland precies in het perspectivische midden, en gaf hij Hem ook nog een iets groter hoofd. Geen enkele kerkganger kon bij het zien van dit middenpaneel om die centrale figuur heen.

Marteling

In die Sint Pieterskerk hangt trouwens nog een bekend werk van Bouts: de marteling van de Italiaanse bisschop Erasmus († 303) - te eng om lang bij stil te staan en te curieus om niet te bekijken. Twee beulen takelen namelijk met behulp van een katrol de darmen uit de buik van de heilige. Maar net als je je over de vindingrijkheid van de martelende medemens verbaast, lees je dat diezelfde Erasmus helemaal niet doodgemarteld werd. Hij overleed thuis, vredig in bed, zonder getakel.

Niet bekend

Bij zulke legenden zou je vergeten dat Bouts razendknap kon schilderen. Evenals voor de andere Vlaamse Primitieven stond de werkelijkheid hem tot in de kleinste details ten dienste, om een veel hogere, goddelijke werkelijkheid te verbeelden. Geef Bouts de structuur van goudbrokaat en je kunt het weefsel van het paneel oprapen. Laat hem een portret maken en hij wist, hoewel minder innemend dan zijn collega Hans Memling, in fijne nuances van houding en blik zo'n diepe meditatie te suggereren, dat elk van zijn personages 'van de wereld' lijkt. Personages die stram, slank en statig van de gruwelijkste zaken getuige zijn, zonder een zichtbare krimp te geven. Zo stelden zij zich ten voorbeeld aan de 'moderne' devote gelovige, die zich niet in kerken en klooster, maar ook alleen, in afzondering, tot Jezus kon wenden.

Geen martel- of Maria-paneel, of Bouts laat op de achtergrond, desnoods door de kieren, in blauw-groenige tinten heuvels en dalen mijlenver golven. Het lukte hem als een miniaturist om op vijf vierkante centimeter een 'Vlaams' panorama van Bethlehem neer te zetten. Bochtige wegen en groene zomen leiden vaak naar een zacht oplichtende horizon. Dus bij afwezigheid van engelen, wordt er in de verte toch op u gewacht, vertelt Bouts eigenlijk.

Op de hoofdtentoonstelling in de Predikherenkerk hangt het indringende Ware gelaat van Christus, uit het bezit van Museum Boijmans Van Beuningen, met bijna hetzelfde hoofd als op het Laatste Avondmaal, maar nu in close-up, als een toonbeeld van oprechtheid. De Maria met kind in een tuin, eveneens een klein paneel, komt uit de Thyssen-Bornemisza collectie en behalve dat stralend geschilderd goudbrokaat valt de heilige geest op, een duifachtige vogel die er een eeuw of wat later even aan toegevoegd werd. Niet ver van dit paneel komen we het drieluik Marteling van de Heilige Hippolytus tegen; een mooie jongen, zo te zien, die door bereden paarden zou zijn gevierendeeld.

De meeste andere panelen op deze tentoonstelling staan op naam van zoon Albrecht, van een 'navolger' of van de 'Boutsgroep'. Juist door de school die Bouts maakte, kan men nu soms precies nagaan wat er van Dirk zelf verloren is gegaan; het deemoedige, maar niettemin afgehakte hoofd van Johannes de Doper bijvoorbeeld, liggend op een schotel. Een akelig gezicht, waarnaar vanaf de 15de tot en met de 17de eeuw opvallend veel vraag is geweest.

Zowel van dat Johannes-hoofd als van de Man van Smarten wist Leuven nogal wat voorbeelden van kleinere meesters bijeen te brengen. Devotiepanelen met een stortvloed van gepenseelde tranen en bloeddruppels. Maar die maken het lijden van Christus helemaal niet overtuigender, sterker nog, de emotieloze figuren waar Dirk Bouts in excelleerde, geven veel meer te denken. Het is bijna griezelig 20ste-eeuws, hoe illusieloos en gedesinteresseerd sommige personages elkaar (geen) gezelschap houden, terwijl de schilder zelf vermoedelijk niets anders nastreefde dan het subliem verbeelden van strenge vroomheid.

Via monstransen, reliekhouders, pelgrimstekens, beeldengroepen, missalen, aflaatbrieven en alle mogelijke laatmiddeleeuwse manuscripten wil men de bezoeker van de twee Leuvense kerken nog intenser meevoeren naar de tijd van Bouts. Door die kostbaarheden denk je even dat de late middeleeuwen keurig en compleet in verschillende pakhuizen bewaard zijn gebleven en dat de twee Leuvense kosters gewoon een bestelformulier hebben ingevuld.

Maar een 'denkbeeldige' Bouts-tentoonstelling, ingericht in diezelfde Predikherenkerk, maakt aan de hand van kleurenkopiën duidelijk hoeveel er ook niet in bruikleen kon worden gegeven. Zoals dat mannenportret uit het Metropolitan Museum in New York, dat Dirk Bouts dichter bij deze tijd zou hebben gehaald, zo dichtbij dat we - volgens sommige deskundigen - eindelijk met diens zelfportret konden kennismaken.

Dat 'once in a lifetime'-gevoel was dus niet helemaal misplaatst. Straks moeten we Bouts inderdaad in boeken of op Internet bekijken, en missen we de lichtpuntjes op zijn kiezelstenen en de doorzichtige vleesjus op het tinnen bord, een restant van dat Laatste Avondmaal. En hoe hadden we dan kunnen kennismaken met de meest recente laatmiddeleeuwse aankoop van Leuven, een zeer groot 15de-eeuws paneel, dat in particulier bezit is opgedoken en dat in de Predikherenkerk zelfs meer bekijks krijgt dan de martelaren van Bouts.

Het gaat om een enorme zoekplaat met honderden figuren, torens, paarden, zuilen, honden, bomen en baldakijnen. De anonieme schilder bracht organisch alle scènes over het lijden van Christus in één compositie samen. Vandaar die drukte en dat kleurenkabaal in rood en goud en zwart en blauw.

Nee, dan is het beter kijken naar die onvermijdelijke eenzaamheid waar Dirk Bouts het over had.