H.A. Gomperts

De op 82-jarige leeftijd overleden criticus H.A. Gomperts is deze week in verschillende kranten op een keurige manier herdacht. Veel te keurig, vind ik.

Nu was H.A. Gomperts ook een keurige heer, misschien zelfs een honnˆete homme, zoals de term in zijn tijd luidde. Hij was naar Nederlandse maatstaven ook een uitstekend criticus. Zijn stuk over Willem Paap en het onvermogen van diens biograaf Jaap Meijer om in Paap meer te zien dan alleen een cynische antisemiet, is nog altijd bijzonder raak.

Als toneelrecensent, wat hij ook nog een tijdje is geweest, las hij eerst het stuk en ging hij pas daarna naar de voorstelling. Dat is een uitgestorven gewoonte, heb ik de indruk.

Een beetje vreemde man was hij ook. Lang geleden heb ik hem eens ge¨interviewd. Vlak na de oorlog was Gomperts in Parijs correspondent van Het Parool geweest en omdat mijn vader toen bij die krant werkte als redacteur buitenland, ging ik ter voorbereiding op het interview eerst bij hem te rade. “Tja”, zei mijn vader, “Gomperts is de enige correspondent die ik ooit heb meegemaakt die weigerde een telefoon te nemen. Je kon hem dus nooit bereiken en het was altijd afwachten of je een stuk van kreeg.”

Gomperts wenste niet te worden gebeld, want opbellen betekende dat hij gestoord werd in zijn diepe gedachten. Misschien was hij gewoon verlegen, misschien leed hij aan wat tegenwoordig telefoonangst wordt genoemd.

Het onverwachte was wel dat hij lange tijd midden op de Amsterdamse Wallen heeft gewoond. Om zijn huis te bereiken, moest je eerst langs etalages vol met uitgestalde dildo's en pornografische boekjes. Binnen was het plotseling heel anders. Hier heerste de serene rust van de kamergeleerde.

Tegen Hermans kon je, als je tenminste durfde, nog Wim zeggen, maar Gomperts met Hans aan spreken - want zo heette hij - dat was volkomen uitgesloten. Althans, zo voelde ik dat toen in die kolossale studeerkamer met die lederen fauteuils en die wanden vol met boeken.

W.F. Hermans... naar mijn idee kun je niet over Gomperts beginnen zonder de naam van Hermans te noemen. Toch zijn de meeste necrologen daarin geslaagd. Als je Kees Fens of Jaap Goedegebuure mag geloven, is de rol van Hermans niet groot genoeg geweest om even vermeld te worden. Misschien vonden ze het niet netjes, niet kies, om Gomperts zelfs na zijn dood nog te confronteren met Hermans.

Mijn vader had nog zo gezegd: “Begin nou niet over Hermans, want dat valt helemaal niet goed bij Gomperts”. In dat interview heb ik er ook heel lang omheen gedraaid. Wat vindt u van Ter Braak, van Vestdijk, van Mulisch, van Wolkers, van K.L. Poll, van Loe de Jong, van Maarten 't Hart, van H.J.A. Hofland, van Presser, van Gerard Reve, van Multatuli, van Slauerhoff, van Couperus, van enz., vroeg ik hem. Ten slotte, helemaal aan het eind, de eerste trams begonnen al weer te rijden, vroeg ik hem, ogenschijnlijk achteloos, zo tussen neus en lippen door: “En wat vindt u eigenlijk van W.F. Hermans?”.

Hij had net een kopje thee in de hand. Het was alsof ergens buiten, honderden kilometers ver weg, een trilling in de aardkorst onstond, die langzaam aanzwol tot een vloedgolf van een alles vernietigende kracht. De ramen begonnen te klepperen, een schoorsteen vloog van het dak en boven in de kasten, zo meende ik te zien, maakten boeken zich zo dik mogelijk om vooral niet van de planken te vallen.

“Eh... van Hermans”, zei hij met een zuinig mondje, “ben ik nooit zo'n vriend geweest.”

Dat was ontegenzeglijk waar. Ik vermoed zelfs dat Hermans de literaire ambities van Gomperts voor een groot deel heeft bedorven. Vrijwel zeker is de onenigheid begonnen in 1947, toen Hermans in Vrij Nederland de gedichtenbundel Van verlies en dood besprak. Daarin werd weliswaar de zuiverheid en helderheid van Gomperts' verzen geprezen, maar niettemin kwam Hermans uiteindelijk tot de conclusie dat het toch niet meer was dan een soort kinderpo¨ezie.

Gomperts is daar bijzonder kwaad over geworden. Gomperts wilde, althans volgens Hermans, toen ook niet meer aan Tirade meewerken, en is toen, althans volgens Hermans, met een eigen blaadje begonnen, dat hij Libertinage noemde. Het vreemde is echter dat Gomperts nadien nooit meer po¨ezie heeft gepubliceerd. Zijn toch al wankele zelfvertrouwen moet op dit punt zijn aangetast. Vermoedelijk vond hij diep in zijn hart dat Hermans gelijk had.

Nadien is Gomperts nog vele malen het mikpunt van Hermans geweest. Zelden is iemand met zoveel gezag zo overladen met spot en hoon. In de Nederlandse literatuur zijn weinig scheldstukken zo effectief geweest als PLucky Gomperts en het klein geluk. Hermans heeft het opgenomen in Mandarijnen op Zwavelzuur. Nog altijd kan ik dat stuk niet zonder droge ogen lezen. Er staan zinnen in die je niet vergeet.

'Nergens staan zoveel geslaagde zegswijzen die niet van H.A. Gomperts zijn als in de schaarse stukjes van H.A. Gomperts.'

'Zodra ik vind dat mijn naam weer eens in de krant moet komen, trap ik op Gomperts, niet uit kwaadaardigheid, maar zoals een tramconducteur trapt op zijn bel'.

Hilarisch is ook Hermans afhandeling van een journalistieke flater die Gomperts had begaan. Geheel ten onrechte had Gomperts een boekje van Max Croiset aan Vestdijk toegeschreven.

In zijn necrologie in De Volkskrant meent Kees Fens nog dat Gomperts zijn 'met argumenten' omklede blunder door 'overscherpzinnigheid' had gemaakt. Kom nou, Kees. Dat was gewoon ontzettend stom van Gomperts.

Nee, de aanval van Hermans heeft Gomperts' eigendunk geen goed gedaan. Toen ik Gomperts vertelde dat ik zijn stuk over Willem Paap zo waardeerde, antwoordde hij tot mijn verbazing dat Jacques de Kadt eigenlijk beter over Paap had geschreven.