Het jaarlijkse Rossini-festival in Italië; Wij hebben Rossini in het bloed

Het jaarlijkse Rossini-festival in Pesaro is een soort 'laboratorium voor toegepaste musicologie'. Lang-vergeten opera's worden in ere hersteld, partituren worden gerepareerd en alles klinkt zoals Rossini het had bedoeld - met trillers en toppen en dalen.

Veel mensen slaan Pesaro over. Dit stadje langs de Adriatische kust kan met moeite wat bezienswaardigheden bij elkaar sprokkelen: een handvol kerken, het voormalige paleis van de hertog, een grote rots. In de zomer is het vooral zon en zee. Maar ieder jaar in augustus mengen opera-liefhebbers zich tussen de blotige badgasten, voor een uniek zomerfestival. Zij komen voor de Zwaan van Pesaro.

Dat is de bijnaam van Gioachino Rossini, hier geboren op 29 februari 1792, en zoals de meeste Italianen zijn geboortegrond altijd trouw gebleven. Hoewel hij Pesaro al op jonge leeftijd heeft verruild voor mondainere oorden en is gestorven in Parijs, heeft Rossini bij zijn dood in 1868 zijn omvangrijke vermogen nagelaten aan Pesaro. Hij wilde dat het zou worden gebruikt om een conservatorium op te richten en zijn nagedachtenis levend te houden. Zo is Rossini een identificatiepunt geworden voor de stad, in een land waar het gemeentewapen belangrijker is dan de nationale driekleur.

“Wij hebben Rossini in het bloed,” zegt Gianfranco Mariotti. Hij is gynaecoloog, maar in augustus gaat de praktijk dicht en leeft hij alleen nog maar voor Rossini. Mariotti heeft achttien jaar geleden het inititatief genomen voor een jaarlijkse festival om vergeten opera's van Rossini opnieuw onder de aandacht te brengen, met en passant een hele reeks andere activiteiten rondom Pesaro's beroemdste zoon. Nog steeds is Mariotti de drijvende kracht. Hij kan daarbij rekenen op de trouwe steun en de cheques van Walter Scavolini, de plaatselijke meubelfabrikant die ook het basketbalteam sponsort en heel de stad op de maaltijd noodde, aan ellenlange tafels langs de boulevard, toen zijn ploeg kampioen werd.

Lokale trots en passie voor opera voeden een unieke combinatie van wetenschappelijk muziekonderzoek, masterclasses voor veelbelovende zangers, en uitvoeringen waarin vergeten of afgesleten werken met nieuwe glans en vaak gerestaureerd worden gepresenteerd. Wetenschappers pogen een definitieve versie van de partituur vast te stellen en wonen de repetities bij als die versie wordt uitgeprobeerd. Zangers bekwamen zich in het specifieke belcanto van Rossini. “We hebben hier een soort laboratorium voor toegepaste musicologie,” zegt Mariotti. “Zoiets bestaat nergens ter wereld. Wij hebben de aanzet gegeven tot een herwaardering van Rossini en ervoor gezorgd dat het beeld dat over hem bestond, vaak niet meer dan een verzameling clichés, is bijgesteld.”

Rossini was een produktief componist, die veertig opera's componeerde. Tussen 1815 en 1830 rees zijn ster zo snel dat hij de muzikale Napoleon werd genoemd, iemand die in korte tijd heel Europa veroverde. Maar de smaken veranderden. Rossini werd steeds minder gespeeld. Na een paar decennia kende men hem alleen nog van komische opera's als Assepoester en De barbier van Sevilla, zijn grote hit, en van een aantal vrolijke ouvertures bij opera's die niet interessant genoeg waren om op het repertoire te zetten. Dat beeld werd bevestigd door een bekende quote van Beethoven: “Geef ons meer barbiers, Rossini.” Met als impliciete boodschap: laat die zogeheten serieuze opera's maar zitten.

“Ik denk dat we hier overtuigend hebben laten zien dat Rossini ten onrechte is vergeten als componist van serieuze opera's,” zegt Mariotti. “Niet meer dan een kwart van zijn werk is opera buffa, de rest is serieus. Bovendien zijn we er trots op dat we hier de echte Rossini kunnen presenteren. Hier in Pesaro hoor je de werken zoals hij ze uiteindelijk heeft bedoeld.”

Oude instrumenten

Overigens blijft de authenticiteit waarop het festival zo prat gaat, beperkt tot de partituren en de gezongen muziek. Over een orkest met oude instrumenten wordt al jaren gesproken, maar door financiële grenzen blijft het bij nadenken erover. Ook de decors zijn van deze tijd.

Rossini was een knip-en-plak componist, een meester in hergebruik. Bovendien veranderden hijzelf of anderen regelmatig wat in de partituren. Soms kwam er wat bij, dan weer werd er iets weggehaald omdat het te lang werd of te moeilijk was. De Stichting Rossini, opgericht met de nalatenschap van de componist, probeert zo dicht mogelijk bij een definitieve versie te komen. In het programmaboekje van Otello, een van de opera's die dit jaar op het programma stonden, staat het als volgt: “Deze nieuwe kritische uitgave van Otello probeert Rossini's definitieve versie van de opera aan te bieden, niet noodzakelijkerwijze wat er te horen was bij de première, maar wat de man uit Pesaro had gewild dat er te horen was.”

Soms gaat het om kleine reparaties aan de partituur. In de eerste acte van Otello zit een prachtige hoornsolo - Rossini's vader was een hoornspeler en hij heeft er zelf ook les op gehad. Daarin staan een paar maten die in de meeste latere manuscripten waren weggelaten, omdat ze op de toenmalige instrumenten bijna niet te spelen waren. Nu kan dat wel, en daarom zijn ze weer opgenomen.

Ook de orkestrale ondersteuning van de slotscène van Otello is anders dan bij de première. Rossini had dezelfde muziek gebruikt voor De barbier van Sevilla, die ook in 1816 in première ging. Die opera werd zo populair dat het stukje muziek niet meer te gebruiken was voor Otello en Rossini iets anders componeerde. Die correctie is nu opgenomen in de definitieve versie.

Bij andere opera's is het verschil groter. De gerestaureerde versie van Willem Tell die het festival in 1995 presenteerde, duurde vijf uur. Dat was bijna drie kwartier langer dan op de première in Parijs in 1829. Rossini had na de generale repetitie besloten een fors stuk te schrappen, uit angst dat het te lang zou worden. Later werd deze opera door anderen verder ingekort. Soms werd alleen maar de tweede acte opgevoerd, het gedeelte dat volgens Donizetti was 'geschreven door God'. Waren deze verminkingen de aanleiding voor Rossini om te stoppen met het schrijven van opera's, hoewel hij nog bijna veertig jaar zou leven? De musicologen zijn er nog niet over uitgesproken. Maar Pesaro heeft belangstellenden nu in staat gesteld zich een eigen oordeel te vormen over de laatste opera van Rossini.

Lang-vergeten

Het zijn niet zozeer de correcties en aanvullingen die de faam van het Rossini-festival hebben gemaakt, maar de herontdekkingen. Lang-vergeten opera's worden in ere hersteld. Twee jaar geleden is, voor het eerst sinds een eeuw, Mathilde van Shabran weer gespeeld. De vergeten Ermione is met succes vanuit Pesaro verder de wereld overgegaan.

Het fraaiste stukje muzikale archeologie van de Rossini-stichting speelt rond De reis naar Reims, een opera waarvan was aangenomen dat die verloren was gegaan. Het was de eerste opera die Rossini schreef voor zijn Franse opdrachtgevers. Het werk beleefde zijn première op 19 juni 1825, als onderdeel van de feestelijkheden bij de kroning van koning Karel X, in Reims. De opera was een enorm succes, maar Rossini gaf geen toestemming om hem elders op te voeren. Hij gebruikte wel hele stukken uit deze opera in een nieuw stuk dat drie jaar later zijn première beleefde: De graaf Ory. Het oorspronkelijke werk leek vergeten, maar in het revolutiejaar 1848 kwamen grote delen van de opera terug als Zullen we naar Parijs gaan? Zes jaar later werd in Wenen een bewerking opgevoerd met de aangepaste titel De reis naar Wenen bij het huwelijk van keizer Franz Joseph en keizerin Elizabeth.

Rond de eeuwwisseling luidde de gangbare these onder musicologen dat hij de beste stukken uit De reis naar Reims had gehaald en de rest van het muzikale manuscript had vernietigd omdat hij er ontevreden over was. Dat blijkt niet waar. Volgens een reconstructie door de Rossinistichting heeft Rossini's weduwe Olympe Pélissier het oorspronkelijke muzikale manuscript in 1878, tien jaar na zijn dood, geschonken aan zijn arts. Hoe de 149 vellen uiteindelijk terecht kwamen in de bibliotheek van de Accademia Santa Cecilia in Rome, is nog steeds onduidelijk, maar sinds het Rossini-festival in 1984 De reis naar Reims met veel succes opvoerde, staat dit werk weer hoog op het repertoire.

De basis onder deze heropvoeringen zijn noeste wetenschappelijke arbeid en speciale opleiding van Rossini-zangers. Iedere zomer verruilt Philip Gossett zijn kamer van hoogleraar muziek aan de universiteit van Chicago voor een oud kantoortje aan de via Rossini in Pesaro. Hij leidt daar een groep musicologen op die probeert orde te brengen in de vele versies van Rossini's werken. Doel is om in samenwerking met muziekuitgeverij Ricordi te komen tot een kritische uitgave van de verzamelde werken van Rossini. Dit monsterproject is begonnen in 1974. Met een ritme van twee per jaar worden de definitieve versies van Rossini's werken uitgebracht. Uiteindelijk moet er een tachtigtal dikke zwarte banden bij de stichting Rossini in de kast komen te staan.

Belcanto

Een vast onderdeel van het festival zijn de masterclasses die worden georganiseerd voor zangers die zich verder willen bekwamen in de stijl van Rossini. “We hebben ons gerealiseerd dat het niet voldoende is opera's van Rossini opnieuw uit te brengen. Je moet ook mensen opleiden die ze kunnen zingen,” zegt festival-directeur Mariotti. “Het was een vicieuze cirkel: de werken werden niet opgevoerd omdat er geen geschikte zangers waren, en zangers wilden zich niet in Rossini scholen omdat er te weinig van werd opgevoerd.”

Rossini is een man van het belcanto, van de pure muziek. De muziek brengt niet de emotie over, de muziek ìs de emotie. In zijn aria's zocht hij vooral de schoonheid en soepelheid van de stem, niet kracht of volume. De trillers en de toppen en dalen van Rossini's muziek stellen hele andere eisen aan zangers dan de extreem hoge noten waarmee componisten na hem accenten wilden zetten. Rossini heeft hier steeds aan vastgehouden, ook al was de smaak tijdens zijn leven al aan het veranderen. In een geruchtmakende uitvoering van Otello verving de tenor Tamberlick een hoge A door een hoge C. Het leidde tot een enorme woede-uitbarsting van de maestro, die dit vooral zag als overdreven muzikale krachtpatserij.

Het bekendste product van deze masterclasses is de Peruaanse tenor Juan Diego Florez. Twee jaar geleden mocht hij invallen toen een zanger ziek werd, dit jaar speelt hij de hoofdrol in Assepoester. Ook de zangers in Otello, de opening van dit jaar, waren volledig opgewassen tegen de speciale eisen van Rossini's muziek. Mariella Devia, in de rol van Desdemona, bevestigde met een schitterend optreden haar faam als de Italiaanse sopraan met de soepelste stem. De Amerikanen Paul Austin Kelly (Rodrigo) en Bruce Ford (Otello) streden om de trofee voor de beste Rossini-tenor, waarbij Ford won op zuiverheid, maar Austin Kelly op helderheid.

Toch was niet iedereen overtuigd na deze vaak subliem gezongen Otello. Dat het begeleidende Orkest van Toscane af en toe te wensen overliet, was het probleem niet. De pure schoonheid van een perfect gezongen aria is niet iedereen voldoende. Een vaak terugkerend punt van kritiek op het festival is dat het programma wel mooi is, maar weinig verrassend.

“Er wordt ons wel eens verweten dat we erg saai zijn, erg precies. Sommigen zeggen: te conventioneel,” zegt directeur Mariotti. “Maar het feit dat we geen concessies doen is juist onze kracht. Dat is de reden dat we zo'n goede naam hebben kunnen opbouwen.”

Hij heeft zich de kritiek wel aangetrokken. De grootste nieuwigheid dit jaar was Isabella, aangekondigd als 'een tiener-opera naar De Italiaanse in Algiers'. In dit werk, geschreven in opdracht van het Rossini-festival, probeert componist Azio Corghi rock-muziek te mengen met Rossini. “Het is een uitbreiding van wat we tot nu toe hebben gedaan,” zei Mariotti vooraf. “We wilden kijken of er interactie mogelijk is tussen Rossini en moderne muziek.”

Het doel was mooi, maar het resultaat zeer gemengd. Een popzanger en een klassieke zangeres die om beurten 'rock' en 'ross' roepen volstaan niet om rock en Rossini te integreren. In het middenstuk van deze tachtig minuten durende orkestversie zaten geslaagde elementen, met drie jonge tenoren en een sopraan die met verve Rossini-zonder-net-pak zongen. Maar de flauwe grapjes ('koekoek' door een solo voor cello en fluit), gekunstelde verhaallijn, betekenisloze geluids- en lichteffecten, en vooral de belegen opa-rock, vergalden veel van dat plezier.

Directeur Mariotti moet de bui na de repetities al hebben zien hangen. “Wij zeggen vaak dat we hechten aan een correcte interpretatie van Rossini, en daar blijven we bij,” zei hij. “Isabella is een poging om contact te zoeken met een wereld daarbuiten. Maar we zullen niet afwijken van ons hoofddoel, en dat is het herstellen en teruggeven aan het land van het erfgoed van een van de grootste componisten van Italië.”