Het Vuil

Toen mijn vader nog tuinder was, verklaarde hij bijna dagelijks de oorlog aan het vuil. In de Schrift stond waar het vuil vandaan kwam. Het Koninkrijk der Hemelen komt overeen met iemand die goed zaad gezaaid had in zijn akker. 'Doch terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide er onkruid overheen.' Wie was die vijand? In vers 28 van Mattheüs 13 noemt Jezus hem een vijandig mens, maar blijkbaar wist mijn vader beter. Die vijand was de Satan. Vandaar waarschijnlijk de verbitterde strijd ertegen: het was niet zomaar biggekruid of ganzevoet, nee, het was aanplant van de duivel. Daar mocht gerust parathion tegen gebruikt worden. Tegen zo'n vijand is elk onkruidbestrijdingsmiddel geoorloofd.

Mijn moeder, tuindersdochter, heeft die instelling nog steeds. Kondigt zij een bezoek aan, dan begeef ik mij terstond tussen mijn gewassen om het ergste onkruid te verwijderen. Desondanks zegt zij na haar rondgang tussen mijn bedden altijd enigszins vermanend: wat heb je toch een vuil staan.

Uiteraard is het vrijwel onmogenlijk om te tuinieren zonder te wieden. Toch valt dat mij zwaar. Ten eerste natuurlijk omdat ik lui ben. Ten tweede omdat op de klei het vuil beter wortelt dan op het zand en derhalve moeilijker te verwijderen is. Maar ten derde omdat ik eigenlijk zo'n enorm plezier heb in al die kleine plantjes die ongenood opschieten tussen je zaaigoed. Je ziet van die piepkleine, frisgroene kiemblaadjes en denkt: wat zou dat worden? Meestal wordt het gewoon weegbree of knopkruid of duizendknoop en gelukkig weet ik na zestien jaar zwoegen op de klei van veel kiemplantjes al welke soort ik onder handen heb en kan ik ze zonder gewetensbezwaar uittrekken. Maar overal schiet toch van alles op wat je niet kent en waarvan je denkt: wat mag dat wezen? Dan laat ik het staan. Blijkt dan vervolgens dat een onbekend adventief Malvaceetje of verdwaald Campanulaceetje jouw klei heeft uitgekozen om daarop zijn bloemenpracht te ontplooien, dan ruk ik het ook in een later stadium niet uit. Al weet je dan welke plantenfamilie je onder handen hebt, je wilt toch ook weten welk genus het is, en liefst zelfs welke soort. Je moet op z'n minst wachten tot de plant bloeit om hem te kunnen determineren. Ik zal u niet vermoeien met de lijst van bijzondere soorten die ik in de loop der jaren op mijn klei heb aangetroffen. Van veel soorten wilt u waarschijnlijk niet eens geloven dat ze zomaar uit het niets opkwamen tussen de prei - die staan in de laatste door Rudi van der Meijden bewerkte druk van de Flora van Nederland allemaal geboekt als 'zeld. tot zeer zeld.' Of 'achteruitgaand', dan wel 'adv. op enkele plaatsen.'

Ook echter bij soorten die volgens de Flora nog 'Alg.' zijn heb ik moeite om ze weg te wieden. Neem nou haagwinde. Het gemeenste onkruid wat er is. Overwoekert alles, en komt altijd weer op omdat je, al trek je het uit de grond, steevast zo'n dun wit stukje wortel laat zitten waaruit dan prompt een nieuw kiemplantje opschiet. Wat een plaag het ook is - ik kan maar niet vergeten hoe mooi ik als kind die tere hagelwitte kelkjes van de haagwinde vond. Ze heetten denigrerend 'pispotjes'. Toch zie ik nog steeds verroeste gazen afrasteringen van achtertuintjes voor me uit mijn jeugd die de haagwinde in de zomer transformeerde tot een duizelingwekkend wit wandtapijt. Bovendien kun je die onverwoestbaarheid van de haagwinde eigenlijk alleen maar bewonderen. Je weet: wat er ook gebeurt, al vlaagt er een atoomoorlog over de wereld, haagwinde zal onvervaard weer opkomen.

Omdat haagwinde altijd aan het langste eind zal trekken, is het niet moeilijk de korte eindjes uit de klei te rukken. Dat geldt echter niet voor een helmkruidachtige. Pas toen ik biologie studeerde heb ik dat plantje leren kennen. Tijdens excursies waarbij al mijn jaargenoten leerden om enorm op hun hoede te zijn. Soms trok je namelijk in je onschuld een plantje uit dat extreem zeldzaam was. Dan werd je bijna gelyncht door bovengenoemde Rudi. Die kende toen al elk plantje, elk mosje, elk grasje. Ik herinner mij nog dat hij in de buurt van Ellecom een zeldzaam Campanulaatje ontdekte waar hij vervolgens de wacht bij betrok. Wie in de buurt kwam, werd met de dood bedreigd.

Enfin, daar in Ellecom leerde ik ereprijs kennen. Noem mij een plantje wat mooier is. Kleine, meestal hemelsblauwe of blauwwitte bloemetjes. Soms ook witte bloemetjes, blauw geaderd. Waar bij mij ook maar akkerereprijs opkomt - ik laat het staan. Dan maar wat minder spinazie.