Ik voelde me gelukkig als verzamelaar; Geoffrey Donaldson over de zwijgende Nederlandse film

Er is niemand die zoveel weet over de zwijgende Nederlandse film als de Australiër Geoffrey Donaldson. Zijn belangstelling ontstond toevallig en resulteerde vorig jaar in een voorbeeldig uitgevoerd boek. Bij de opening van de Nederlandse Film Dagen, ontving hij afgelopen woensdag in Utrecht een Gouden Kalf voor zijn levenswerk.

Zijn boek ligt op de koffietafel, maar er liggen andere boeken bovenop en ook elders in de kleine zitkamer zijn boeken, tijdschriften en mappen opgestapeld. Geoffrey Donaldson maakt een verontschuldigend gebaar. Eigenlijk is hij nogal lui, zegt hij - elke keer als hij denkt dat hij nodig iets moet opruimen, komt er subiet een andere gedachte in hem op: ja, morgen. Maar in zijn verzameling kent hij de weg, en als hij een kastdeur opent, is daarachter een ordelijke rij hangmappen te zien. Alles staat alfabetisch gerangschikt; één greep is genoeg om het dossiertje van een lang geleden overleden actrice tevoorschijn te halen. Een compliment wuift hij weg. Men is verzamelaar of men is het niet, en hij is het.

Woensdagavond, bij de opening van het Nederlands Film Festival, werd aan Geoffrey Donaldson (68) de Cultuurprijs van het festival uitgereikt. Men prees zijn jarenlange onderzoek naar de oertijd van de Nederlandse film, dat vorig jaar leidde tot zijn levenswerk: het lijvige, voorbeeldig uitgevoerde naslagwerk Of Joy and Sorrow, een Engelstalige inventarisatie van alles wat er in dit land aan fictie is gemaakt tussen 1896 en 1933, in de periode van de zwijgende film. Het is letterlijk en figuurlijk een gewichtig boek; nooit eerder was het terrein zo compleet en zo overzichtelijk in beeld gebracht. In totaal bevat het feitelijke gegevens over 342 films en filmpjes, waarvan maar liefst driekwart in de tussentijd is zoekgeraakt - zo slordig is er sindsdien met dit materiaal omgesprongen. Ontmoedigend vaak moest Donaldson zijn lemma's afsluiten met het zinnetje: 'the film is missing'.

“Natuurlijk zijn er nog buitenlandse archieven waar ik nooit ben geweest en waar waarschijnlijk nog ongeïdentificeerde films liggen”, zegt hij hoopvol. “En ook uit privé-verzamelingen kan nog het nodige komen. Het zou niet de eerste keer zijn, dat er iets bijzonders opduikt uit de nalatenschap van iemand die is overleden en die nooit zijn materiaal heeft willen afstaan. Zo'n filmografie is dus nooit klaar. Toch heeft het Filmmuseum mij ertoe aangezet om er nu toch eindelijk een boek van te maken. Dat vond ik begrijpelijk. Ik had wel tot mijn dood kunnen doorgaan met onderzoeken, maar dan was er nooit een boek verschenen.”

Of Joy and Sorrow is het resultaat van de naspeuringen die Geoffrey Donaldson sinds het begin van de jaren zestig heeft verricht. Decennia lang was hij ook de enige die zich met dit onderwerp bezig hield - op Simon van Collem na, die in de jaren zestig onder de titel Uit de oude draaidoos televisieprogramma's maakte en er ook een anekdotisch boek over publiceerde. “Simon is de eerste geweest die weer enige belangstelling heeft gewekt voor de Nederlandse zwijgende film”, zegt hij. “Wij hebben wel ruzie gehad. Simon was een goeie raconteur, hij kon heel goed verhalen vertellen, maar hij nam altijd voetstoots aan wat iedereen hem zei. In zijn boek staan soms foto's uit één film onder drie verschillende titels vermeld. Dat krijg je als je louter afgaat op herinneringen. Zelf heb ik, als ik mensen uit die tijd interviewde, ook altijd gevraagd naar foto's, knipsels, programmaboekjes - die kunnen niet liegen en die kunnen ook geen fouten maken.”

Annie Bos-atlas

Tot degenen die hij nog persoonlijk heeft kunnen raadplegen, behoorde de in 1975 overleden actrice Annie Bos, aan wie Of Joy and Sorrow is opgedragen. Op het omslag is ze afgebeeld in een scène uit De wraak van het visschersmeisje (1914) waarvan nog een incomplete versie bewaard is gebleven. Donaldson komt de eer toe haar te hebben herontdekt als Nederlands eerste grote filmster, een overrompelend expressieve actrice die weinig toneel heeft gespeeld, maar des te meer filmrollen. Van alle acteursnamen in de index komt de hare het meest voor. Zijn boek kreeg daarom de bijnaam De grote Annie Bos-atlas. “Dat vind ik leuk, ja. Het geeft aan, dat haar naam weer iets is gaan betekenen.”

Graag haalt hij herinneringen op aan zijn ontmoetingen met hoogbejaarde acteurs en actrices, die bereidwillig in hun geheugen groeven en honderduit over hun triomfen vertelden - ook als Donaldson wist dat ze in werkelijkheid lang niet zo prominent waren geweest. “Vaak begonnen ze die gesprekken in mooi gearticuleerde toneeltaal”, vertelt hij. “Naarmate er wat was gedronken, gingen ze steeds gewoner praten.”

Soms kwam door een klein detail ook een groter verhaal aan het licht. “Bij een bezoek aan Annie Bos had ik foto's meegebracht, in de hoop dat zij die zou kunnen identificeren. Toen wees ze op één van die foto's op iemand en zei: ik weet niet wie dat mens is, maar ze draagt mijn jurk. Het bleek zo te zijn, dat de acteurs en de actrices hun eigen kleding moesten meenemen als de film in de moderne tijd speelde. Maar een actrice als zij kon natuurlijk in de volgende film niet weer diezelfde jurk dragen. Dan werd zo'n kledingstuk in de garderobe van de studio bewaard, zodat er bij een volgende film bijvoorbeeld een figurante mee kon worden gekleed. De vrouw die door Annie Bos niet kon worden geïdentificeerd, is dus waarschijnlijk een figurante geweest.”

Met enkele van zijn gesprekspartners groeide in de loop van de tijd een zekere vorm van vriendschap. Boven zijn bed in een zijkamertje-en-suite hangt het portret dat Piet van der Hem maakte van de actrice Coba Kinsbergen, en dat zij hem cadeau deed. “Ze heeft me verteld dat Van der Hem in diezelfde tijd werkte aan een portret van Mata Hari”, zegt hij op mijn vraag. Een beetje verlegen haalt hij er zijn schouders bij op; uit zichzelf zou hij er nooit over begonnen zijn.

Brief

Donaldson is, zoals hij in zijn Rotterdamse flat mijn vragen beantwoordt en thee en koekjes offreert, vriendelijk en voorkomend, maar ook vormelijk. Met tutoyeren beginnen we pas na ruim twee uur praten, en daarna vergist hij zich af en toe toch nog. Hij vertelt dat hij, als iemand hem wil raadplegen, bij voorkeur vraagt hem eerst een brief te schrijven. Dan weet hij tenminste wat er precies van hem wordt verlangd. Aan de telefoon gaat er zo gauw iets verloren. Zoals hij spreekt - bedachtzaam, maar zonder naar woorden te hoeven zoeken, en met niet meer dan een enkele on-Nederlands dikke medeklinker - is het verbazingwekkend dat hij uit de Australische stad Newcastle komt. Bovendien zullen er niet veel Nederlanders zijn met zo'n verbluffend parate kennis van de Nederlandse film- en amusementsgeschiedenis als hij.

Vijf jaar lang werkte Geoffrey Neville Donaldson in Australië als leraar, en intussen was hij ook al begonnen met het verzamelen van filmfoto's en informatiemappen. Zijn favoriete genre is de musicalfilm. Hij noemt The Wizard of Oz (“ik weet niet hóe vaak ik die heb gezien”), On the town en Singing in the rain. Maar als rechtgeaard verzamelaar wilde hij álles hebben over álle films.

“Ik schreef meestal de perschefs van de filmmaatschappijen aan, om foto's en persmappen. In filmkringen heb ik me ook daar nooit bewogen. Ik hou wel van glamour, maar liever een beetje uit de verte. Ik was eens in Rome bij een receptie voor een acteur, waar de perschef steeds de journalisten bij de buffetten moest weghalen om even een paar woorden met die acteur te wisselen. Dat is mijn wereld niet.”

Toen hem de kans werd geboden leraar in Engeland te worden, wilde hij eerst wat rondkijken op het Europese vasteland, al was het maar omdat hij in Nederland een correspondentievriendin had. Uiteindelijk is hij nooit in Engeland aangekomen. In 1955 kwam Geoffrey Donaldson in Nederland wonen. Na een baantje in het magazijn van de Bijenkorf kreeg hij een aanstelling bij Unilever, als correspondent en vertaler op de octrooi-afdeling.

“De eerste jaren was het interessant werk, waarmee ik bovendien genoeg verdiende om me mijn verzamelhobby te permitteren. Op den duur ging het me vervelen, omdat het een sleur werd. De laatste paar jaar verlangde ik wel om weg te gaan. Toch heb ik mijn tijd netjes uitgezeten. Op mijn zestigste mocht ik weg. Maar het is niet zo dat ik al die jaren zielig ben geweest hoor, daar was geen sprake van. Ik voelde me happy als verzamelaar. Ik moest in het begin ook altijd een beetje lachen als men mij filmhistoricus noemde. Dat ben je volgens mij pas als je ervoor hebt gestudeerd - en daar was ik het type niet voor. Mijn vriend, die intussen is gestorven, noemde me wel eens spottend filmhystericus. Maar het verzamelen kwam op de eerste plaats, en de film op de tweede.”

Dat de Nederlandse zwijgende film zijn grootste verzamel- en studie-object is geworden, was toeval. Iemand uit Polen, met wie hij al eerder allerlei gegevens had uitgewisseld, vroeg hem begin jaren zestig om een lijst van Nederlandse films. Donaldson nam contact op met het Filmmuseum, in de veronderstelling dat ze daar zo'n lijst wel zouden hebben. Maar nee.

“Toen heb ik uit hun collectie alle filmvakbladen geleend en heb daaruit - vóór de komst van de fotokopieerapparaten - gegevens overgetypt. Daarna heb ik er, hier in de Rotterdamse bibliotheek, de jaargangen van de NRC tot 1940 op nageslagen. Toen ik daarmee klaar was, ben ik begonnen met het Rotterdamsch Nieuwsblad, waarin destijds meer aandacht aan film werd besteed en waarin ook meer advertenties stonden. Daarna tijdschriften als Het Leven. En zo verder. Gelukkig was de bibliotheek een paar avonden per week open, zodat ik dat naast mijn werk kon doen. En op zaterdag natuurlijk.

“Zelf had ik toen nog niet één Nederlandse film uit die tijd gezien. De eerste keer dat ik in het Filmmuseum was om iets te zien, zodat ik dat zou kunnen beschrijven, was ik zelfs een beetje bang dat het me zou tegenvallen. Maar gelukkig vond ik het heel fris en aardig wat ik zag. In elk geval was ik niet teleurgesteld. Dat het allemaal meesterwerken zouden zijn, heb ik nooit beweerd. Meestal mankeert er wel iets aan, in het acteren of in de manier waarop het verhaal wordt verteld. Echt goede regisseurs waren er hier toen niet. Annie Bos zei me, dat ze van haar carrière heeft genoten, maar dat ze het altijd als een gemis heeft ervaren dat ze nooit een goeie regisseur heeft gehad.

Amusementsfilm

“Ik vind niet dat je deze films moet vergelijken met de bekende klassieke films. Simon van Collem heeft De zwarte tulp eens vergeleken met Pantserkruiser Potemkin, dat vond ik onrechtvaardig. Het geheim van Delft is geen Intolerance. Een doorsnee-amusementsfilm moet je vergelijken met een andere doorsnee-amusementsfilm, en niet met een meesterwerk. Men heeft hier jarenlang nogal geïsoleerd moeten werken, zeker tijdens de eerste wereldoorlog. Birth of a nation is hier destijds zelfs nooit vertoond, volgens mij. Men was afhankelijk van wat er in de jaren tien in Duitsland en Engeland werd gemaakt, en dat was óók niet allemaal even geweldig.

“Wat me altijd heeft geïrriteerd, was als er zomaar werd beweerd hoe slecht de Nederlandse films uit die tijd zijn geweest. Ooit las ik in een boekje dat de Nederlandse stomme films werkelijk stom waren. Alleen dat was voor mij al een reden om consequent over zwijgende films te spreken in plaats van over stomme. Daar kwam nog bij, dat de auteur ter illustratie een paar titels noemde die hij niet gezien kán hebben omdat ze in mijn boek nog steeds voorkomen als 'missing'. Ik vind dat je dan nooit tot zo'n oordeel mag komen.”

“Ook na de oorlog zijn er trouwens in Nederland soms heel behoorlijke films gemaakt. Ik heb destijds bijvoorbeeld met veel plezier gekeken naar Angela en Als twee druppels water. Maar het is niet zo dat ik een uitgesproken voorkeur heb voor films van één bepaalde nationaliteit, en het is ook niet zo dat ik vaak naar de bioscoop ga. De laatste film die ik in de bioscoop heb gezien, was Evita. De meeste films zie ik op de televisie. Maar het verbaast mij, gezien de Academy Awards voor De aanslag, Antonia en Karakter, dat veel buitenlanders zulke films kennelijk hoger waarderen dan de meeste mensen hier.

“Jarenlang heb ik ook van alle nieuwe Nederlandse films foto's en persmappen opgevraagd, maar dat doe ik nu niet meer. Ik neem aan dat het Filmmuseum die ook wel zal krijgen. Het materiaal dat ik hier heb, gaat na mijn dood naar het Filmmuseum. In de tussentijd probeer ik zo veel mogelijk te helpen als iemand materiaal van mij wil raadplegen. Het heeft toch geen enkele zin om dingen te verzamelen die niemand anders mag inzien?”

Hij vertelt dat het Nederlands Film Festival hem dit jaar dagelijks vervoer naar Utrecht heeft aangeboden en een passe-partout voor alle voorstellingen. Daarvan heeft hij alleen afgelopen woensdagavond gebruik gemaakt, voor de prijsuitreiking, want dat was een speciale avond. Verder heeft hij er geen behoefte aan om elke dag de rol van eregast te spelen. Hij blijft liever thuis. Het dankwoordje dat van hem werd verwacht, lag hem vooraf al zwaar genoeg op de maag. Hij demonstreert, met een kleur, hoe hij er vorig jaar bij zat toen zijn boek ten doop werd gehouden: met trillende handen.