Hotelvlekken

DÜSSELDORF. Tijdens het schilderen bevlekte ik per ongeluk een stukje muur van hotel Stern. En een stukje tapijt.

Ik was bezig aan een schilderij dat voornamelijk bestond uit de tekst: 'Mijn schilderijen hebben wat mijn literatuur zo mist: diepgang.' Toen gebeurde het. Ik had er nog wel kranten onder gelegd, maar als ik een penseel in mijn hand heb ben ik niet te houden.

Het schilderij is overigens onderdeel van een serie. Op een tweede komt te staan: 'Mijn schilderijen hebben wat mijn literatuur zo mist: echte emoties.' En op een derde: 'Mijn schilderijen hebben wat mijn literatuur zo mist: humor met een bodem.'

De eigenaar van hotel Stern was ziedend. Hij riep wel vier keer: 'Dit kan ik niet geloven.' Vervolgens belde hij met het Schauspielhaus dat de kamer voor mij gereserveerd en betaald had.

“Herr Grünberg richt een ravage aan in zijn hotelkamer”, gaf hij door aan de secretaresse van de zakelijk leider, “hij is onhoudbaar.” Ik ben al op vele plaatsen voor onhoudbaar versleten, maar nog nooit in een hotel. En of ze mij daar bij het Schauspielhaus in bedwang wilden houden. Alsof ik een soort Johnny Rotten was. Terwijl we het hadden over één vierkante centimeter op het tapijt en één vierkante centimeter op het behang. Dat kun je geen Johnny Rotten noemen.

Ik had nog wel geprobeerd met tipex de vlek op de muur onzichtbaar te maken. Al vele vlekken in hotelkamers heb ik met tipex onzichtbaar gemaakt. Als je veel reist heb je tipex eigenlijk net zo vaak nodig als een tandenborstel. Maar de eigenaar van hotel Stern keek dwars door tipex heen.

De secretaresse van het Schauspielhaus zei: “We hebben al vele auteurs op bezoek gehad, maar nog nooit zijn ze begonnen hun hotelkamer te beschilderen.”Ik gaf haar een grote bos bloemen, maar dat kon niet verhinderen dat ik moest verhuizen naar Helga Holch. Met het dringende verzoek de muren van mevrouw Holch smetteloos te laten.

Ik had natuurlijk nog kunnen wijzen op de joodse weken die net in Düsseldorf plaatsvonden. En uit kunnen leggen dat de verfspatten op de muur mijn bijdrage waren aan deze weken. Als het om vriendschap tusen volkeren gaat loop ik voorop. Als het om vriendschap tussen mensen gaat eigenlijk ook.

Mevrouw Holch was een dame van achter in de vijftig die de hele dag in een roze pyjama liep. Ze noemde haar kelder een appartement en dat verhuurde ze dan. 'Privé', zoals ze zelf zei.

Hoewel het in haar kelder naar rottende lijken rook deed ik mijn best de vriendschap van mevrouw Holch te winnen. Ik prees haar ontbijt. Zij glunderde en zei: “Ach, het is niets.” Twee maal probeerde ze mij te trakteren op een mandarijn, maar daarna drong ze niet meer aan. Op haar wc stond: 'Dit is een elektronische wc die alles fijn hakt.'

In het kader van de joodse weken in Düsseldorf had ik al een lezing gegeven met Amos Oz. Men ging er kennelijk van uit dat joden elkaar veel te zeggen hadden. Amos Oz sprak veel, maar dat was politiek. Hij verkondigde redelijke standpunten die natuurlijk ook mijn standpunten zijn, wie wil geen redelijk mens zijn, en als het een beetje kan ook nog humanistisch. Ik ben alleen meer geïnteresseerd in onredelijke standpunten. Als je een goed uitzicht op het leven wilt hebben, en op dat wat er na komt, kan je maar beter een onredelijk standpunt innemen. Aan het leven is tenslotte niet veel redelijks te ontdekken en aan de gaten die mensen in hun lichaam hebben ook niet.

Ik was hier voor de première van een stuk dat ik voor acht Duitse en acht Israelische acteurs geschreven had. Het 50-jarig bestaan van Israel had een speciale subsidie mogelijk gemaakt. Dat Israel 50 jaar bestaat vieren ze in Duitsland groot. Net alsof ze zelf een beetje jarig zijn.

“Bent u ook getroffen door de ramp”, vroeg een journaliste van de Rheinische Post.

“Vele rampen hebben mij getroffen, rampen in de vorm van vrouwen, mannen, honden, apothekers, uitgevers, journalisten. Over welke ramp wilt u het hebben? Vindt u mij een ramp?”

Ze vond mij geen ramp.

Het is een pukkeltje op je voorhoofd, probeerde ik nog uit te leggen. Joods zijn. Of drie of vier pukkeltjes. Niets om bang voor te zijn. Je kan er wel een hoop camouflagestift op smeren, maar vroeg of laat kijken de mensen dwars door de camouflagestift heen. Zoals de eigenaar van hotel Stern dwars door de tipex heen keek. En dan zeggen ze: “Wat een mooi pukkeltje heb je daar, wat romantisch, wat staat het je goed, en wat ruikt het lekker, mogen we er even aan zitten en mogen we er ook een kusje op geven, mogen we het ook uitdrukken?”

Ik druk de jood uit zoals ik pukkeltjes uitdruk, begrijpt u?

Dat begreep ze niet.

Er valt niet tegenop te werken, je blijft je hele leven uitdrukken.

Ze sloeg haar opschrijfblokje dicht.

Zou het een hormonale storing zijn? Hoe meer lichamelijk contact, hoe minder last ik ervan heb. Amos Oz zei dat je ouders altijd op je schouders zitten, hoe oud je ook wordt. “Ook in bed”, voegde hij er dreigend aan toe. Waarom onderbroeken met lol worden geassocieerd is mij dan ook een raadsel, het is een tragedie. En het toneelstuk is niet goed bedoeld, ik wil geen begrip kweken, ik wil niets kweken, want ik ben geen kweker.

Toen namen we afscheid van elkaar.

De première naderde. Ik mocht niet meer direct met de regisseur spreken, alleen nog via de dramaturg. Gelukkig wilde ik helemaal niet met de regisseur spreken.

Ik maakte nog een schilderij waarop stond: 'Theater is de dood, maar Brian leeft.' Brian is de regisseur. De dramaturg hing het schilderijtje op in zijn wc, hoewel hij eigenlijk vond dat we het aan Brian hadden moeten geven. Brian was voor vele dingen bang, ook voor mij, maar het allerbangst was hij voor kitsch. Hij wilde kunst maken. Alleen de dood is saaier.

Hotel Stern diende een rekening in van drieduizend Mark voor een nieuw tapijt en het witten van de muren.

“Ik hoop dat je verzekerd bent”, zei de zakelijk leider van het Schauspielhaus, “anders was het een duur schilderijtje, want wij betalen niets.”

Ik telefoneerde met hotel Stern en zei: “Ik kan op een vrije avond zelf wel even de muur witten.” Maar de eigenaar van het hotel Stern zei: “Neem maar geen advocaat, dat wordt nog veel duurder.”

De dramaturg zei: “Nooit meer levende schrijvers, alleen nog maar dode, hoe doder hoe beter.” Maar na de première zei hij: “Ik kan me een leven zonder jou niet meer voorstellen, en ik ben al getrouwd.”

De ochtend na de première speelde ik minigolf. Het was een ingeving.

Er was gedanst in de kantine van het Schauspielhaus, dat wist ik nog. En de regisseur had mij op het toneel voor zo'n tweehonderd mensen hartstochtelijk omhelsd, hoewel ik hem al zes maanden niet had mogen faxen. Om het project niet in gevaar te brengen, terwijl ik nu juist zo graag projecten in gevaar breng. Vooral projecten.

Na het minigolfen moest ik nog een keer naar hotel Stern om de schade te zien die ik had aangericht, zei de eigenaar.

We liepen door de kamer, maar waar ik ook keek, nergens zag ik schade.

“Het is natuurlijk mijn zaak niet”, zei de eigenaar plotseling, “maar wat heeft u toch bezield?”

Ik dacht aan mijn schilderijen.

“Ach”, zei ik, “de meeste mensen zijn het concrete overblijfsel van een poging tot seks, maar ik ben het concrete overblijfsel van een poging tot wraak.”