De bezoedeling van het Witte Huis

De jacht op Bill Clinton werd al jaren geleden geopend door conservatieve uitgevers. Voormalige vrienden en vriendinnen, zakenpartners, veiligheidsagenten en journalisten haalden Clinton over de hekel als een roekeloze losbol. Overzicht van een complot in boekvorm tegen de eerste president die voortkwam uit de jaren zestig.

Lucianne Goldberg, Clinton-hater en uitgeefster, liet er vorige week in het BBC-programma Panorama geen misverstand over bestaan. Nadat de president in januari ontkend had een seksuele relatie te hebben gehad met 'die vrouw' wist ze dat hij als leugenaar zou worden ontmaskerd. Eindelijk, eindelijk had de president - ontwijker en ontduiker van Houdini-achtige allure - zich in een hoek gemanoeuvreerd waaruit hij niet meer kon ontsnappen.

Vanaf de dag in januari 1992 dat Clinton het ambt had aanvaard, vertelde Goldberg in Panorama, had ze zijn presidentschap 'onwettig' gevonden. De verkiezingscampagne van 1992 en de eerste vijf jaar van zijn regering moeten voor haar en haar geestverwanten een kwelling zijn geweest. Hoe vaak moeten ze niet hebben gedacht dat hij tegen de lamp zou lopen; hoe groot moet telkens weer hun teleurstelling zijn geweest dat hij opnieuw bleek te zijn ontsnapt.

Van de schandalen, pseudo-schandalen en politieke tegenslagen die Clinton zijn overkomen kan een kleine encyclopedie worden samengesteld: Gennifer Flowers, 'I did not inhale', dienstplichtontduiking, Whitewater, Travelgate, Filegate, Paula Jones, mislukte plannen voor de hervorming van de gezondheidszorg en de erop volgende Republikeinse 'revolutie', de financiering van de herverkiezingscampagne en Monica Lewinsky. Al deze schandalen wist hij te overleven. Sterker: het leek er waarachtig op dat hij kracht en energie putte uit iedere nieuwe tegenslag.

Tegelijk nam zijn arrogantie toe. Jim McDougal, oud-zakenpartner van de Clintons en voormalig boezemvriend die enkele maanden voor zijn dood alsnog werd bekeerd tot hater, schrijft in zijn memoires dat die arrogantie misschien de belangrijkste oorzaak is van de afkeer die Bill Clinton oproept: hij is niet alleen ongelooflijk intelligent, hij wrijft dat ook op ieder moment van de dag vriend en vijand onder de neus. Wie in zijn ban raakt, schrijft McDougal, komt in een orkaan terecht.

Niet voor niets overhandigde filmster Sylvester Stallone de afgelopen zomer, toen de naam Lewinsky even tot het verleden leek te horen, de president zijn bokshandschoenen uit de succesvolle filmserie Rocky. Rocky, het symbool van Amerikaanse onverzettelijkheid en Reaganeske dadenkracht, maakte een knieval voor Clinton, kind van de 'weke' jaren zestig en vertegenwoordiger van zo'n beetje alles waar Reagan tegen had geageerd. De president sprak bij die gelegenheid gedenkwaardige woorden. Hij zei genoegzaam te hebben bewezen dat hij wel tegen een stootje kan, en dat het nu tijd werd om in de aanval te gaan.Maar daar is het tot nu toe niet van gekomen.

Genadeklap

Het initiatief kwam weer bij Clintons tegenstanders te liggen, en het wachten is voor de zoveelste keer op de genadeklap. Nu Lucianne Goldberg ervan overtuigd zegt te zijn dat de president met succes in de val is gelokt, is het moment aangebroken de balans op te maken. Wat drijft de tegenpartij, de haters? Wat is de oorzaak van hun woede? En waarom beschouwen ze Clintons presidentschap - om met Goldberg te spreken - als onwettig?

Een antwoord op deze vragen is vrij nauwkeurig te geven aan de hand van de stroom boeken die de afgelopen jaren over Clinton is verschenen. Onder druk van conservatieve journalisten, die sinds de jaren tachtig aanzienlijk aan invloed hebben gewonnen, vonden tegenstanders en haters van Clinton de weg naar behoudende uitgevers. Het bleek een goudmijn. Hoe negatiever de boeken waren over Clinton wordt geschreven, hoe opener over zijn seksleven en aanverwante zaken, des te beter de verkoop.

Wie wil deze boeken lezen? In elk geval christelijke fundamentalisten, aanhangers van onbeperkt wapenbezit, wakers over de goede zeden en andere leden van de conservatieve coalitie die in behoudend Amerika tegen Clinton is gegroeid. Via een uitgekiende propagandacampagne zijn deze boeken bovendien onder de aandacht gebracht van de massa; zoals schandaalberichten over Clinton in roddelbladen en op Internet de afgelopen jaren hun weg hebben gevonden naar serieuze kranten, zo zijn boeken die tot voor kort niet serieus zouden zijn genomen via praatprogramma's op de televisie verspreid onder een groot publiek.

Dit alles verklaart waarom vrijwel iedereen die met de president te maken heeft gehad en sindsdien een rekening heeft te vereffenen, de kans heeft gekregen zijn verhaal op te schrijven. Dat heeft geleid tot prikkelende lectuur van Gennifer Flowers, Sleeping with the President (Anonymous Press, 1996), maar ook tot serieuze pogingen om de bevolking wakker te schudden en Amerika te verlossen van een immorele gladakker. Tot deze laatste categorie behoort The Death of Outrage van William Bennett, onder Ronald Reagan verantwoordelijk voor de War on Drugs, minister van onderwijs ten tijde van George Bush en schrijver van het immens populaire The Book of Virtues, een compendium van moralistische verhalen.

In het begin was er Flowers. Haar relaas, vlak voor de verkiezingen van 1996 in elkaar geflanst maar spelend toen Clinton nog gouverneur was van Arkansas, doet na publicatie van het Starr Report bijna frivool aan. Gouverneur Clinton, schrijft ze, was in bed een man van haast 'onuitstaanbare tederheid' die ook nog eens behept bleek te zijn met een aanzienlijk uithoudingsvermogen. Misschien, vermoedt ze, 'is deze energie wel vereist om het tot president van Amerika te brengen'. Tot haar spijt moet ze vaststellen dat Clinton ook kwalijke kanten had. Hij beloofde meer dan hij kon of wilde waarmaken en schoof haar ruw aan de kant toen hij haar niet langer kon gebruiken. Geen wonder dat ze met haar verhaal naar het roddelblad The Star stapte: ze kon het geld goed gebruiken en de wraak was zoet.

Een ander blad, de conservatieve American Spectator, speelde een belangrijke rol bij de onthulling dat gouverneur Clinton gebruik had gemaakt van de diensten van zijn chauffeurs bij het aanzoeken van bimbo's en andere gewillige vrouwen. De schrijver, de journalist David Brock, gold even als de Bob Woodward van rechts Amerika: hij was de man die de president in verband bracht met Paula Jones, een receptioniste die hij seksueel zou hebben benaderd. Jones begon naar aanleiding van Brocks artikel een rechtszaak tegen Clinton. Zonder Brock geen Jones, en zonder Jones geen Lewinsky.

Genieten van zijn faam kon Brock overigens niet. Hij schreef een boek over de First Lady, The Seduction of Hillary Clinton (The Free Press, 1996), dat voor tegenstanders van de Clintons een teleurstelling bleek omdat Brock een relatief sympathiek portret van haar schetste. Hillary was geen door machtswellust gedreven Queen Frigidaire, geen door ideologie bevangen feministe, maar een intelligente vrouw die keer op keer haar op seks beluste man van de politieke ondergang moest zien te redden, het gezin bijeen hield en ook nog eens kans zag aan haar carrière te werken. Sinds de publicatie van zijn boek beweert Block door de conservatieve gemeenschap als een melaatse te zijn behandeld. Dat mag nauwelijks verbazen, want elk positief woord over de aartsvijand is in die kringen verdacht. Toch is het ook kortzichtig. Want waar Hillary er goed vanaf komt, wordt Bill door Brock met de grond gelijk gemaakt. Hij komt uit het boek naar voren als een pathologische vreemdganger; zijn gouverneurschap kwam volgens de schrijver op de tweede plaats.

Seks speelt ook een prominente rol in Unlimited Access (Regnery, 1996) van voormalig FBI-agent Gary Aldrich, die een tijd in het Witte Huis werkte. De reden dat dit boek maandenlang op de bestsellerlijsten heeft gestaan is simpel:lezers hoopten uit eerste hand te vernemen wat de president en de First Lady op Pennsylvania Avenue uitspookten. Wat dat betreft valt het verhaal tegen. Hoewel Aldrich in de titel claimt onbeperkt toegang te hebben gehad tot vrijwel alle vertrekken in het Witte Huis, beroept hij zich in de praktijk zodra het spannend wordt op getuigen zoals schoonmakers, schilders en loodgieters. Een juridische veiligheidsklep wellicht, om een rechtszaak wegens laster te vermijden. Een stijlmiddel ook, om zich te verbergen achter andermans nieuwsgierigheid.

Een doorsnee-Amerikaan zou volgens Aldrich zijn ogen nauwelijks geloven als hij kon zien wat zich tijdens Clintons eerste jaren in het Witte Huis afspeelde. Twee mannen die 'het doen' op het bureau in een kantoor, twee vrouwen die 'als beesten tekeer gaan' onder een douche die voor joggers is bestemd. Waarlijk een heel verschil met de mores van de vorige bewoners van het Witte Huis, George en Barbara Bush. Maar ja, houdt Aldrich zijn lezers voor: dat krijg je ervan als de mentaliteit van de jaren zestig heerst in een van de meest gewijde huizen van Amerika. Niet voor niets worden door medewerkers van Clinton volgens de schrijver soms liederen aangeheven die populair waren bij de protestgeneratie tegen de oorlog in Vietnam.

Aldrich hoort het allemaal hoofdschuddend aan. Het beste dat van Clintons medewerkers kan worden gezegd is dat ze slordig zijn. Zo willen ze het door Bush ingestelde recycling-systeem voor vuilnisbakken maar niet begrijpen. Vrije seks en koffievlekken tegen de muren, daar komt het Witte Huis onder de Clintons volgens Aldrich op neer. Geen wonder dat het bedienend personeel het niet langer kan aanzien en de een na de ander zijn ontslag indient.

Verval

Seks, verval en corruptie zijn eveneens steekwoorden in Partners in Power (Henry Holt, 1996) van onderzoeksjournalist Roger Morris en Arkansas Mischief (Henry Holt, 1998) van Clintons eerdergenoemde voormalige zakenpartner Jim McDougal. Morris, die eerder goed ontvangen boeken schreef over de opkomst van Richard Nixon en diens veiligheidsadviseur Henry Kissinger, was begin jaren zeventig verbonden aan het ministerie van buitenlandse zaken. Hij nam ontslag uit protest tegen Nixons clandestiene bombardementen op Cambodja.

Met Partners in Power bewijst Morris vooral dat de achtergrond en opkomst van de Clintons zich niet eenvoudig laten vertellen. Maandenlang bracht hij door in Arkansas, en hij verwerkt alle roddels die er over de toenmalige gouverneur en zijn vrouw de ronde deden. Zo zou Clinton betrokken zijn geweest bij de smokkel van cocaïne en andere duistere zaakjes om zijn campagnekas te spekken. Bewijzen ontbreken, het blijft bij geruchten.

Het verhaal van McDougal is interessanter, omdat hij en zijn vrouw Susan (die ook nog enige tijd opgesloten was omdat ze weigerde details over haar relatie met de Clintons te vertellen aan aanklager Kenneth Starr) jarenlang intiem bevriend waren met Bill en Hillary. Hoewel hij niets meer van de Clintons moet hebben, neemt hij ze in één geval in bescherming: hun omstreden onroerend goed-investering in Whitewater was geheel te goeder trouw. Pas toen er later vragen over werden gesteld zouden de Clintons in paniek zijn geraakt en zijn begonnen met het verdoezelen van hun verleden. Halve waarheden en misleidende ontkenningen volgden, waarmee ze zich alleen maar dieper in de nesten werkten. Volgens zowel Morris als McDougal is Clinton een volstrekt gewetenloos politicus, die alleen maar denkt aan behoud en uitbreiding van zijn macht. Seks is zijn enige afleiding. Zo voorzichtig als hij is in het uitstippelen van beleid - om de gunst van de kiezers niet te verliezen - zo roekeloos is hij in zijn persoonlijk gedrag. Al ver voor de 'honderden verhoudingen' die hij aan Monica Lewinsky opbiechtte, wist McDougal hoe de vork in de steel stak: Bill kon namelijk ook al niet met zijn handen van zijn vrouw Susan afblijven. Morris trekt het verhaal veel breder. Hij aarzelt in navolging van andere kritische schrijvers tussen twee analyses: òf Clinton is kind van zijn tijd en omgeving, òf hij heeft juist de bevolking van Arkansas, en sinds zijn verkiezing alle Amerikanen, in zijn eigen corruptie meegesleurd. Eén ding staat voor Morris vast: Amerika is door en door corrupt en in de ban van, zoals hij het later in de New York Times verwoordde, 'casinokapitalisme' en een ongebreideld consumentisme. Bill Clinton is daarvan volgens hem de personificatie.

Het Starr-Report (Simon and Schuster, 1998), The Death of Outrage (Free Press,1998) en High Crimes and Misdemeanors (Regnery, 1998) zijn alledrie zeer onlangs gepubliceerd. Alle drie beogen ze de president te ontmaskeren tegen de achtergrond van de zaak-Lewinsky. Clinton is volgens de schrijvers (1) een ongedisciplineerde charlatan; (2) een pathologische leugenaar; (3) een immorele seksmaniak; en (4) een pure egoïst die de waardigheid van het ambt met zijn gedrag onherstelbare schade heeft toegebracht.

Er is de afgelopen weken herhaaldelijk op gewezen dat Clinton zich sinds het uitbreken van de affaire-Lewinsky heeft laten leiden door een batterij van juridische adviseurs, maar volgens het Starr-Report was dat aanvankelijk niet het geval. Vrijwel onmiddellijk na het uitbreken van de zaak op 21 januari, belde voormalig politiek adviseur Dick Morris, die zelf in een eerder stadium slachtoffer van een seksschandaal was geweest, met de president. De toon was meteen vertrouwelijk: 'You poor son of a bitch, ik heb zojuist gelezen wat er is gebeurd”. Morris probeert Clinton gerust te stellen: “Er is een groot gevoel van vergevingsgezindheid in dit land”. Waarop de president zich in zelfbeklag wentelt: “Ik heb mijn lichaam sinds de verkiezingen in seksueel opzicht op slot proberen te doen. Maar soms gaat er iets mis, zoals nu met dit meisje”. Wat nu te doen? Morris weet raad: eerst een opiniepeiling! Een andere adviseur wordt ingevlogen, Hollywood-producer Harry Thomasson. Hij raadt Clinton aan te vechten. Op zijn aanraden ontkent Clinton vervolgens alle beschuldigingen van een relatie met 'Miss Lewinsky', met een keurig klappende Hillary aan zijn zijde.

Moreel gezag

Een president, schrijft William Bennett in The Death of Outrage, behoort moreel gezag uit te stralen. Hij dient zich teweer te stellen tegen bepaalde destructieve culturele waarden, 'in plaats van die waarden te belichamen, te exploiteren en te manipuleren'. Een staatshoofd dat zijn driften niet in bedwang heeft, zich vervolgens in zijn radeloosheid wendt tot adviseurs die hem de weg wijzen van leugens en cover-ups, en alles in het werk stelt om de rechtsgang te belemmeren, dient volgens Bennett in het belang van het land en de Amerikaanse bevolking af te treden of te worden afgezet.

Wat The Death of Outrage tot een fascinerend boek maakt, is dat Bennett, evenals als Morris maar zonder diens paranoïa, onomwonden stelt dat een solide meerderheid van de Amerikanen de 'destructieve waarden' van Bill Clinton deelt of er onverschillig tegenover staat. Maar waar Morris uitgaat van economische corruptie, weet Bennett wat de werkelijke oorzaak is van de malaise: cultureel verval. Met FBI-agent Aldrich meent Bennett dat de Clintons een nieuwe, decadente generatie Amerikanen vertegenwoordigen, de erfenis van de jaren zestig. Al dertig jaar lang worden solide Amerikaanse waarden volgens hem geërodeerd door 'onzekerheid en onverschilligheid'. Anders dan Aldrich is Bennett ervan overtuigd dat de nieuwe generatie Amerikanen ook buiten de muren van het Witte Huis aan een grote mars is begonnen.

Schouderophalen

Zijn boek is een pamflet tegen het schouderophalen over die ontwikkeling, een laatste poging om degenen die niet tot het kamp van de president behoren te mobiliseren.

Wees sterk, toon kracht, laat je niet van de wijs brengen, houdt Bennett zijn lezers voor. Degenen die Clinton's gedrag een president onwaardig vinden, die hem verwijten een slecht voorbeeld te zijn voor de kinderen en die hem 'goddeloos' noemen, krijgen van Clinton-aanhangers te horen dat ze niet moeten '(ver)oordelen', omdat zulke morele oordelen niet meer van deze tijd zijn. Maar zonder oordelen te vellen, schrijft Bennett, hadden Amerikanen nooit een eind gemaakt aan de slavernij, of aan het nazisme en het communisme, hadden ze kinderarbeid niet onwettig verklaard, waren vrouwen niet geëmanpiceerd en was de burgerrechtenbeweging evenmin van de grond gekomen.

Ook de conservatieve juriste Ann Coulter heeft de hoop niet opgegeven dat de Amerikanen alsnog tot inkeer komen. In High Crimes and Misdemeanors probeert zij de onverschilligen van Bennett wakker te schudden met een beroep op de aartsvaderen. Het staatsbestel dat in de achttiende eeuw door deze briljante politieke denkers werd ontwikkeld is er volgens haar bij uitstek voor geschikt om een aartsleugenaar en meineed-pleger als Clinton, een man die 'niet geschikt is om te dienen', uit zijn ambt te ontzetten.

De zaak tegen Clinton, zo blijkt uit al deze boeken van zijn tegenstanders, is simpel genoeg maar tegelijkertijd de uitdrukking van een diep sociaal schisma in de Verenigde Staten. Voor conservatief Amerika is Bill Clinton wat Richard Nixon in de jaren zeventig voor links Amerika was: een schurk die nooit president had mogen worden. Dankzij Kenneth Starr belandt Clinton misschien toch daar waar hij volgens zijn radicaalste tegenstanders thuishoort: achter slot en grendel. Over de methodes die Starr daarbij hanteert halen Clintons vijanden op hun beurt hun schouders op.

Sterker: het is volgens Bennett 'in cultureel opzicht veelzeggend' dat het overspelig gedrag van de president onder het grote publiek alleen maar leidt tot gegeeuw, terwijl het feit dat Linda Tripp haar telefoongesprekken met Monica Lewinsky in het geheim heeft opnam grote verontwaardiging wekt. Opnieuw een bewijs dat Amerika de kluts kwijt is, zichzelf niet meer is. Bennett en zijn geestverwanten verlangen naar een tijd toen een gezin nog een gezin was, en afluisteren - om met voormalig president Nixon te spreken - 'zo Amerikaans als appeltaart en honkbal'. Naar de jaren vijftig.