Een eigenzinnige buitenbeen; Golo Mann (1909-1994)

Jeroen Koch: Golo Mann und die Deutsche Geschichte. Eine intellektuelle Biographie. Ferdinand Schöningh Verlag, ƒ 89,10

Wat is een intellectuele biografie? Een levensbeschrijving, waaruit het leven van een persoon consequent is weggelaten en hij of zij louter beschreven wordt als een couveuse van denkbeelden? Vergelijkbaar met die vele vaak onleesbaar saaie biografieën van staatslieden, die ogenschijnlijk in hun leven alleen maar daden stelden, nota's produceerden en verklaringen aflegden? Het is verre van ondenkbaar. Met een zekere huivering neemt men dan ook een boek ter hand dat zich nadrukkelijk als intellectuele biografie presenteert.

In het geval van Jeroen Kochs boek over de beroemde Duitse historicus Golo Mann (1909-1994), de tweede zoon van Thomas Mann, hoeft niet gehuiverd te worden. Het boek is verre van saai, het behandelt aan de hand van Golo Manns historische en journalistieke schrijven de hele Duitse geschiedenis in onze eeuw en het debat daarover en het geeft, ondanks de biografische terughoudendheid, een goed beeld van de sympathieke en fascinerende man die Golo was. Dit neemt niet weg dat wat meer persoonlijke details het boek niet zouden hebben misstaan. Golo's morsige en clowneske optreden als kind gaf al aan dat in de voorname schrijversvilla aan de Münchener Poschingerstrasse een buitenbeentje bezig was zich te ontwikkelen. Koch schrijft er niet over. En de summiere vermeldingen van Golo's spanningen met zijn ouderlijk huis wekken ten onrechte de indruk dat hij het vooral met zijn Olympische vader nimmer kon vinden. Dat is bepaald niet waar. Uit de correspondentie tussen Thomas Mann en Agnes Meyer, de Amerikaanse steun en toeverlaat van de Mann-familie, bleek al hoe na Golo als volwassen zoon Thomas aan het hart lag. Zelf vertelde Golo Mann mij, bij een van onze ontmoetingen in Zwitserland, verlegen en trots tegelijk dat zijn vaders oordeel over hem tenslotte genant positieve vormen had aangenomen.

Keuzevrijheid

Dit betekende niet dat Thomas Mann zich ooit de historische en politieke opvattingen van Golo eigen maakte. Hij bleef op dit punt sterk onder de invloed staan van zijn lievelingsdochter Erika, die naar links activisme neigde. Golo neigde daar niet toe. Als student was hij weliswaar lid van de socialistische studentenbond, maar al gauw verwierp hij zowel het marxisme als het historisme omdat beide 'immorele' geschiedopvattingen huldigden. Voor de marxisten is de arbeidersklasse de motor van de toekomst en wat zij doet en haar belangen dient is welgedaan. Voor het historisme valt het goede samen met wat in de historie succesvol is, waardoor in de Duitse versie de staat de beslissende morele instantie is.

Golo Mann dacht er anders over. Jeroen Koch heeft overtuigend en zorgvuldig weergegeven hoezeer Mann morele criteria vooropstelde bij het beoordelen van het wereldgebeuren. Taciteïsche geschiedschrijving was zijn ideaal en hij verwezenlijkte dat door in zijn boeken, zijn beroemde Wallenstein-biografie, maar veel sterker nog in zijn Deutsche Geschichte des 19. und 20. Jahrhunderts en zijn bundels essays, niet karig te zijn in het uitdelen van lof en kritiek. Daarbij was Manns uitgangspunt steeds dat de mens, hoewel vaak geneigd tot het kwaad, vrij is in zijn keuzes en dat hij steeds in staat is te kiezen voor de morele optie. Het is een standpunt dat doet denken aan de overtuiging van de Weense psychiater Victor Frankl, die vond dat onder alle omstandigheden, zelfs als gevangene in Auschwitz, de mens ruimte behield voor het geven van zin aan zijn leven.

Golo Mann kon met dit denken niet geloven in een overzichtelijke historische ontwikkeling die men met een theorie of allesomvattende visie in de greep zou kunnen krijgen. Juist door de keuzemogelijkheden bleef het wereldgebeuren een chaos, een warboel, waarin niets met zekerheid kon worden voorspeld. Het nationaal-socialisme had in Duitsland ook niét aan de macht kunnen komen om daarna Europa in bloed en puin te doen verzinken; als Hitler niet bestaan had was alles anders verlopen, was zijn vaste overtuiging. Dat het Derde Rijk ontstaan was en onder andere tot Auschwitz geleid had zag hij dan ook niet als historische onvermijdelijkheid, maar als de schuld van vele individuen. In collectieve schuld zag hij daarentegen niet veel (wel vond hij dat alle Duitsers inclusief de emigranten moesten delen in 'collectieve schaamte'), ook al kon hij niet vermijden in zijn historische analyses soms groepen aan te wijzen, zoals de Junker, de Duitse industriëlen, etc. als medeverantwoordelijk voor rampzalige ontwikkelingen.

Onenigheid

Manns historische denkbeelden leidden tot veel onenigheid met mede-historici in en buiten Duitsland. Koch beschrijft het verhelderend. De theorie dat Duitsland een eigen weg in de wereldgeschiedenis had bewandeld die wel moest leiden tot het Derde Rijk wees Golo Mann af. Hij vond het anti-Duitse geschiedschrijving. Ook het idee van het goede en slechte Duitsland accepteerde hij niet, evenmin als theorieën over het Duitse Volkswezen dat met zijn apolitieke Innerlichkeit wel had moeten vallen voor het duivelspact met de nazi's, zoals Thomas Mann bijvoorbeeld in zijn roman Doktor Faustus had beschreven. En al helemaal verwierp hij de visie, die in de eerste vijftien jaar na 1945 opgeld deed, dat de periode 1933-1945 een soort rampgat in de Duitse geschiedenis zou zijn geweest, waarvoor de schuldigen op het kerkhof lagen.

De nazitijd moest in Manns ogen worden geanalyseerd en besproken en de schuldigen moesten aan de kaak worden gesteld: dat vond hij na 1945 toen hij nog in Amerika doceerde en ook in 1958 toen hij terugkeerde naar de Bondsrepubliek van Adenauer, 'die Republik ohne Gedächtnis'. Zijn geschiedenis van Duitsland in de 19de en 20ste eeuw schreef hij dan ook omdat hij het als zijn plicht voelde zich te engageren, op te voeden, te waarschuwen en invloed uit te oefenen. Maar ook om historici als A.J.P. Taylor van repliek te dienen die de hele Duitse geschiedenis als een hysterische catastrofe hadden beschreven.

Zo ging hij ook de discussie aan met Hannah Arendt, met wier denken hij al weinig op had nadat ze het totalitarisme, onafhankelijk van de totalitaire monsters die het in de praktijk hadden gebracht, had herleid tot antisemitisme en imperialisme. Haar theorie van de banaliteit van het kwaad, ontwikkeld aan de hand van het Eichmann-proces maakte hem zelfs woedend. 'Böse Menschen, das ja; aber banale?' schreef hij nog in zijn levensherinneringen nadat hij in een recensie van Arendts Eichmann-boek al alle andere hoofdthema's van het boek van tafel had geveegd: haar minachting voor het Duitse verzet dat op 20 juli 1944 geprobeerd had Hitler te vermoorden, haar stelling dat het proces vooral de Israelische propaganda diende, haar felle kritiek op de Joodse Raden. Mann vond haar niet serieus. 'Grootsteedse grappenmakerij' noemde hij haar schrijven hatelijk. Zijn scherpe afwijzing van Arendts Eichmann-boek leidde tot een breuk tussen hem en hun beider leermeester: Karl Jaspers.

Met haar houding tegenover 'de mannen van de 20ste juli 1944' had Arendt Golo Mann diep gekwetst. Hij beschouwde hen juist als het hoogste en beste wat de moderne Duitse geschiedenis had opgeleverd, omdat deze grotendeels uit Pruisische adel bestaande groep uit morele motieven haar bijna uitzichtloze aanslag op Hitler had gepleegd. Zij had juist bewezen dat Hitler en Duitsland niet samenvielen zoals Goebbels de wereld wilde wijs maken en hij had geen goed woord over voor de Geallieerden, en vooral niet voor de 'historicus' Churchill, omdat zij dit niet beseft hadden. De '20ste juli' en de beoordeling ervan was bij uitstek een thema, waarbij Mann zijn kritiek de vrije loop liet en waar maakte wat hij taciteïsche geschiedschrijving noemde. Jeroen Koch zet als intellectuele biograaf van Mann terecht bij deze opvatting van historiografie vraagtekens. Er is een permanente spanning tussen Manns oordelen en het vaststellen van oorzaken, schrijft hij, zoals die er is tussen het absolute vrijheidsbegrip dat Mann hanteert als moraalfilosoof en het besef van de historicus dat menselijke vrijheid beperkt is. En hij wijst er nog eens op dat met Manns methode alleen individuele schuld gesignaleerd kan worden. Het is zeker een probleem, waar Mann niet uit is gekomen. Hij erkende trouwens ook dat het schuldprobleem in de geschiedenis eigenlijk onoplosbaar is.

Christelijke moraal

Koch wijst verder op een nog fundamenteler zwak punt in Manns historisch moralisme. Met welke morele criteria ging hij het verleden eigenlijk te lijf ? Het is één ding alle deterministische, de menselijke vrijheid ontkennende geschiedbeschouwingen van de hand te wijzen, maar dat lost het probleem niet op aan welke maatstaf men dan het menselijke handelen in wat Mann noemt de Spontaneïtät der Geschichte moet toetsen. Koch schrijft dat Mann het zich wel erg makkelijk maakte door hiervoor de christelijke waarden en normen te omhelzen met gerechtigheid als hoogste goed. Het hieraan toegevoegde begrip 'anachroniciteit' dat hij centraal stelde in de Huizingalezing die hij in 1979 in Leiden hield concretiseerde deze maatstaf nauwelijks. Op Kochs suggestie dat in onze eeuw en ook vroeger een 'ethisch vacuum' kan hebben bestaan waardoor het kiezen tussen het goede en het slechte op zijn zachtst gezegd problematisch was, geeft Manns werk geen antwoord.

Jeroen Koch noemt Golo Mann in zijn boek bij vele gelegenheden conservatief en hij doet dat niet zonder reden. Mann bewonderde zijn voorgangers Burke, Tocqueville, Acton en Burckhardt en die horen thuis in de conservatieve traditie. En ook Mann zelf greep terug op de christelijke moraal, hij was pessimistisch over de mens (wat overigens paste bij zijn melancholieke persoonlijkheid), was geen Verlichtingsoptimist en stond sceptisch tegenover elk rationalisme dat wereldverbeterende theorieën voortbracht. Maar meer dan hun conservatieve uitgangspunten bewonderde Mann in de vier genoemde historici uiteindelijk hun besef van het menselijk tekort in combinatie met een heldere blik voor de historische en maatschappelijke werkelijkheid.

Met die combinatie was Mann ook gezegend en zij bracht hem tot standpunten die vaak het tegenovergestelde van conservatief waren. Als student was hij een bewonderaar van de linkse Leopold Schwarzschild en diens Tagebuch. Hij was pacifist totdat Hitler hem ervan overtuigde dat 'si vis pacem para bellum'. Hij voelde zich als een vis in het water in de informele democratische sfeer van Amerika. De vergeetachtigheid wat betreft het naziverleden in de Bondsrepubliek van Adenauer kritiseerde hij scherp, al had hij bewondering voor de democratische grondslag die toen werd gelegd, voor Adenauers Westpolitik en diens beslissing Wiedergutmachung aan Israel te betalen. Hij was vóór erkenning van de DDR, de Oder-Neisse als Duitse oostgrens en steunde Willy Brandts Ostverträge. De buitenparlementaire niet-gewelddadige oppositie van studenten in de zeventiger jaren had zijn sympathie. In een bliksemsnelle Duitse hereniging na de val van de muur zag hij weinig.

Allemaal opvattingen die in de Duitse context van die tijd progressief waren.

Met labels als conservatief of progressief komt men bij Golo Mann niet ver. Hij was een eigenzinnige buitenbeen, een unieke stem in de vaak broeierige discussies in het Duitsland van zijn tijd, pleitend voor fairness, realisme en gerechtigheid, een stem die wel eens uitgleed maar nooit oversloeg. Jeroen Koch, die met deze intellectuele biografie in 1994 in Utrecht promoveerde, schreef een uitstekend boek over dit bijzondere lid van 'the amazing family'. Het ligt nu in een goede Duitse vertaling in Duitsland in de boekwinkel. In het Nederlands is het alleen te verkrijgen in dissertatievorm bij Atalanta in Houten.