De kartelschaar

Een kartelschaar in Nieuwegein wou altijd al een zakmes zijn. Hij dacht ik knip maar voor de sier in lapjes vilt en crêpepapier, een randje zo, een hoekje zus en steeds dezelfde karteltjes in steeds dezelfde fijne stof... Ik ben zo groot, ik ben zo grof.

Als zakmes zit je lekker klein in iemands zak, dat lijkt me fijn. Soms klapt die iemand je dan uit en snijdt met jou een mooie fluit of kerft met jou iets in een stam of smeert met jou een boterham. Je knipt geen kraagje voor een jurk, maar klieft een touw, of trekt een kurk. Een zakmes zijn is avontuur, zo dacht de kartelschaar vol vuur. Hij hield het vóór zich, dag en nacht, dus niemand wist waaraan hij dacht bij al het knippen dat hij dee. En op een dag kwam er een fee die zei: Mijn beste kartelschaar, je mag een wens doen. Zeg het maar. De kartelschaar was even stil. Ik...ik mag zeggen wat ik wil? De fee zei heel geduldig: Ja, maar denk er rustig over na. Toen zei de schaar: 't is gek, maar echt, ik ben zo aan mijn wens gehècht. En wordt mijn wens realiteit, dan ben ik hem voor altijd kwijt. Ik houd hem liever, goede fee. No problem, zei de fee, okee, het ga je goed! en ze verdween en liet hem met zijn wens alleen. Nu wil die schaar in Nieuwegein nog steeds het liefst een zakmes zijn.