Een reislustig jongmens

Roelof van Gelder, Jan Parmentier en Vibeke Roeper (red.): Souffrir pour parvenir. De wereld van Jan Huygen van Linschoten. Arcadia, 208 blz. ƒ 34,50

Jan Huygen van Linschoten is de oervader van de Nederlandse expansie. Neem een willekeurig overzicht van de Nederlandse koloniale expansie ter hand en in negen van de tien gevallen treft u op de eerste of tweede pagina Jan Huygen van Linschoten aan. Wat waren zijn wapenfeiten? Jong vertrokken naar Sevilla en Lissabon, nam hij in 1583 dienst bij een Portugese bisschop en vertrok naar Goa, de zetel van de Portugese onderkoning in Azië. Hij verbleef vijf jaar in zijn comfortabele dienstbetrekking en tekende op wat hij van de Aziatische kusten vernam. In 1592 in Nederland teruggekeerd, zette Van Linschoten zich aan de uitwerking van zijn manuscripten en spande hij zich in voor de Hollandse vaart op Azië. Zijn drieluik over zijn Aziatische reis, een mengeling van reisverhaal, etnografie, nautische gids en compendium van handelsgoederen, werd vooral bekend onder de naam van een van de geschriften: het Itinerario.

Van Linschotens bijzetting in het pantheon van de Nederlandse koloniale geschiedenis vond al vroeg plaats. Hij had daar de eigen hand in: de gedichten die zijn werken inleidden, schilderden hem af als ontdekkingsreiziger en pionier van de Nederlandse vaart. De uitgave van zijn werken was een prestigieuze onderneming en kwam op een geladen moment: ten tijde van de eerste Nederlandse pogingen de eigen vaart op Azië op touw te zetten.

'Souffrir pour parvenir' is het motto van Van Linschoten in het album van de Enkuizer arts en geleerde Paludanus. De bundel bevat een reeks artikelen over deze elusieve figuur, over wie weinig meer bekend is dan hetgeen hij in zijn boeken losliet. Erg is dat niet. Het zijn de tijd en plaats die Van Linschoten interessant maken, en natuurlijk de beeldvorming over zijn geschriften. De samenstellers van deze bundel hebben dat beseft en zijn erin geslaagd deze mistige figuur met zijn enorme reputatie profiel te geen. Naast biografie en publicatiegeschiedenis bieden de schrijvers een overzicht van de intellectuele omgeving van Van Linschoten. Vooral over Van Linschotens Portugese bronnen en de receptie van het Itinerario wordt boeiend nieuws verteld. Langs associatieve weg worden brede cirkels rondom de Enkhuizenaar getrokken. Zo vernemen we over honderden Nederlanders die voor Van Linschoten Azië hadden bereisd, over naturaliaverzamelingen in Enkhuizen en elders, over hoogleraarbenoemingen in de botanie aan de Leidse universiteit, en over de vruchteloze pogingen Azië langs de noordelijke poolroute te bereiken. Uit de artikelen komt onverbloemd naar voren dat de kennis over de wijde wereld Nederland al had bereikt voordat de Nederlandse schepen op de Aziatische wateren voeren.

Het Itinerario staat vol gegevens van horen zeggen en bevat ook regelrechte nonsens. Jan Huygen had namelijk niet alles zelf aanschouwd wat hij beschreef en moest zich dus baseren op bestaande publicaties en verhalen van zeelieden die de uithoeken van Azië wel hadden bezocht. Zo vertelt hij ons dat de Malabaren nooit trouwden en met elke vrouw konden slapen die ze zich wensten - een opwindend gegeven voor de meest vrijgezelle avonturiers op de Aziatische handelswegen -, en dat de Indiase olifanten met duizend tegelijk werden gevangen - een onmogelijkheid, aangezien olifanten zich slechts in kuddes van enkele tientallen bewegen.

Toch was het Itinerario voor zijn tijd een indrukwekkend geschrift. Het bevat talloze wetenswaardigheden over de Aziatische landen en steden en over hoe je er moest komen. Behalve een interessant en soms vermakelijk relaas van zijn eigen wederwaardigheden en een beschrijving van landen en volken in Azië en Afrika, maakte het Itinerario de kennis over zeeroutes en handelsproducten voor een groter Nederlands publiek toegankelijk. Het diende jarenlang als nuttige zeemansgids. Maar de eerste vloot die in 1595 langs zuidelijke Kaaproute naar Azië vertrok, had geen Itinerario aan boord, maar Van Linschotens kennis was al op andere wijze wel aan de deelnemers bekend. Men moest het verder doen met de mondelinge kennis van ervaren Azië-reizigers, met Portugese buitenlandse werken en kaarten. Vooral na het passeren van Kaap de Goede Hoop, waren de Portugese routes - door Van Linschoten beschreven - niet aan te bevelen. De Nederlanders ontweken liever de Portugese kanonnen, zochten hun eigen weg, en deden dat met succes.

Maar was het Itinerario werkelijk de eyeopener die de Nederlandse expansie mogelijk maakte, zoals vaak is beweerd? Die veronderstelling gaat uit van een nogal simpele opvatting over de verbreiding van kennis en herhaalt wat Jan Huygen en zijn uitgever de Nederlanders wilden doen geloven. Wat bewees Van Linschoten nu eigenlijk? Dat de Portugese monopoliepositie in Azië zo lek als een vergiet was? Honderden Nederlanders die eerder in de zestiende eeuw in Azië waren beland, hadden dit kunnen vertellen, en hebben dat ook daadwerkelijk gedaan. Dat kruidnagelen uit de Molukken kwamen, wist iedere Amsterdamse koopman. De nautische en cartografische kennis van Lucas Jansz Waghenaer en Petrus Plancius was van minstens even groot belang voor de Nederlandse Aziëvaart. En was de leider van de eerste Nederlandse expeditie, Cornelis de Houtman, in 1592 niet op verkenning geweest in Goa?

Van Linschoten was slechts een van de vele bouwstenen van de Nederlandse handel op Azië. Souffrir pour parvenir plaatst Van Linschoten in het licht van zijn tijd en relativeert daarmee - vaak onbedoeld - zijn iconendom.