Neêrlands bloed in een pannetje

Louis Peter Grijp (red.): Nationale hymnen. Het Wilhelmus en zijn buren. SUN/Meertens Instituut, 207 blz. ƒ 29,50

'Wilhelmus van Nassouwe / die kreeg een nieuwe fiets / zijn vader moest hem douwen / want trappen kon-ie niet.' Deze oneerbiedige versie van het Wilhelmus zongen we op de lagere school. Niet in de klas natuurlijk, daar zwoegden we op de echte tekst voor de aubade op koninginnedag, maar op het schoolplein, net buiten bereik van het schoolmeesterlijk gehoor. Sinds het lezen van het boek Nationale hymnen. Het Wilhelmus en zijn buren weet ik dat het hier gaat om een contrafact, een tekstvariatie op de oorspronkelijke muziek. Contrafacten zijn soms pogingen tot actualisering, soms parodieën, soms domweg onzinnig, zoals bovenstaande. Zij spelen een belangrijke rol in dit boek dat zich niet richt op het klassieke thema van ontstaan en auteurschap van het Wilhelmus - we weten intussen dat Marnix van Sint-Aldegonde zeker niet de dichter is geweest - maar meer op de Werdegang van ons volkslied door de eeuwen heen. Contrafacten zijn een waardevol hulpmiddel om de populariteit en het effect van volksliederen te meten. En dan is een parodie, hoe vuig ook, altijd nog beter dan vergetelheid.

Redacteur Louis Peter Grijp vraagt zich af hoe het toch komt dat het Wilhelmus tegenwoordig zo populair is, veel populairder naar zijn idee dan de volksliederen van de ons omringende landen. Of dat idee klopt, weet ik niet. Vast wel als het gaat om België, waar de Brabançonne de concurrentie te duchten heeft van de Vlaamse Leeuw, maar of het ook geldt voor Frankrijk vraag ik me af. De Marseillaise roept wel eens wat controverse op, maar is toch een springlevend volkslied, zoals Willem Frijhoff demonstreert. In elk geval gaat het Wilhelmus prat op de status van oudste volkslied ter wereld, in de zin van een vaste combinatie van tekst en melodie. Ook toen dat genre nog niet bestond, had het Wilhelmus tot op zekere hoogte al de functie van nationale hymne. Tot op zekere hoogte, want tijdens de Republiek was het allereerst de hymne van het Oranjehuis. Daardoor deelde het ook in de ambivalenties van de stadhouderlijke positie: eenheidssymbool en partijsymbool tegelijk.

Toch was die geur van Oranje-partijdigheid zeker niet de reden waarom het Wilhelmus na 1813 niet het officiële volkslied van het nieuwe koninkrijk werd.

Dat zou ook een vreemde reden zijn geweest, want Oranje werd na de Franse tijd juist teruggeroepen als nationaal symbool en kroon op de herstelde onafhankelijkheid. Het uitschrijven van een prijsvraag voor een nieuw volkslied - een particulier inititiatief van admiraal Van Kinsbergen - werd ingegeven door de behoefte aan een qua tekst en melodie eigentijdse hymne die tegelijk nationaal verbindend, stichtend, opvoedend, ontroerend en nog veel meer zou moeten zijn. Winnaar van de prijsvraag werd volksdichter nummer één Hendrik Tollens met 'Wien Neêrlandsch bloed in de aders vloeit / Van vreemde smetten vrij' (Het vroeg twintigste-eeuws contrafact luidt: 'Wie Neêrlands bloed in een pannetje doet / en het op de kachel zet.') Tollens etaleerde zijn dichterschap door acht coupletten lang variaties te produceren op de heuglijke verbinding tussen vorst en vaderland, alles uiteraard onder goddelijk oppertoezicht. Een meezinger werd zijn lied pas door de chauvinistische opwinding bij de Belgische Opstand toen Noord-Nederland in de Belgen weer 'vreemde smetten' had om zich van te bevrijden. Het Wilhelmus werd intussen niet vergeten en het is zeker niet toevallig dat koning Willem III juist na de constitutionele omwenteling van 1848 het lied een nieuwe functie gaf op een terrein waar hij zich nog boven de Grondwet verheven waande: als opperbevelhebber van het leger. In 1855 verordonneerde hij dat het gespeeld moest worden bij alle militaire plechtigheden en inspecties waar hij aanwezig was.

De toen gangbare melodie was nog de vrolijke Prinsenmars uit de achttiende eeuw. De echte comeback van het Wilhelmus begon in Duitsland waar een geromantiseerde versie van de oude koraalmelodie uit Valerius' Gedenck-clanck opgang maakte, gecomponeerd door Eduard Kremser. Niemand minder dan keizer Wilhelm II, een nazaat van de Zwijger die het kleine Nederland graag aan zijn groot-Duitse borst koesterde, zette zich in om het Wilhelmus in deze versie populair te maken. Koningin Wilhelmina hielp ijverig mee. Op een tuinfeest op Het Loo liet zij eens drie verschillende varianten spelen, als ging het om een voorronde van het songfestival. Bij haar inhuldiging in 1898 was het Wilhelmus twee keer te horen: eerst 'vrolijk schallende' op de muziek van de Prinsenmars, later in de Nieuwe Kerk in de thans gebruikelijke gedragen koraalversie. En waar koningin Wihelmina een ikoon werd van het nationalisme dat Nederland omstreeks 1900 in zijn ban had, gingen Oranjehymne en nationale hymne haast vanzelf samenvallen. Wien Neêrlandsch bloed had het nakijken en werd in 1932 ook officieel als volkslied afgeschaft. Alleen de socialisten beschouwden het Wilhelmus vooralsnog als een 'lied van de reactie' (Simon Carmiggelt) en hielden mokkend hun mond. Pas tijdens de Tweede Wereldoorlog zouden ook zij het Wilhelmus gaan meezingen.

De huidige populariteit van het Wilhelmus hoeft niet te verbazen. Het heeft bovenal een prachtige melodie die elke slagersjongen kan meeneuriën en wordt nog steeds ervaren als Oranjehymne en nationale hymne ineen. Dat vrijwel niemand de tekst kent, doet - anders dan bezorgde vaderlanders soms vinden - weinig terzake. Het gaat bij volksliederen meer om het ritueel dan om de woorden. De tekst is bovendien zo gedateerd dat hij hoogstens als een soort bezweringsformule dienst kan doen: met enige moeite nog wel uit het hoofd te leren maar voor de gemiddelde Nederlander toch vrijwel onbegrijpelijk. Misschien roept die tekst nog vage associaties op aan een groots verleden. Het fijne daarvan weten we echter allang niet meer. Daarmee past het Wilhelmus perfect bij het geheugenloze nationaliteitsbesef van deze tijd dat behoefte heeft aan simpele, direct aansprekende symbolen zoals de kleur Oranje en een pakkende herkenningsmelodie. Ik vraag me wel af of we niet veel te braaf met ons volkslied omspringen. Een levende nationale hymne, zoals deze boeiende bundel overduidelijk laat zien, bestaat mede bij de gratie van de nodige spot en naäperij en hoort ook zo nu en dan wat politiek gekrakeel los te maken. Dat gebeurt in Frankrijk nog regelmatig en was in de jaren dertig ook in Nederland het geval toen de N.S.B. het Wilhelmus naar zich toe probeerde te trekken en de socialisten er juist weinig van wilden weten. Misschien zou het Koninklijk Concertgebouworkest het Volkslied van Louis Andriessen uit 1974, waarin de klanken van het Wilhelmus overvloeien in die van de Internationale, eens op het repertoire moeten zetten.