Ode aan de droom

Monika Sauwer: Onrustige slapers. Verhalen. Contact, 125 blz. ƒ 29,90

'Er is één ding dat alle mannen en vrouwen zonder uitzondering in bed doen, en dat is liegen', schreef Philip Roth in Deception. 'Ze liegen over zichzelf en elkaar, over hun jeugd en hun huwelijk, over trouw en ontrouw, over hun ambities en voorliefde, kortom over alles.' Een soortgelijke visie spreekt uit Onrustige slapers, een bundel onderling verbonden verhalen van Monika Sauwer, maar haar benadering is filosofischer. Wat Roth 'liegen' noemt, heet bij haar dromen. Haar personages dromen zich een verleden, een heden en een toekomst bij elkaar en dat is wat hen interessant maakt. Niet hun bezigheden, heldendaden of droefenissen geven hun leven betekenis, maar de manier waarop zij in staat zijn hun bestaan te fictionaliseren.

Dromen is niet per definitie gebonden aan slapen, legt hoofdpersoon Gerda uit, als ze probeert haar nieuwe geliefde Peter een verleden aan te praten. Ons geheugen heeft volgens haar het vermogen haarscherp te onderscheiden tussen dagdroom, nachtdroom, herinnering of gelezen boeken. Maar soms, in de schemertoestand vlak voor het inslapen, als het bewustzijn minder waaks is, vervagen de grenzen. Terwijl ze haar minnaar met verhalen en wijn in een dergelijke heilzame sluimertoestand tracht te brengen, maakt ze duidelijk zelf nuchter te willen blijven. Teveel roezen heeft ze al beleefd in haar leven, ze wenst zich voortaan te 'bedrinken aan de werkelijkheid'.

Wat dat betreft kan ze haar lol op met de alcoholische Peter, een wetenschapsredacteur die niet moe wordt te herhalen dat 'leven niets anders is dan strerrenstof', ofwel 'zelfreproducerende macromoleculen'. Voor deze fantasieloze man heeft ze haar vriend Simon verlaten. Ze hoopte met een nieuwe geliefde op een nieuwe manier naar zichzelf te kunnen kijken, maar vervolgens ziet ze niets meer.

Terugblikkend op haar leven met Simon ontdekt ze hoe cruciaal kijken voor haar is. Kijken is in wezen hetzelfde als dromen, omdat in beide gevallen het onderbewuste de binnenkomende beelden selecteert. Welke beelden bewaard worden is niet aan haar, ervaart Gerda, maar aan een 'keuzecommissie' in haar hoofd, waarover ze zelf geen baas is.

Tijdens een vakantie met Simon heeft ze een erotische droom over Helmut Kohl, een droom waaraan ze zich overdag in de auto opnieuw overgeeft. Nog steeds voelt ze 'een zweem van geilheid en vertedering' als ze aan de bondskanselier denkt als aan 'de vleesberg waar zachte schuddingen doorheen golfden als hij liep, zompig en lichtvoetig tegelijk'. Aan deze droom ontleent ze het inzicht dat ze dikke mannen boeiend vindt. Voortaan zal ze anders gaan kijken. 'Van nu af aan wordt alles op een hoger plan getild. De werkelijkheid als nieuw, wat verse waarneming al niet vermag.'

Wat dit droomkijken met de werkelijkheid kan doen, demonstreert Sauwer meesterlijk in deze lucide verhalen die samen een roman vormen. Door Gerda's ogen verandert het uitzicht op een alledaags Frans dorpspleintje in een prachtig schilderij, ik stel me voor: zoals Willink het zou schilderen. Een minutieus beschreven hoekhuis roept een sterk seksueel verlangen in haar op, vooral als er achter het raam een man 'in een wit onderhemd en een blauw-wit gestreepte pyjamabroek' verschijnt. Aan de onuitgeslapen, zich onbespied wanende kerel is op het eerste gezicht niets bijzonders te zien. Maar Gerda maakt er wat van. Louter door geconcentreerd kijken en beschrijven haalt ze hem zo dichtbij dat ze hem bijna kan voelen, ruiken, aanraken. Deze mooie en betekenisvolle passage eindigt met een korte masturbatiescène in de wc van het café van waaruit ze de man heeft bespied. Terwijl ze zich afvraagt of haar lustobject vrachtwagenchauffeur of bouwvakkewr is en zich vertederd realiseert dat hij kaal is, ritst ze haar broek open en wring haar rechterhand naarbinnen. 'Staande, kuiten en dijen gespannen als veren, werkte ze zich snel naar een hevige, maar kortstondige genotskramp toe.'

Behalve Gerda's kijk op de werkelijkheid leren we ook die van Simon en diens stokoude vriendin Lea kennen. Simon heeft ooit naar Gerda gekeken zoals zij naar de Franse man: hij heeft een verhaal van haar gemaakt en is dat verhaal binnengestapt. Dat gebeurde in het Rijksmuseum waar vele jaren later Lea zijn leven binnenkomt. De overeenkomst tussen hen is dat ze allebei hun verhaal kwijt zijn: hij omdat hij depressief is, zij als gevolg van dementie. 'Het is', zegt Lea, 'of je bent weggestuurd uit je eigen leven. Ze hebben je verbannen en je mag niet meer terug. Je moet blijven waar je bent: in je eigen hoofd. En je mag nooit meer terug.' Pas als zij de kans krijgt om nog eenmaal - door scherp te observeren - buiten zichzelf te treden, lukt het haar te ontsnappen.

Onrustige slapers, veruit het beste wat Sauwer tot nu toe schreef, is een ode aan de droom. Haar vermogen tot dromen is het gereedschap waarmee ze de werkelijkheid duidt en opnieuw vormgeeft.