Keramische avonturen

Janet Koplos e.a.: The unexpected. Artists' ceramics of the 20th century. Museum Het Kruithuis, 190 blz. ƒ 99,95

In 1946 bezocht Picasso tijdens een vakantie in Zuid-Frankrijk het pottenbakkersdorp Vallauris en ontdekte daar het atelier van Suzanne en Georges Ramié. Hij ging naar binnen en maakte, louter als ontspanning, een faunshoofd en een paar stiertjes. Het jaar daarop keerde hij terug en bekeek de drie inmiddels gebakken probeersels. Het resultaat beviel hem zó dat hij tot aan zijn dood regelmatig bij het echtpaar met klei bleef experimenteren. Alleen al in 1947 bedroeg de oogst aan door Picasso gedecoreerde schalen en kannen ruim tweeduizend stuks. Scènes uit stierengevechten op een bord, een kan in de gedaante van een uil of een vrouwenhoofd, tegels met duiven, het zijn dezelfde motieven die op zijn tekeningen en schilderijen voorkomen, maar dan driedimensionaal geworden door de holte van een kom of de reliëfrand van een schotel. Soms trof Picasso in Vallauris zijn collega Marc Chagall, bezig met het aanbrengen van dromerige en sprookjesachtige taferelen op de klei-objecten. Chagall, die altijd twijfelde hoe zijn kleuren zouden uitvallen na een verblijf in de pottenbakkersoven, miste het zelfbewustzijn van Picasso en maakte zich dan ijlings uit de voeten.

Chagall en Picasso zijn niet de enige schilders die belangstelling voor keramiek koesterden. In een recente publicatie van Museum Het Kruithuis komen nog twintig andere kunstenaars aan de orde, voor korte of lange tijd 'visitors to clay', zoals auteur Janet Koplos hen noemt.

Het mooi vormgegeven en royaal geïllustreerde Engelstalige boek begeleidt een naar Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland reizende tentoonstelling van ongeveer zeventig voorbeelden van wat 'kunstenaarskeramiek' wordt genoemd: gedecoreerde (minder vaak ook gevormde of gedraaide) objecten van bekende twintigste-eeuwse schilders. De oudste voorwerpen uit deze deelcollectie van het Bossche museum zijn omstreeks 1910 gemaakt door de Fauvist Maurice De Vlaminck. Na jongere Fransen als Dufy, Braque, Cocteau en Léger - van wie La pomme jaune, een plaqette met heftige contouren en felle kleuren is afgebeeld - komen de Cobraschilders aan de orde. Van hen bezat vooral de Deen Asger Jorn een natuurlijke aanleg voor keramiek. Met zijn vrijstaande fantasiewezens ging hij vele stappen verder dan het beschilderen van borden: Jorns beelden behoren tot de sculptuur.

Tot de jongste generatie kunstenaars behoren twee uitersten: de Italiaan Mimo Paladino en de Nederlander Hans van Hoek. De eerste heeft in 1993 een reeks vasi ermetici beschilderd: koele, glanzende karaffen met een kleine stop, steeds in dezelfde mal gemaakt. Paladino's toevoegingen zijn summier. De evocatieve kracht van een enkele letter, een twijgje of een dierenkop verraden Paladino's liefde voor archeologische sporen en mysterieuze vondsten. Bij Hans van Hoek daarentegen is alles in beweging. Hij kneedt en mishandelt de klei en hoopt die op tot reliëfs met een voorstelling die de christelijke doop als onderwerp heeft, maar door de overdadige kleuren en de bruuske bewerking is er geen sprake van zoetsappige vroomheid.

Het boek brengt het keramische werk nadrukkelijk in verband met de schilderijen van de verschillende kunstenaars. Duidelijk is dat hun motieven en handschrift ook in een ander materiaal onveranderd blijven. Het unexpected uit de titel heeft slechts betrekking op de schilders zèlf. Van de meesten hadden we nooit een keramiekavontuur verwacht.