De oogst van onze eeuw; Clifford Geertz: The Interpretation of Cultures, 1973

De Amerikaan Clifford Geertz (1926) is de enige antropoloog van wereldformaat die Nederlands leest. Vanaf 1952 deed hij regelmatig onderzoek in Indonesië, en in de literatuuropgaven van zijn boeken staan de statige titels van artikelen uit het vermaarde tijdschrift Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde foutloos weergegeven. Aan de koloniale land- en volkenkunde leverde hij een bijzondere bijdrage met zijn Agricultural Involution (1963) waarin hij de ontwikkeling van de landbouw onder de Hollanders in Indië samenvat met het begrip 'involutie'. Het boek was de vrucht van uitgebreid veldwerk dat het Massachusetts Institute of Technology in de jaren vijftig naar de stand van zaken in Indonesië deed. Het begrip 'involutie' voerde Geertz op om uit te drukken hoe door de toenemende bevolkingsdruk en landschaarste alle hoeken en gaatjes van de samenleving, letterlijk en figuurlijk, verstopt raakten met pachters, onderpachters en andere figuranten die van de rijstopbrengst een graantje meepikten.

Clifford Geertz: The Interpretation of Cultures, 470 blz. Fontana Press 1993, ƒ 39,45

Ook ver buiten de kring van oriëntalisten vond Geertz' karakterisering van de patstelling van waaruit zoveel jonge naties vertrokken, inburgering. Met de 'down to earth' aanpak van de Indonesische malaise, die hij in de ondertitel ook nog eens 'ecologisch' noemde, won Geertz de sympathie en bewondering van linkse indologen als W.F. Wertheim die in Evolutie en revolutie (1970) voortdurend flirtte met het begrip involutie.

Ook vóór de publicatie van The Interpretation of Cultures kon het belangstellenden niet ontgaan zijn dat Geertz grote betekenis toekende aan cultuur as such, dat wil zeggen als zelfstandige factor in het maatschappelijk leven. Al in 1960 had Geertz The Religion of Java geschreven, en bovendien bestond The Interpretation of Cultures grotendeels uit artikelen die al voor 1972 verschenen waren, het oudste zelfs in 1957. Maar in deze bundel van vijftien artikelen ordende hij zijn gedachten in een programma dat sindsdien bekend staat als 'interpreterende antropologie', en waarvan de methode in de inleiding met 'thick description' word aangeduid. De artikelen zijn losjes in delen gerangschikt die je met 'cultuur', 'religie', 'politiek' en 'Balinese proef op de som' zou kunnen betitelen. Het boek geldt binnen het vak als klassieker, en daarbuiten bezit het een zekere cult-status dankzij het begrip 'vette beschrijving' dat Geertz aan de filosoof Gilbert Ryle (1971) ontleende. Ryle achtte 'vette beschrijving' noodzakelijk om bijvoorbeeld uit te maken of iemand aan een tic leed, een blik van verstandhouding wisselde, of gewoon een gekke bek trok. Menselijke gedragingen liggen ingebed in een context van bedoelingen, en alleen uit een goed verhaal kan de betekenis van een knipoog of opgestoken vinger blijken. De interpreterende antropologie vertelt zulke verhalen over landen en volkeren. In het begrip dat mensen tijdens zo'n vertelling van elkaar hebben, en dat zich tenslotte aan de lezers van een antropologisch werk meedeelt, moeten we de cultuur zoeken: 'in het vermogen van de wetenschappelijke verbeelding om ons in contact te brengen met het leven van anderen'.

In het tweede deel probeert Geertz aan de hand van de prehistorie aannemelijk te maken dat de cultuur in de vorm van artefacten en symbolen een onlosmakelijk, bijna fysieke, karakteristiek van de menswording is. Zonder die 'zelfhulp' zouden mensen in chaotische verwarring raken, beweert hij, zo ontoereikend is hun natuurlijke aanleg. Mensen denken met hun handen, en religie is zo'n praktisch middel om de chaos te bestrijden die met 'de explosie van de neo-cortex' dreigde. Rituelen zijn in de woorden van Geertz 'een model van, en voor de werkelijkheid'. Dat die zingeving niet voor eens en altijd gegeven is zoals de oude volkenkunde met zijn keurige catalogus van 'godsdienst bij de Navaho, de Nuer, de Aboriginals etc.' suggereerde, verduidelijkt Geertz met een sterk verhaal over een begrafenis op Java in 1954. Het zielige gesol met een dood jongetje is de weerslag van een nieuwe geest die door de kampong waait. Oude afspraken tussen animisme en Islam komen opeens in een ketters daglicht te staan, als een van de partijen, de Islam, zich van een missie bewust wordt.

In het vierde deel, dat grotendeels over het wankele zelfbewustzijn van de net ontvoogde koloniën gaat, levert Geertz commentaar op de Islam als ongemakkelijk bestanddeel van het nieuwbakken nationalisme. In het voetspoor van de sociologen Max Weber en Karl Mannheim, die beiden een open oog voor de ceremoniële kant van de politiek hadden, pleit hij voor geduld en begrip in de ideologiekritiek. Denken gaat niet alleen met de handen, het vindt ook nog eens in het openbaar plaats, en eerste probeersels zien er vreemdsoortig uit. Leiders als Soekarno en Nehru moesten hun fantasie gebruiken om de verscheidenheid van Indonesië en India onder één noemer te brengen. Als hij dan echter de krachten onderzoekt die bij natievorming vrijkomen, verandert Geertz' hoop in vrees. Het bloedbad dat de coup en contra-coup in 1965 aanrichtten in Indonesië, niet in de laatste plaats op zijn geliefde Bali, was maar één brandhaard temidden van vele burgeroorlogen in de Derde Wereld.

Bali vormt de hoofdzaak van het laatste deel, en daar laat 'vette beschrijving' zich van zijn sterkste kant zien. Met pijnlijke precisie tekent Geertz hoe het persoonsgevoel, de tijdrekening en de formele omgang op het eiland met elkaar samenhangen. Hoogtepunt van de bundel is het laatste hoofdstuk over het Balinese hanengevecht. Het bloederige toernooi en de goklust eromheen worden steek voor steek, lus voor lus, teruggerekend naar de zelfkant van beheerste en gepolijste persoonlijkheden. Geertz toont ons een 'statusbloedbad' van Balinezen die voor elkaar niet onder willen doen. Na die samenballing van alle Balinese deugden en ondeugden in de betrekkingen rond het hanengevecht, kijkt de lezer raar op als Geertz opmerkt dat 'het hanengevecht evenmin de sleutel tot het bestaan op Bali is als het stierengevecht tot het leven in Spanje'.

De geur van heiligheid die om The Interpretation of Cultures hangt is niet makkelijk te verklaren. Geertz' opvatting dat religie - waarmee hij meestal 'ritueel' bedoelt - een willekeurige ingreep is, een houvast in de chaos, die aan alle denken voorafgaat, kon de verbouwereerde christen al aantreffen bij Freud, die Totem und Tabu (1913) besloot met een uitdagend: 'Im Anfang war die Tat'. (De 'thickest description' van een ritueel werd overigens door de oriëntalist Frits Staal geleverd, met AGNI. The Vedic Ritual of the Fire Altar (1983): negen kilo beschrijving!).

Ook op de verbeelding, die Geertz aanprijst als middel om met anderen in aanraking te komen, had hij niet het alleenrecht: eerder al brak C. Wright Mills, voor wie Geertz alleen maar bitse woorden over heeft, een lans voor The Sociological Imagination (1959). Geertz' langzame verwijdering van de aarde, weg van het geploeter in de sawah naar de ijle sferen van culturele betekenisgeving, werd opgemerkt door postmodernistische filosofen als Richard Rorty, en vond bijval van 'new historicists' als Robert Darnton en Carlo Ginzburg. In zijn latere Works and Lives (1988), dat zich uitdrukkelijk met de antropoloog als auteur bezighoudt, ontkent Geertz zich sterk te maken voor 'romantropologie'. Maar zijn alsmaar krulleriger stijl en de voorkeur die hij geeft aan literaire referenties boven ordinaire feiten, bezorgden hem de naam van een woordengoochelaar. 'Every people gets the politics it imagines', schrijft Geertz in The Interpretation of Cultures over Indonesië. Ooit onderzocht hij hoe de mensen zich moeizaam schikten in de ruimte die politiek en natuur hun lieten. Maar in latere verhalen is de ecologie een bijverschijnsel van de culturele grilligheid geworden.

Geertz heeft vandaag veel geestverwanten die zich mét hem bezighouden met de 'politics of meaning'. Maar niet weinigen betreuren de verwaarlozing van de 'meaning of politics' toen voornamelijk tere rituelen onderwerp van vette beschrijving werden.