Asbestinstituut erkent leed slachtoffers

De oprichting deze week van een instituut voor asbestslachtoffers is een belangrijke stap om de juridische lijdensweg voor asbestzieken te verkorten. Het is bovendien een gebaar van erkenning.

ROTTERDAM, 25 SEPT. Begin 1991 ging Arie Knoop in de Vut na een loopbaan van 38 jaar bij de RDM in Rotterdam. Twee jaar later overleed hij op 63-jarige leeftijd aan long- en buikvlieskanker (mesothelioom) als gevolg van jarenlang werken met asbest. Sindsdien vechten zijn vrouw en kinderen voor genoegdoening en erkenning. “Ik zag een gezonde man binnen enkele maanden wegkwijnen door die afschuwelijke ziekte. Natuurlijk kan smartengeld het verdriet niet wegnemen, maar het is belangrijk dat die bedrijven erkennen welk leed ze berokkend hebben”, zegt Jeanne Knoop-Ketting.

Drie jaar geleden richtte ze met anderen het Comité Asbestslachtoffers op om aandacht te vragen voor de vaak jarenlange juridische procedures waarin slachtoffers verwikkeld raken als ze een schadevergoeding eisen van hun voormalige werkgevers. Voordat de rechter tot een uitspraak komt, zijn de slachtoffers meestal al lang overleden. “Naast de ziekte is het de tweede lijdensweg die slachtoffers en nabestaanden moeten ondergaan”, zegt mevrouw Knoop, voorzitter van het comité waarbij zich zo'n achthonderd asbestslachtoffers hebben aangesloten.

Het akkoord dat deze week werd bereikt over de oprichting van een instituut voor asbestslachtoffers is de voorlopige bekroning op het werk van het comité. De afgelopen jaren trok het aan de bel bij ministeries, vakbonden, werkgeversorganisaties en verzekeringsmaatschappijen. Tegelijkertijd voerde de advocaat van het comité, mr R. Ruers, tientallen processen tegen werkgevers. In 1996 behaalde het comité zijn eerste grote succes toen de vorige staatssecretaris van Sociale Zaken, De Grave, aan oud-minister van Justitie en Defensie J. de Ruiter vroeg de asbestproblemen te onderzoeken. In zijn advies, een jaar later, stelde De Ruiter dat de juridische lijdensweg voorkomen kon worden door het instellen van een speciaal instituut voor asbestslachtoffers.

Volgens het akkoord kunnen asbestslachtoffers hun schadeclaim voortaan voorleggen aan het instituut. Als ook de aansprakelijk gestelde partij, meestal de voormalige werkgever en diens verzekeringsmaatschappij, instemmen met bemiddeling door het Instituut Asbestslachtoffers, probeert het instituut een schikking te treffen. Het bepalen of een asbestslachtoffer in aanmerking komt voor een schadevergoeding, gebeurt aan de hand van vaste protocollen. Daarbij wordt enerzijds bekeken of er een medische relatie bestaat tussen de ziekte en het werken met asbest. Daarnaast onderzoekt het instituut of het slachtoffer tijdens zijn werk in aanraking is gekomen met asbest.

De betrokken partijen hebben met elkaar afgesproken dat asbestslachtoffers een vaste schadevergoeding krijging van 90.000 gulden. Daarnaast kan per geval een aparte regeling worden getroffen voor andere schade, zoals inkomensverlies. Volgens oud-rechtbankpresident mr B. Asscher, die de onderhandelingen het afgelopen jaar leidde, biedt het instituut voldoende waarborgen voor alle partijen. “Als de partijen het toch niet eens worden, wordt het geschil voorgelegd aan de kantonrechter. We maken dan gebruik van een wetsartikel waardoor in een kort-gedingachtige procedure toch direct een bindende uitspraak wordt gedaan”, zegt Asscher.

Volgens de oud-rechter betekent de oprichting van het asbestinstituut niet alleen een verkorting van de juridische lijdensweg voor de slachtoffers, maar zal ook de werkdruk voor de rechterlijke macht verminderen. De werkgevers en de verzekeraars op hun beurt besparen veel tijd en geld aan langdurige processen. Bovendien voorkomen bedrijven zo dat ze negatief in de publiciteit komen.

Vooralsnog kunnen alleen asbestslachtoffers met long- en buikvlieskanker (mesothelioom) terecht bij het instituut. Bij deze ziekte is vastgesteld dat alleen asbest de veroorzaker kan zijn. Bij de tweede belangrijke asbestziekte, longkanker, is dat verband niet noodzakelijk. Volgens dr. P. Swuste van de Technische Universiteit Delft is het met name bij longkanker moeilijk te bewijzen of asbest de oorzaak is en niet bijvoorbeeld roken. “Uit onderzoek blijkt dat de relatie mesothelioom en longkanker ongeveer één op één is. Op basis daarvan kun je ervan uitgaan dat er tot 2035 nog ongeveer 40.000 asbestslachtoffers bijkomen.”

De gevaren van asbest zijn volgens Swuste al bijna honderd jaar bekend. Sinds de jaren dertig is ook in Nederland in vele publicaties gewezen op het risico voor asbestwerkers. Toch dateert het eerste asbestverbod van 1978 en het totale verbod op het gebruik van asbest is pas vijf jaar oud. Swuste: “Asbest was natuurlijk een industrieel wondermiddel. Hittebestendig, slijtvast en bestand tegen zuren. Het had zelfs de bijnaam het 'magisch mineraal'.” Een verbod op asbest stuitte daarom op verzet van werkgevers. Ook de overheid was terughoudend. In 1977 weigerde toenmalig minister Boersma van Sociale Zaken om naast blauw asbest ook wit asbest te verbieden, omdat dan veel banen verloren zouden gaan bij de Eternietfabriek in Twente, de grootste producent van asbestproducten.

Volgens advocaat Ruers van het Comité Asbestslachtoffers hoeft de overheid zichzelf daarom niet op de borst te kloppen wegens de financiële bijdragen (startkapitaal van 2,5 miljoen en een vergoeding voor slachtoffers van wie de voormalige werkgever niet meer aansprakelijk te stellen is) die aan het asbestinstituut zijn toegezegd. “Met name als werkgever heeft de overheid veel boter op het hoofd. Bij de scheepswerven van de marine en natuurlijk in het NAVO-commandocentrum in de Limburgse Cannerberg zijn mensen jarenlang onnodig blootgesteld aan asbest. De nieuwe regelingen zijn mooi, maar wel 25 jaar te laat”, zegt Ruers.