De beelden van Cesare Pavese; Je loopt iemands leven in en je loopt er weer uit

In Turijn kan men zien wat de schrijver Cesare Pavese zag en beschreef. Hans Keller bezocht met een filmploeg de plekken waar het literaire beeld moeiteloos een filmbeeld wordt. “Je bent vermoedelijk maar eenmaal in je leven in het dodemansvertrek van een bewonderde schrijver.”

Citaten uit: Leven als ambacht; Een vis in het ijs; Het huis in de heuvels. De film 'Een man alleen' wordt 6 oktober a.s. uitgezonden door de VPRO.Al jaren is kamer 346 een begeerd onderkomen voor de 'nog levende vrienden van Pavese'

Men weet dat de dingen gebeuren wanneer ze al zijn geschied

Op 26 augustus 1950 reserveert de schrijver Cesare Pavese een kamer in Albergho Roma, een hotel tegenover het centrale station van Turijn, zijn woonplaats. Het moet een kamer zijn met telefoon. Daar heeft hij nadrukkelijk om gevraagd. Zijn zuster, bij wie hij in huis woont - in de Via Lamarmora, op loopafstand van station en hotel - heeft die morgen op zijn verzoek zijn koffer gepakt. Het is voor een lange reis, heeft hij gezegd. Hij is dan 41 jaar.

Op de avond van die hete dag meldt hij zich aan de balie van het hotel. Het is toch een kamer met telefoon? Jawel, kamer 346, op de derde. Hij draalt in de lounge en betreedt dan de lift. Zacht bonkend gaat het naar boven. Voetstappen door de gang, de sleutel in de deur, het gemiauw van het slot en de slag waarmee de deur achter hem dichtslaat. En verder? Hij moet nog gebeld hebben. Negen telefoontjes, zal de hotelhouder later aan de politie verklaren. Er werd maar een keer opgenomen. Het meisje wordt naderhand opgespoord. Waarover het ging? Of ze met hem uit wilde, maar daar had ze geen zin meer in. De overige acht telefoontjes gaven geen gehoor. “We waren er niet”, zei zijn vriendin Fernanda Pivano. “We waren er niet”, zegt zijn vriend Giulio Einaudi, “we waren naar buiten, het was te drukkend in de stad.”

Hun spijt over zijn laatste, eenzame nacht hebben we al gefilmd. Nu staan we op de gang van de derde verdieping van Hotel Roma en overleggen hoe het duistere kamernummer toch zichtbaar kan worden vastgelegd. Er moet in het schaarse licht vlak ernaast een schaduw bewegen, dan zie je het! Verderop in de gang gekwetter van kamermeisjes, het geplof van hun stapels opgevouwen lakens en hier de gedempte opgetogenheid van een filmploeg, elk lid tevreden over zijn eigen bijdrage aan de toch noodzakelijke oplossing van een nauwelijks waarneembaar probleem. Daarom hou ik zo van dit werk, een werkende filmploeg is een wandelend complot.

De lounge, de lift en de gang staan er al op, net als dat ellendige kamertje. Mevrouw Roma, de dochter van de vorige eigenaar, heeft het discreet voor ons geopend. Een vluchtige renovatie heeft de gelijkenis met de foto ervan uit 1950 gelukkig niet weggenomen. Het nachttafeltje naast het bed is pas geschilderd, maar nog van hetzelfde niervormige design uit de jaren vijftig. Naast het lege doosje slaaptabletten werd Pavese's laatste krabbel gevonden: Ik vergeef iedereen en ik vraag iedereen vergiffenis. Akkoord? En klets niet te veel! Het tv-toestel staat op wieltjes, zodat het bij elke nieuwe instelling achter de camera kan worden gereden. Ik zal tenslotte maar één instelling gebruiken, en dat wist ik eigenlijk toen al - maar ja, je bent vermoedelijk maar eenmaal in je leven in het dodemansvertrek van een bewonderde schrijver.

Ik vraag nog of Hein Aalders, die de research voor deze Pavese-expeditie heeft verricht en Italiaans spreekt, mevrouw Roma wil complimenteren met de decente opfrissing van het vertrek, zodat niet alle sporen lijken te zijn uitgewist. Hein schiet in de lach. Dat is al gebeurd en ze had gezegd, dat ze wel gek zou zijn als ze het anders had gedaan. Al jaren is kamer 346 een begeerd onderkomen voor de 'nog levende vrienden van Pavese', zoals zij de fans en exegeten van de schrijver noemt, die sinds jaar en dag uit alle windstreken naar Turijn komen om ter verering of meerdere concentratie hier te logeren. Pas onlangs was kamer 346 weer vrijgekomen, nadat een Japanse student er drie maanden lang had gewerkt aan een studie over de vereerde schrijver.

Bert van der Dungen maakt nog een extra geluidsopname van de stommelende lift. Cameraman Marc Felperlaan leunt op z'n statief, vragend. “We hebben 't”, zeg ik. Zo maak je soms een eind aan de aarzeling. Je bent iemands leven ingelopen en je loopt er zo weer uit.

Maar hoe zat het dan met die kat?'' vraagt Marc.

Een jaar voor zijn dood schreef Pavese de roman Vriendinnen, waarin drie vrouwen zijn grote thema's belichamen: het onoverkomelijke verlies van de jeugd, de weigering om emotioneel afstand te nemen en tegelijkertijd het onvermogen tot het onderhouden van hechte banden. Aan het slot van de roman pleegt een van de vriendinnen, Rosetta, in een gehuurde kamer zelfmoord en haar laatste zin luidt: Een kat had haar verraden - die was samen met haar in die kamer geweest en had de volgende dag zo gemiauwd en aan de deur gekrabd dat ze open hadden gedaan.

Die kat was literatuur, maar in de verhalen die naderhand over Pavese's eigen dood werden verteld, trad het denkbeeldige dier uit de pagina's van de roman om zich naar de echte hotelkamer te begeven, waar het op de ochtend van 27 augustus 1950 zo miauwde en aan de deur had gekrabd dat ze open hadden gedaan. Pavese was door een kat verraden. Mevrouw Roma heeft zich tenslotte bij de onuitroeibaarheid van dit gerucht neergelegd. Ze wijst er gasten die in het raamkozijn bijzondere aandacht aan de hotelpoes schenken, alleen nog op dat zelfs een kat met zeven levens de halve eeuw niet zou halen.

De literaire kat, die een echte kat wordt in een echte kamer is de metafoor voor het gevaar dat elk schrijversportret bedreigt - het geschrevene, maar vooral het gefilmde portret. Anekdotes over het schrijversleven worden achteraf het oeuvre ingeloodst en andersom: momenten uit het oeuvre, het liefst de meest intense, krijgen de triviale omlijsting van het familiealbum. Wat niet zonder reden werd verzonnen, wordt afgebeeld als de echte werkelijkheid.

Nu heeft Pavese het ons wat dat betreft moeilijk gemaakt. Zijn romans, zijn gedichten en de daarin vervatte thema's zijn, soms bijna letterlijk, ook voor wie niet opzettelijk zoekt - maar aandachtig leest - terug te vinden in zijn magnum opus Leven als ambacht, dat hij in 1935 opende en de avond voor zijn dood in 1950 afsloot met de nadrukkelijke bedoeling dat het gepubliceerd zou worden. Er zijn weinig andere schrijvers die zo'n gering onderscheid maken tussen hun literaire besef, hun verbeelding en de realiteit van hun bestaan. Achteraf is het alsof Pavese zijn romans in de werkelijkheid had geoefend, toen het scenario ervan ontwaarde en zich vervolgens aan het schrijven zette.

Zijn oeuvre is rijk en fascinerend. Zijn biografisch proces-verbaal is niettemin nauwelijks spectaculair. Geboren in 1908 tijdens een vakantie van zijn ouders in het dorpje Santo Stefano Belbo, in de streek van de Langhe, groeit hij daar deels op het platteland, deels in Turijn op. Zijn vader werkt in de stad bij het gerechtelijk apparaat. Hij doorloopt het gymnasium, gaat literatuur studeren, ontdekt de Amerikanen en maakt de eerste Italiaanse vertalingen van Melville, Stein, en Hemingway. Hij doceert aan de universiteit Angelsaksische literatuur - Fernanda Pivano, die hij later in de fatale nacht niet kan bereiken, is zijn leerlinge - en verdwijnt dan, verdacht van communistische sympathieën, voor een klein jaar in de heuvels van Zuid-Italië. Het regime van Mussolini heeft hem tot die ballingschap veroordeeld. Na gratie - Pavese heeft er om gevraagd - keert hij terug naar Turijn en helpt bij de oprichting van de progressieve uitgeverij van Guilio Einaudi - de vriend die hij later in die fatale nacht evenmin kan bereiken. Hij is een nauwgezet medewerker, op het manische af.

De topografie van zijn biografie beperkt zich tot Turijn, af en toe Rome en het oord van zijn kortstondige maar ontwortelende verbanning in het zuidelijke Brancaleone. Hij heeft een hevig, maar onvervuld verlangen naar Amerika. Hij publiceert gedichten, dan verhalen en romans, die hem een groeiende faam bezorgen. Op het hoogtepunt van zijn roem, enkele weken na de in ontvangstneming van de belangrijkste Italiaanse literaire prijs, de Premio Strega, sluit hij zich op en maakt een eind aan zijn leven: de zelfmoord als kroon op het werk van een man alleen.

Het bedrijven van poëzie is als liefde bedrijven; men weet nooit of de eigen vreugde gedeeld wordt.

Achter dat proces-verbaal gaat het leven van een man schuil, die wordt geobsedeerd door de vergeefsheid van alles. Al zijn liefdes lopen mis. Ze komen niet opdagen, ze nemen niet op of ze begrijpen hem niet. Hij vraagt Fernanda ten huwelijk, maar hij doet dat zo terloops dat ze het als een grapje beschouwt. Hij is beducht geworden voor zijn gebrek aan afstand. Hij heeft geleerd dat hij voor de dierbaarste mensen moet verbergen hoeveel plezier hij aan hun gezelschap beleeft. Het schrikt hen af en dat vindt hij afschuwelijk. Zo ontbreekt hem meer en meer het vermogen tot het onderhouden van hechte banden.

Dat drukt zich ook uit in een onbeholpen politiek instinct. Zijn sympathieën zwalken en zelfs in de oorlog kan hij niet kiezen. Onverteerbaar schuldgevoel daarover leidt later tot een extreme flirt met het communisme, gevolgd door een even snelle terugtocht. De enige werkelijke constante in zijn leven is zijn voortdurend op peil gehouden verstandhouding tot de tegenstelling tussen stad en platteland, tussen Turijn en zijn geboortedorp, zijn jeugd en het verstrijken ervan en ook daarin fascineert hem de doffe gloed van de vergeefsheid.

Alles ligt in de kinderjaren, ook de betovering van de toekomst.

Geboren in een wijndorp, waar hij alleen in de vakanties terugkeert, koestert hij later de zelfgemaakte mythe van een boerenafkomst. Hij groeit op en maakt carrière in Turijn, een strenge rechtlijnige stad, die hem aan het eind van bijna elke straat uitzicht biedt op de heuvels van zijn jeugd. Wie door de camera kijkt ziet zijn kernachtige beschrijvingen van die tegenstellingen op bijna elke straathoek in beeld verschijnen. De Turijnse architect Germano Taglisacchi, die me tien jaar geleden de stad liet zien toen zijn lokaal kleurenonderzoek hem de Sikkensprijs bezorgde, onthult me nu zijn eigen Pavese-route en leent hem aan de film.

“De stad was zijn maîtresse”, zegt Germano en hij brengt me naar plekken waar het literaire beeld zonder force een filmbeeld wordt. Hij legt me uit dat dankzij het anarcho-liberale karakter van Turijn de blik van de stad sinds mensenheugenis naar het westen gericht was, niet naar het zuiden waar vroeg of laat Afrika begint. De invloed van Amerika kwam er binnen dankzij de automobiel- en de filmindustrie. Van beide bedrijfstakken was Turijn tot het succes van Mussolini's Mars naar Rome in 1924 het onbetwiste centrum. Turijn telde in Pavese's jongelingsjaren meer dan dertig bioscopen. Hij was gek op Amerikaanse gangsterfilms en daar moet hij zijn 'Amerikaanse' smaak hebben ontwikkeld en zijn aandacht voor de Amerikaanse literatuur. Ook de doeltreffende en droge waarneming, die kenmerkend is voor zijn eigen stijl, leent hij aanvankelijk van James M. Cain en de schimmig flakkerende B-films van Warner Brothers. Totdat hij in de laatste jaren van zijn leven zijn vorm vindt en tenslotte wordt beschouwd als de uitvinder van het neorealisme, de literaire evenknie van die andere uitvinder, de cineast Luchino Visconti. Een schrijver die de verteller net zo genadeloos waarneemt als de personages die hem omringen.

Als een vis in het ijs.

Pavese nodigt voortdurend uit zijn optiek te zoeken, zijn kadreringen. Maar de wandelaar door Turijn of door de heuvels wordt door zijn aansporing ontmoedigd. De blik is te helder, te direct. Wat je rechtstreeks ziet, schampt en schuurt niet. Het huis in Via Lamarmora, Hotel Roma, bioscoop Lux in de Via Po, de rivier zelf, de heuvels erachter.

Het leven na zijn jeugd lijkt door hem waargenomen en beleefd als door de laatste commandant in de door iedereen verlaten 'war-room' van het bestaan. In het hartje van Turijn, in de trein van Santo Stefano Belbo, in Rome, in de voet van de laars van Italië.

We besluiten die ene verzuchting 'als een vis in het ijs' min of meer letterlijk te nemen. We doen net of de camera niets direct mag waarnemen. Alles wat hij ziet gebeurt via spiegelingen en in zijstraten, waaruit de gebeurtenis als bij toverslag is verdampt zodra we de hoek om zijn gekomen. Zo zijn we een week of drie op stap door het Italië van Pavese, zijn letterlijke routes en zijn verbeelding ervan. Tussen ons en de rest van de wereld staat het doorzichtige en vertekenende scherm van de schrijver. Aan hem en zijn blik zijn we, de hele ploeg inmiddels, onvoorwaardelijk trouw.

We zijn er. Alles stort ineen. De laatste tederheid heeft Doris me gegeven.

In 1947 wordt op de rijstvelden tussen Turijn en Milaan en in Rome de speelfilm Bittere rijst opgenomen. Naast de debuterende Silvana Magnano en - dan al routinier - Vittorio Gassman wordt de derde hoofdrol gespeeld door de Amerikaanse actrice Doris Dowling. Ze is met haar zus Constance, ook actrice, in de 'slipstream' terechtgekomen van vluchtelingen voor de heksenjacht op communisten in Hollywood en nu nabij Cinecittá neergestreken.

Pavese wordt eerst verliefd op Constance, maar na enkele weken raakt de romance verstikt. Constance keert terug naar Los Angeles. Doris, die is achtergebleven, vergezelt hem bij de uitreiking van de Premio Strega eind juli 1950, en dan raken zowel in zijn dagboek als in haar herinnering enkele dagen zoek.

Ook als Doris voor onze film is opgespoord, blijken die momenten voor altijd te zijn verdwenen. Ze beschrijft Pavese zoals ze hem heeft gekend en ze doet het met de zwaarbewapende charme die hoort bij een herinnering, waarvan ze is vergeten waarom hij nu opeens zo luid ligt te tikken.

Haar ontkenning zou de zelfmoordenaar een plezier doen.

Zelfmoordenaars zijn schuchtere moordenaars.