Kroongetuige tegen Cali-kartel

De Haagse officier van justitie eiste gisteren acht jaar cel tegen Arnoldo Luis Quiceno Botero. De verdachte zou de leider zijn van een berucht cocaïne-kartel.

DEN HAAG, 25 SEPT. Een klein Colombiaans mannetje, met witte gympen en een spijkerbroek: Arnoldo Luis Quiceno Botero, vermeend topman van het beruchte Colombiaanse Cali-kartel. Hij mag van de president van de Haagse rechtbank een vraag stellen en richt zich tot de enige getuige: “Kijk me aan! Wij hebben elkaar ontmoet, maar we hebben nooit, nooit over zaken gesproken.”

De man tot wie hij zich richt, een 28-jarige Hagenaar, heeft zojuist verklaard dat Quiceno Botero de leiding had over een organisatie die cocaïne vanuit Colombia naar Europa transporteerde. “Honderden kilo's.” Als 21-jarige jongen werkte hij er zelf aan mee. Hij bezocht Colombia vijf keer en haalde op verschillende plekken in Europa cocaïne op en bracht de lading naar Nederland. Vijfduizend gulden per kilo, soms vijftig kilo per keer. De handel werd verborgen onder boten - aan de kiel - of tussen de vloeren en wanden. In 1992 werd hij veroordeeld tot zes jaar, in 1996 kwam hij vrij.

Een jaar later werd hij benaderd door een inspecteur van het Haagse Sfinx-project, een geheime operatie met als belangrijkste doel de ontmanteling van de organisatie rond Quiceno Botero. Of hij wilde getuigen. De voormalige snackbarhouder ging akkoord. Voor zijn verklaring krijgt hij van het OM 25.000 gulden. “Maar ik had ook voor niks getuigd. Dat geld heb ik nodig om veiligheidsmaatregelen te treffen”, zegt hij. De afspraak leidde in juni van dit jaar tot Kamervragen aan toenmalig minister van Justitie Sorgdrager.

De Hagenaar vormt de spil in de bewijsvoering tegen Quiceno Botero, een Colombiaan die al in 1989 een bekende was van het toenmalige Holland-Colombia team (Holco). De Nederlandse politie houdt Quiceno Botero verantwoordelijk voor tachtig procent van de toevoer van cocaïne naar Europa. Het Amerikaanse Drug Enforcement Agency (D.E.A.) onderschrijft dat. Op 22 december vorig jaar werd de Colombiaan aangehouden op Curaçao, waar hij met zijn familie vakantie wilde gaan vieren. Gisteren stond hij voor de rechtbank wegens betrokkenheid bij drie cocaïnetransporten. Göteborg, 1991, 56 kilo. Bremen, 1992, 36 kilo. Rostock, 1992, 140 kilo. Betrekkelijk geringe hoeveelheden. Volgens de kroongetuige was een deel van de cocaïne het eigendom van Quiceno Botero, Lucho voor intimi. “Dat heb ik gehoord van Gustavo, een neef van Lucho.” Dat Quiceno Botero aan het hoofd van de organisatie stond, maakt de getuige op uit opmerkingen van familieleden: “Dat zeiden Gustavo en El Primo.” Volgens de voormalige snackbarhouder is Lucho betrokken geweest bij nog veel meer transporten, maar daar had hij zelf niets mee te maken. De officier van justitie, G. Haverkate, eist acht jaar.

Quiceno Botero wordt bijgestaan door drie advocaten, die ieder een deel van de verdediging op zich nemen. Volgens H. Koopman is de getuige ongeloofwaardig. “Terwijl hij in feite een loopjongen is, wijst hij Quiceno Botero aan als topman op basis van horen-zeggen. En die betrokkenheid van mijn cliënt blijkt niet uit de verklaringen van andere arrestanten of uit bewijsgaring door de politie”, aldus Koopman.

Maar het meest cruciale bezwaar van de verdediging draait om de betaling aan de kroongetuige. Volgens de officier van justitie is aan alle voorwaarden van de 'Richtlijn voor afspraken met criminelen' voldaan.

Volgens 'kroongetuige-expert' G. Spong is het bezwaarlijk dat de getuige met het OM precies heeft afgesproken wat hij gaat verklaren. De rechter doet uitspraak over twee weken.