Een bodemloos Oostduits gevoel

Daniela Dahn: Vertreibung ins Paradies. Unzeitgemäßsse Texte zur Zeit. Rowohlt, 197 blz. ƒ 19,25

Hoe wordt er in het voormalige Oost-Duitsland acht jaar na dato over de Duitse hereniging gedacht? En hoe ervaren de inwoners van de vroegere DDR het leven in het verenigde Duitsland? In de Duitse literatuur bestaat sinds enkele jaren een geheel nieuw genre, de Wendeliteratur, waarin Oost-Duitse schrijvers antwoorden op deze vragen proberen te formuleren. Het genre heeft de laatste tijd veel publiciteit gekregen, maar daarbij wordt vaak vergeten dat Oost-Duitse schrijvers niet alleen op literaire wijze rekenschap geven van hun verleden. De publiciste Daniela Dahn bijvoorbeeld haalt in talloze essays en artikelen al jaren scherp uit naar het Duitse verenigingsproces. Onlangs publiceerde ze de bundel Vertreibung ins Paradies. Het boek vormt een samenvatting van acht jaar provocatieve kritiek op het Duitse verenigingsproces, vanuit het perspectief van een linkse Oost-Duitse rebel. De teksten zijn niet altijd even geslaagd: Dahn laat zich vaak verleiden tot het gebruik van veelomvattende, ronkende woorden. Tegelijkertijd maakt ze op sommige momenten zichtbaar welke enorme cultuurkloof er nog altijd gaapt tussen 'ossies' en 'wessies'.

Daniela Dahn (1949) is een markant schrijfster. Nadat ze in 1981 bij de staatstelevisie werd ontslagen, zegde ze haar lidmaatschap op van de SED en werd publiciste. Als mede-oprichter van de burgerbeweging 'Democratische Aufbruch' was ze nauw betrokken bij de Oost-Duitse volksopstand in de zomer en het najaar van 1989. Het voorlopige hoogtepunt van haar schijverscarrière bereikte ze in 1996 met Westwärts und nicht vergessen. Vom Unbehagen in der Einheit, een serie essays die in Duitsland zeer goed verkocht. De opvolger, Vertreibung ins Paradies, vormt een even kritische verzameling opstellen, reportages, lezingen en een gedicht, die Dahn schreef tussen 1990 en 1998.

De schrijfster toont zich in deze laatste stukken, die verschenen in uiteenlopende bladen als de gezaghebbende Süddeutsche Zeitung en het linkse Neues Deutschland, zeer bitter over het gebrek aan respect en tact van de West-Duitsers. Ex-kanselier Willy Brandt had in 1990 aangedrongen op deze houding in zijn rede voor de eerste gezamenlijke Bondsdagvergadering, maar zijn oproep bleek al snel aan dovemansoren gericht. De West-Duitse regering heeft volgens Dahn systematisch verzuimd begrip op te brengen voor de mentaliteit van de Oost-Duitsers. De DDR was weliswaar een totalitaire staat, maar, zo stelt Dahn meer dan eens, haar bewoners waren tegelijkertijd opgegroeid in een land waar volledige werkgelegenheid heerste, waar concurrentie niet bestond en waar idealen als solidariteit, gemeenschappelijk eigendom en gelijke sociale kansen hoog in het vaandel stonden. Dit was de leefwereld van de Oost-Duitser en daarmee had tijdens de hereniging en daarna rekening gehouden moeten worden.

De DDR-burgers beseften volgens Dahn in 1989 heel goed dat zij veertig jaar lang hadden deelgenomen aan een mislukt en volkomen uit de hand gelopen experiment. Dat maakte hun idealen er echter niet minder strevenswaardig op. De publiciste betoogt dat de protestacties van '89 in de eerste plaats een poging waren om het Oost-Duitse systeem van binnenuit te veranderen. De actievoerders van het eerste uur wilden van de DDR geen tweede West-Duitsland maken, maar zochten naar een democratisering van de Oost-Duite samenleving.

Deze Oost-Duitse revolutie is volgens Dahn in de kiem gesmoord in het verenigde Duitse parlement. Dit parlement is minder democratisch dan de meeste Duitsers denken, zo suggereert de schrijfster. Belangengroeperingen als banken, industrieën en verzekeringsmaatschappijen zouden in de West-Duitse vorm van parlementaire democratie alle ruimte hebben gekregen om de snelle vereniging door te drukken. Op die manier zouden ze optimaal hebben kunnen profiteren van de verdeling van de failliete Oost-Duitse boedel.

Het is een conclusie die aan het denken zet, maar waarvoor Dahn weinig concrete bewijzen levert. In haar pogingen om de West-Duitse lezer te provoceren, verliest Dahn wel vaker de nuance uit het oog. Zo stelt ze in het stuk 'Was nun nicht zusammenwächst, gehört nicht zusammen' dat de Oost-Duitsers meer tijd hadden moeten krijgen om hun eigen 'basisdemocratie' te ontwikkelen. Daarin zouden voor het eerst 'volkseigendom' en democratie met elkaar worden gecombineerd. In artikelen die mettertijd steeds marxistischer gaan klinken, zet Dahn het grote belang dat Oost-Duitsers volgens haar aan het recht op arbeid en sociale zekerheid hechten, in om een radicaal alternatief te bieden voor het West-Duitse 'Realkapitalismus'. Zo is het volgens Dahn alleen mogelijk om door middel van collectivisering, een wereldwijde vakbond, een twintigurige werkweek en in het algemeen een afscheid van het liberaal-economisch denken volledige werkgelegenheid te bereiken en de armoede uit de wereld te bannen. Het zijn dergelijke utopische plannen die de kapitalistische wereld van de ondergang moeten redden.

Daniela Dahn overtuigt niet altijd wanneer ze vanuit haar Oost-Duitse optiek kritiek levert op de Westerse samenlevingen. Toch laat ze in een aantal stukken op indringende wijze zien hoe de bewoners van de voormalige DDR genadeloos werden geconfronteerd met het onbegrip van de West-Duitsers en de negatieve gevolgen van de werkloosheid, de confiscatie van huizen die aan de oude eigenaars werden teruggegeven, de uitverkoop van staatsbedrijven, de sterke afname van sociale voorzieningen en de reductie van de DDR tot een totalitaire 'Stasi-staat'. Bovendien maakt Dahn in een aantal stukken goed voelbaar hoeveel moeite het de zogenaamde 'ossies' kost om te leren leven in een sterk geïndividualiseerde consumptiemaatschappij.

In het stuk 'Er zeigt nicht die genügende Subordination. Eine Ausreiser-Karriere' uit 1990 wordt het relaas verteld van een dissidente gynaecoloog die in 1981 gedwongen werd naaar West-Duitsland te emigreren. Hij gaat op zoek naar een nieuwe baan, maar niet gewend om in sollicitatiebrieven zichzelf te verkopen, wordt hij keer op keer afgewezen. Wanneer hij uiteindelijk met behulp van een bevriende relatie een baan vindt, maakt hij kennis met de onderlinge haat en nijd in een ziekenhuis waarin iedereen voor zijn baan moet vechten. Hij levert kritiek op de werkwijze van de kliniek en hij wordt in zijn proeftijd ontslagen. Zijn vrouw begint ondertussen een eigen praktijk. Zij leert dat ze, om haar zaak rendabel te houden, de patiënten maar beter te vriend kan houden door veel middeltjes voor te schrijven.

Het zijn dergelijke, helaas te weinig voorkomende microgeschiedenissen die de werkelijke tragedie zichtbaar maken van wat Dahn een 'Mauer durch Kopf und Herz' noemt.

Daniela Dahn doet verwoede pogingen om in moreel en politiek opzicht een deel van het Oost-Duitse gedachtengoed te bewaren. Tegelijkertijd laat ze zien dat de BRD niet het paradijs is dat veel Oost-Duitsers verwachtten. Dahn kiest voor de provocatie en dat komt de nuancering niet ten goede. Jammer dat ze niet meer aandacht besteedt aan wat de gevluchte gynaecoloog omschrijft als 'ein bodenloses Gefühl, wenn über Nacht die eigenen Erfahrungen, die slechten und die guten, nicht mehr gelten'.