Biografie van M.C. Escher; Comfortabel het onmogelijke scheppend

Wim Hazeu: M.C. Escher. Een biografie. Meulenhoff, 560 blz. ƒ 75,–

J.L. Locher (red): Leven en werk van M.C. Escher. Meulenhoff achtste druk, 350 blz. ƒ 59,90 (pbk) *)

Ter gelegenheid van Eschers honderdste geboortejaar is in de Kunsthal te Rotterdam '100 jaar M.C. Escher (1898-1972)' een overzichtstentoonstelling van zijn werk te zien, tot en met 6 december. In Kasteel Groeneveld te Baarn wordt de tentoonstelling 'M.C. Escher: een leven in beeld' georganiseerd, van 3 oktober tot en met 20 december. Speciaal voor kinderen publiceerde de Kunsthal samen met uitgeverij Waanders 'Escher. Tovenaar op papier' door Bruno Ernst. 32 blz. ƒ 25,-.

Op 21 januari van dit jaar stonden voorop het tweede katern van de New York Times drie tekeningen in kleur afgedrukt die iedereen in de wereld kent. Het waren drie houtgravures van M.C. Escher, van wie in de Washingtonse National Gallery ter gelegenheid van zijn honderdste geboortedag een kleine tentoonstelling was georganiseerd die twee keer zoveel kijkers trok als daar gebruikelijk is. Roberta Smith maakt in haar stuk bij deze drie prenten duidelijk dat Escher niet alleen een slechte kunstenaar is in de zin dat hij er niets van kon, maar ook slecht in morele zin. Haar stuk eindigt met de vreemdste alinea die ik ooit over Escher las: 'Als je naar deze conformistische, nauwkeurig bestuurde figuren kijkt, dan vraag je je af of het fascisme, dat Escher verafschuwde, niet zijn kunst besmet heeft, en dat dit onbedoeld een onderwerp werd dat diep onder de oppervlakte ligt, maar er soms doorheen breekt.' Ik scheurde die alinea uit de krant in de overtuiging dat ik nooit iets krankzinnigers van een kunstcriticus zou lezen, maar vorige week stond in De Groene dat Mondriaan ook een fascist was, omdat hij zo hygiënisch werkte.

Het werk van Maurits Escher is vaak en mooi uitgegeven. In 1971, een jaar voor zijn dood, verscheen De werelden van M.C. Escher. In 1981 verscheen Leven en werk van M.C. Escher onder redactie van J.L. Locher, dat een biografie van 130 bladzijden bevat, een visie op zijn werk van de wiskundige Bruno Ernst, en een beschouwing van de kunstenaar zelf over de regelmatige vlakverdeling, het thema voor een groot deel van zijn werk. De helft van het boek van 350 bladzijden bestaat uit een catalogus van zijn werk, 448 prenten, allemaal afgebeeld, vaak in kleur. Van dat heerlijke boek is nu in vele talen een herdruk verschenen. En in Nederland is bovendien een biografie van Escher verschenen, geschreven door de biograaf van Achterberg en Slauerhoff, en binnenkort van Vestdijk, Wim Hazeu.

Dagboeken en brieven

Escher heeft zelf zijn hele leven gedocumenteerd door middel van dagboeken en brieven. Voor een biograaf is dat prettig, maar ook gevaarlijk. Het gevaar is natuurlijk dat de visie op de hoofdpersoon geheel bepaald wordt door die hoofdpersoon zelf. Escher had een pregnante schrijfstijl en wat je zowel in de biografie in Leven en Werken als in Hazeu's biografie bijblijft, zijn Eschers eigen woorden. Soms parafraseert Hazeu een stukje, en dat is eigenlijk altijd een achteruitgang. Een voorbeeld: op 5 november 1967 schrijft Escher: 'Ik lees (bijvoorbeeld in slapeloze uren des nachts) een indrukwekkend boek van Gerard Cornelis van het Reve. Het is, meen ik, zijn eersteling, in 1947 geschreven: De Avonden (...)'. Dit wordt bij Hazeu: 'En om deze slapeloosheid te bestrijden las hij maar weer een ander boek, De Avonden van Gerard Kornelis van het Reve: “Een indrukwekkend boek (...)” '

Nog een voorbeeld. Escher maakt een zeereis. Hazeu noemt zijn medepassagiers, onder wie een Duitser 'met één been; het andere was afgezet'. Hoe weet Hazeu dit? Ongetwijfeld uit Eschers eigen notitie. Stond daar ook dat onnozele 'het andere was afgezet'? Of ging het daar over een al dan niet in de oorlog verdwenen been?

Het klinkt ondankbaar, maar ik zou liever de verzamelde brieven en dagboeken van Escher bezitten dan Hazeu's verwatering ervan. Maar Hazeu voegt toch ook wat toe? Jazeker, hij geeft ons een beeld van Haarlem als Escher daar ter school gaat, van het Italië onder Mussolini als Escher daar woont, en van de Duitse bezetting als Escher in Baarn woont. Ik weet niet waar hij de historische informatie uit heeft gehaald, maar kloppen doet-ie niet altijd. Zo schafte Mussolini niet het Italiaanse woord voor 'jij' af, maar het voornaamwoord Lei, ons 'U'. Zo schrijft Hazeu: 'In 1943 werd de eerste groep joden afgevoerd naar een concentratiekamp.' Dat was in 1941 en in 1942 kwam de grote stroom deportaties op gang. Ik ben geen historicus, maar als ik al over zulke details val, wat is dan de waarde van die toevoegingen? Temeer daar Escher zich van Mussolini weinig aantrok. Roberta Smith schreef wel in de New York Times dat hij in 1935 vanwege Mussolini uit Italië vertrok, maar hij heeft daar van 1922 tot 1935 gewoond, dus jarenlang onder Mussolini.

Escher was een rustige, comfortabel levende, kunstenaar die zich weinig interesseerde voor de maatschappij. Hij sprak liever met de Baarnse Rotaryleden dan met Mick Jagger die hem vergeefs schreef. Hij had het geluk dat zolang zijn vader leefde, deze hem geld gaf en dat hij bij zijn dood een flinke erfenis kreeg, want van zijn werk kon hij niet rondkomen. Pas in zijn laatste jaren toen de bestellingen in aantal groeiden en de prijs per afdruk ook, werden zijn inkomsten groot. In plaats van zijn leven in te passen in de wereldgeschiedenis, zou je zijn leven moeten beschrijven aan de hand van zijn kunst.

De houtsnede was, voor de uitvinding van de fotografie, een democratisch middel om prenten in meervoud te vervaardigen. De houtsnijtechniek heeft zijn beperkingen en daardoor zijn typische eigenschappen: meestal wit-zwart, veel zwart, scherpe lijnen. Terwijl tijdens Eschers leven de reproductietechniek revolutionair veranderde, heeft hij zich gehouden aan het handwerk van graveren in hout of op steen. Hij bleef, ook toen de bestellingen groeiden, zijn eigen houtafdrukken op ouderwetse wijze met benen lepeltjes maken. Waarom tekende hij zijn beroemd geworden latere werk niet gewoon op papier en liet dat vermenigvuldigen? Die vraag wordt door Hazeu niet gesteld. Het antwoord zou een scherp beeld van het conservatisme van Escher geven.

Wereldroem

Na het traditionele werk kwam Escher met een soort prenten zoals die nooit eerder vervaardigd waren en die hem wereldroem gaven. Ik wil drie soorten onderscheiden, hoewel er meer zijn: de achtergrond-voorgrond-prenten waarin de contouren van de ene figuur de contouren van de andere zijn. Vogels en vissen is een goed voorbeeld. Dan is er een reeks prenten die het probleem behandelden dat op een tweedimensionaal vlak de driedimensionele werkelijkheid getekend wordt. Is perspectief de enige oplossing? In het verlengde van die problematiek liggen de laatste en beroemdste prenten van Escher: de onmogelijke werelden. Voorbeelden zijn het perpetuum mobile van Waterval en vooral de prent Prentententoonstelling uit 1956, waarin linksonder een toeschouwer naar een prent kijkt waar hij zelf in staat. Wie van rechtsonder met de klok mee de tekening rondloopt, zal bij elke zijde een vermenigvuldiging met een factor vier zien. Mij lijkt duidelijk dat de titel met zijn driemaal herhaalde lettergroep ent hier op wijst, maar over de titels van Escher heb ik nooit iets gelezen. Waarom heet de haan die op zijn mesthoop victorie kraait 'De theosophie'? Merk op hoe Escher die mesthoop niet als een hoop mest kon tekenen maar er een berg kristallen van maakte.

Het viel mij in dat Hazeu's biografie aan de hand van deze drie genres besproken kan worden.

Achtergrond-voorgrond.

Eschers figuur grenst aan die van zijn gezinsleden en die van zijn collega-kunstenaars. De enige werkelijk tragische figuur in de biografie is die van zijn echtgenote, de Russisch-Zwitserse Jetta Umiker. Vanaf haar eerste optreden krijgen wij de indruk van een labiele, irritante, lastige vrouw. Maar dit berust geheel op Eschers eigen woorden. Als het echtpaar 44 jaar getrouwd is, vlucht ze naar Zwitserland. Escher is duidelijk opgelucht. Waarom bleven ze zo lang bij elkaar? Waarom zat Escher zijn hele leven de hele dag alleen in zijn atelier? Waarom maakte hij zo graag in zijn eentje zeereizen? Wij krijgen niet alleen geen antwoord, de vraag wordt niet gesteld.

Als kunstenaar grenst Escher aan andere kunstenaars. Hij was gesteld op Dali en bevriend met J.M. Prange. Van de zogenaamde moderne kunst moest hij niets hebben. In 1959 loopt hij langs het Stedelijk Museum, waar 'een ouderwets urinoir wordt vertoond, gewoon aan de wand bevestigd, zondermeer'. Escher noemt het: een Dada-brouwsel uit omstreeks 1920. Hij schrijft: 'Als ik er de moeite en de moed voor over had, zou ik er een stinkbom in gooien'. Die agressie is bij niet-kunstenaars haast normaal, maar dat Escher tot het niveau van Roberta Smith en De Groene afdaalt, is opmerkelijk.

De vervlakking van de derde dimensie.

Een biograaf vervlakt de hele wereld tot een praatje om het hoofd van zijn hoofdpersoon. Ik begrijp best dat Hazeu nog vol was van Slauerhoff. Ik zou het hem niet kwalijk nemen als hij de naam van Slauerhoff, tenslotte ook in 1898 in Leeuwarden geboren, een keer had laten vallen. Maar niet elke twintig pagina's. Niet steeds wéér een gedicht! In een noot gaat het over Hendrik de Vries, en Hazeu schrijft dan: 'De Vries was een vriend van Slauerhoff, maar dit terzijde'. Hij had meer terzijde moeten laten.

Twee keer heeft Escher een Möbiusband getekend. Hazeu geeft daarvan een onbegrijpelijke definitie uit de Winkler Prins. De Möbiusband is een lange reep papier waarin een slag is gemaakt en dan met de uiteinden aan elkaar geplakt. Als je die band in de lengte in tweeën probeert te knippen lukt je dat niet, zoals Escher in een brief verbaasd schrijft. Hazeu had het fundamentele onbegrip over de Möbiusband mooi kunnen illustreren met de opmerking van de wiskundige Coxeter (te vinden in De werelden van Escher): 'De band van Möbius is doorgesneden over zijn gehele lengte, om het feit te illustreren dat hij samenhangend blijft'. Nee, zo was het niet. De meetkundige ziet dit als een primaire eigenschap van de M-band, voor Escher was het een verrassing. Toen ik in 1954 als eerstejaars bij de organisatie van het Wiskundig Wereldcongres werkte, waar een grote Escher-tentoonstelling bij hoorde, bleek dit fundamentele verschil tussen de wiskundigen en de kunstenaar zonder ophouden.

Onmogelijke Figuren

Het typische van Waterval en Belvédère en Prentententoonstelling is dat als je alleen naar een stukje van de prent kijkt, alles normaal is. Alleen wie het geheel overziet, merkt dat hij iets ziet dat in de werkelijkheid niet voor kan komen. Daarom worden op T-shirts en boekomslagen altijd hele Eschers vertoond. Daarom zijn de huiselijke zaakjes waarmee hij de voorstellingen vult, zo oubollig en daarom juist zo verrassend. Wie zijn kunst beoordeelt naar de kwaliteit waarmee hij pijpen of hoeden tekent, maakt dezelfde fouten als wie dat bij Magritte doet, ook in 1898 geboren, ook een ideeënschilder, ook iemand die het vlakke schilderij problematiseert, maar met meer humor.

Na Rembrandt en Van Gogh zijn Mondriaan en Escher de bekendste Nederlandse beeldverschaffers. Beiden begonnen met traditioneel werk. Beiden kwamen via een boom tot grotere afstand van het naturalisme. Beiden bleven bij hun oorspronkelijke techniek (schilderij, houtsnee. Stel je voor dat de computer een halve eeuw eerder had bestaan!). Beiden werkten ononderbroken fanatiek en dodelijk serieus. Beiden wisten over hun eigen werk weinig steekhoudends te zeggen. Beiden worden door iedereen in de hele wereld direct herkend. Beiden zijn in 1998 voor fascist uitgescholden.

Vorm

Maar wat een verschillen. Escher houdt altijd een naturalistisch detail in zijn meest fantastische beelden. Mondriaan schuwt elk naturalisme. Bij Escher gaat het altijd om de vorm, bij Mondriaan om de kleur. Mondriaan zweert bij horizontaal en vertikaal. Escher verafschuwt dat kruis. Beiden zijn geïnteresseerd in de noodzakelijke begrenzingen van het kunstwerk. Mondriaan verzon schijnbaar oneindige lijnen met kruispunten en vierkantjes aan de randen. Escher verzon zijn limietschilderijen.

Hazeu interesseert zich niet voor zulke zaken. Krijgen we straks een Vestdijk-biografie waarin het werk van Vestdijk niet de hoofdrol speelt?

Ik kan me voorstellen dat Hazeu geen zin had de idiote kritiek van Roberta Smith op te nemen in zijn boek dat hij op 15 mei afsloot. Maar waarom niet gewoon de auteurs genoemd van het vijandige stuk in Hollands Diep van januari 1976? Wie Betty van Garrel in de index opzoekt, vindt een verwijzing naar een ander stuk, maar niet naar dat stuk dat ze toen met Max van Rooy schreef. De vijandige houding van de kunstwereld tegen Escher is een belangrijk aspect van Eschers kunstenaarschap. Roberta Smith noemt hem de 'niet-kunstenaar van de niet-kunstenaars', maar dat is natuurlijk een ontkenning te veel. Waar is dat Escher vooral bewondering geniet van mensen die weinig naar musea gaan en dat hij verafschuwd wordt door bijna alle mensen die wel naar musea gaan. Dat feit zou in een biografie aan de orde hebben moeten komen.