De troost van oude soulhits

Richard Price. Freedomland. Broadway Books, 546 blz. ƒ 49,90

De eerste honderd pagina's van Freedomland, de nieuwste roman van Richard Price, zijn niet om door te komen. Als een dolgedraaide scenarist presenteert Price de ene aanzet tot intrige na de andere. Er is de politieman Lorenzo Council die is opgegroeid in de zwarte probleemwijk Armstrong waar hij nu zijn rondes loopt. Hij maakt zich druk over de rondhangende jongeren bij de projects (verwaarloosde sociale woningbouw) en de nog altijd onopgeloste moord op een bejaard echtpaar, een jaar eerder. Er is de journaliste Jesse Haus die alle schietpartijen en dronken aanrijdingen in de buurt verslaat. En er is Brenda Martin, een blanke vrouw die met geperforeerde handen en een onbegrijpelijk verhaal bij de plaatselijke eerste hulppost binnenloopt.

Pas na 34 pagina's spreekt deze Martin, met wiens bloedende handen het boek begint, de woorden die de rest van het verhaal zullen sturen: 'Mijn zoon zit in de auto'. Ze heeft dan al een paar keer geprobeerd duidelijk te maken dat ze het slachtoffer is van een 'carjacker': een zwarte man aan wie ze de weg vroeg heeft haar uit haar auto gegooid en is er mee weggereden. Ze is meer van streek dan de diefstal van een auto zou rechtvaardigen. Als blijkt dat haar kind er bij betrokken is, is de zaak duidelijk, voor de lezer èn voor de plaatselijke politiemacht die onmiddellijk de buurt afgrendelt voor een grondig onderzoek.

Dan duurt het nog even voordat Price zijn plot op orde heeft. Price (ook bekend als scenario-schrijver van films als Color of Money, Ransom, Sea of Love) gedraagt zich als een regisseur van massascènes, die eigenlijk beter gedijt bij de intieme dialoog. Hij voert allerlei buurtbewoners op met ieder hun eigen problemen (verslaving, gevangenisstraf, werkloosheid) maar hij komt pas echt op gang in de passages waarin hij de confrontaties beschrijft tussen de ware hoofdpersonen: moeder Brenda Martin en politieman Lorenzo Council, die zoveel mogelijk informatie over de dader en de toedracht probeert los te krijgen; Brenda Martin en journaliste Jesse Haus, die zich tot in Martins appartement weet te manoeuvreren en zo informatie voor artikelen vergaart; en Brenda Martin en de lezer. Want de wanhoop van de alleenstaande, van haar enig kind beroofde vrouw is een van de pijlers van deze roman.

Kinderroof is de laatste tijd een vaker voorkomend thema in de Amerikaanse misdaadliteratuur. Behalve Price schreef ook Lorenzo Carcaterra er over in zijn laatste boek Apaches (1997). De auteurs, beiden bekend om hun voorkeur voor de onderkant van de maatschappij, kiezen dus nu voor het gruwelijkst denkbare motief om hun lezer mee om de oren te slaan. Wie zulk zwaar geschut aanrukt, is verplicht het bijbehorende verdriet en afgrijzen geloofwaardig te maken. Price slaagt daar beter in dan Carcaterra.

In Freedomland wendt Brenda Martin zich niet tot familie of vrienden, ze zoekt troost bij oude soulhits. Voor de buitenwereld maakt dit haar verdacht: een treurende moeder met een discman op. Maar de smartelijke noodzaak van Martin om steeds weer naar Solomon Burke, O.V. Wright of Percy Sledge te grijpen, schetst een aannemelijk en mooi beeld: die van de tijdelijke verdoving voor het leed en tumult waar ze middenin zit.

Richard Price ontleende een deel van zijn verhaal aan de werkelijkheid. In 1994 reed Susan Smith in South Carolina haar auto met haar twee zoontjes in een meer, waarbij de kinderen verdronken. Ze vertelde aan de politie dat de Mazda was gestolen door een zwarte man. Negen dagen later bekende Smith haar daad; ze werd veroordeeld tot levenslang.

Op ongeveer tweederde van Freedomland wordt de verdwijning van Cody Martin opgehelderd. De rol van zijn moeder blijkt anders dan ze zelf had voorgespiegeld, maar ook anders dan die van Susan Smith. Dan blijkt dat Price behalve de ontreddering van Brenda Martin, nòg een thema wil behandelen. De zaak van de blanke Martin met haar blanke zoontje en zwarte dader, waar de volledige politiemacht zich voor inzet, is de lont in de ontvlambare gemeenschap van Armstrong. Zou de politie net zoveel moeite doen voor een verdwenen zwart kind? En zijn ze misschien zo hartstochtelijk op zoek omdat het hier een zwarte dader betreft?

Het leven is niet makkelijk in Armstrong, zoveel maakt Price ons keer op keer duidelijk. Dat spreekt ook uit zijn schrijfstijl. Waren eerdere romans als The Brakes (1983) of Lady's Man (1978) nog grappig door hun groteskheid, in Freedomland verwijzen alle beelden en beeldspraken naar de ernst van de zaak. Neem alleen al de rij ijskasten die aan het begin van het boek klaar ligt om in de woningen te worden geplaatst: in de verbeelding van Lorenzo Council zijn de op hun rug liggende apparaten, die in het verhaal steeds weer opduiken, niets minder dan stralend witte doodskisten.

Volgend op de zaak Cody Martin komen de raciale onlusten als een bijna plichtmatige maatschappelijke context. Na Clockers (1992), zijn grootse epos over jonge zwarte crack-dealers (dat in 1995 werd verfilmd door Spike Lee), kon Price in Freedomland de tegenstelling tussen blank en zwart in een verarmde woonwijk als onderwerp nog niet loslaten. Dat is jammer, want afgezien van deze overeenkomst heeft hij zich voor Freedomland een nieuw idioom verworven. Verdwenen zijn de straattaal en het mannengedrag van Clockers. In plaats daarvan verrast Price met een nauwkeurige, realistische tekening van emotionele onttakeling.