Agitprop en jazz; Russische en Amerikaanse propaganda

Sarah Davies: Popular Opinion in Stalin's Russia. Terror, Propaganda and Dissent, 1934-1941. Cambridge University Press, 236 blz. ƒ 135,70 Walter L. Hixson: Parting the Curtain. Propaganda, Culture, and the Cold War, 1945-1961. St. Martin's Press, 283 blz. ƒ 107,10 George R. Urban: Radio Free Europe and the Pursuit of Democracy. My War within the Cold War. Yale University Press, 322 blz. ƒ 83,30

Totalitaire regimes kunnen niet zonder propaganda. Samen met een goed geolied onderdrukkingsapparaat moet die ervoor zorgen dat de mening van de bevolking de juiste richting in wordt gestuurd. Al jaren voor hij zijn revolutie in Rusland begon, ontwierp Lenin een strategie voor zijn fameuze 'agitprop', een mengeling van agitatie, waaronder hij het aansporen tot bepaalde politieke of maatschappelijke acties verstond, en propaganda. De eerste moest via het gevoel de massa bereiken en de laatste appelleerde meer aan het intellect van de elite.

Sarah Davies schreef een boek dat nu eens niet handelt over de werking van de Sovjetpropaganda, maar over het effect ervan. In Popular Opinion in Stalin's Russia tracht zij de reacties van de gewone bevolking in kaart te brengen op verschillende thema's die door de Sovjetpropaganda werden uitgedragen, zoals economie, boeren, buitenland, familiepolitiek en de leiderscultus rond Stalin. Zij koos voor haar onderzoek de periode 1934 tot 1941, omdat daarin Stalin veel oude waarden van de Oktoberrevolutie liet vallen en bovendien de Grote Terreur in gang werd gezet.

Op haar inventieve methode van onderzoek is wel wat af te dingen. Haar belangrijkste bronnen, verslagen van de NKVD (geheime dienst), partij en Komsomol (de communistische jeugdbeweging) zouden gemakkelijk gemanipuleerd kunnen zijn door hun opstellers in hun streven 'vijanden van het volk' te ontmaskeren. In de sfeer van de terreur en angst lijkt dat niet ondenkbaar. Bovendien richt het onderzoek zich voornamelijk op Leningrad, toch een stad die gezien werd als een bolwerk van oppositie binnen de communistische partij. Die zwakke plekken ziet Davies ook, maar daar staat tegenover dat het een van de weinige manieren is om een glimp op te vangen van de verborgen wereld achter de slogans en de officiële taal.

Hongersnood

Op het 17de partijcongres in 1934 bijvoorbeeld, net na een gevoelige periode van hongersnood die vooral de Oekraïne teisterde, hield Stalin zijn gehoor voor dat het socialisme een einde aan de armoede had gemaakt. De Sovjetpropaganda draaide op volle toeren om het goede nieuws in alle uithoeken van de socialistische republieken te brengen. Die stuitte op de bittere realiteit van de arbeiders: 'Mooie woorden, maar er is geen brood', was een veel gehoorde kritiek tijdens discussies in de fabrieken. Het brood bleef tot 1935 op de bon en toen het rantsoen daarna werd opgeheven, verdubbelden de prijzen en waren vooral de grote gezinnen de dupe.

Aan de buitenlandse politiek had Stalins propaganda ook de handen vol. NKVD-informanten rapporteerden regelmatig uitingen van bewondering voor Hitlers Duitsland. De Führer vertegenwoordigde dynamiek, economisch succes, antisemitisme en expansiedrang en dat waren eigenschappen die sommige Russen wisten te overtuigen. 'In Duitsland is er voor iedere arbeider een auto, maar bij ons zijn er twee: een lijkwagen en een ambulance!', luidde een grap die in 1939 in de Sovjet-Unie rouleerde. Natuurlijk was lang niet iedereen van de nazi's gecharmeerd. Voor velen was bijvoorbeeld het Molotov-Ribbentrop-pact een regelrechte schok: 'Waarom sluiten we nu een verdrag met de fascisten, terwijl ze eerst schreeuwden dat ze onze vijanden zijn?' Partijpropagandisten stonden met de mond vol tanden tegenover dit soort vragen.

Absolute dissidenten waren schaars in Stalins tijd. Meestal richtte het volkse ongenoegen zich op een onderdeel van het beleid, zoals Davies aantoont. Haar verdienstelijke onderzoek maakt zichtbaar dat ook aan de basis lang niet iedereen ontvankelijk was voor de officiële propaganda. Tevens verleent haar boek een stem aan al die naamlozen die tot dusver nooit zijn gehoord.

De bevolking van de Sovjetstaat vormde eveneens het doelwit van de Amerikaanse propaganda tijdens de Koude Oorlog. In het midden van de jaren vijftig was het de Verenigde Staten weliswaar gelukt om met psychologische oorlogsvoering voor onrust achter het IJzeren Gordijn te zorgen, maar de verwachte bevrijding van het in hun visie geknechte volk bleef uit. Meer succes hadden de VS met culturele infiltratie. Volgens Walter L. Hixson speelde die een belangrijke rol bij de val van de communistische regimes. In zijn boek Parting the Curtain beschrijft hij hoe een toenemende bewustwording van de moderne consumptiegerichte maatschappij de verwachtingen van de Sovjetburgers verhoogde en de autoriteit van de communistische machthebbers op den duur ondermijnde. De jazz-uitzendingen van de Voice of America en het gelikte tijdschrift Amerika waren beter in staat het imago van de VS aantrekkelijk te maken, dan de vaak op angst gebaseerde aanpak van de psychologische oorlogsvoering.

Een werkelijke doorbraak met deze culturele infiltratietactiek boekten de Amerikanen in 1959. In dat jaar organiseerden zij in het Moskouse Sokolniki-park, een tentoonstelling die het welvarende leven in de VS moest weerspiegelen. In januari 1958 sloot Washington met het Kremlin daartoe een cultureel uitwisselingsverdrag, waarmee zij een eerste aanzet tot ontspanning gaven. President Eisenhower zette zich persoonlijk in om het evenement tot een succes te maken. Zes weken lang zouden honderdduizenden Sovjetburgers zich tijdens de zomer van 1959 vergapen aan de schone schijn van de 'Amerikaanse droom'. Een buitenkans voor de 450 Amerikaanse bedrijven die dit initiatief aangrepen om de Russen met hun producten te verleiden. In een glazen paviljoen waren allerlei goederen uitgestald die de Russen echter zelf niet konden aanschaffen. Voedsel, kleding, speelgoed, stereo-installaties, boeken, muziekinstrumenten en glimmend gepoetste auto's trokken veel bekijks en alle bezoekers mochten gratis Pepsi-Cola proeven. Speciaal getrainde gidsen gaven geduldig antwoord op alle vragen van het publiek en raakten niet zelden verzeild in felle discussies met Sovjetagitatoren, die op de kapitalistische maatschappij probeerden af te dingen wat ze konden.

Ondanks pogingen de tentoonstelling en de Amerikaanse levensstijl in diskrediet te brengen, werd Sokolniki een ware 'hit'. Zelfs Chroesjtsjov kreeg er niet genoeg van en bezocht de tentoonstelling maar liefst vier keer. Het Amerikaanse evenement scheen de Sovjet-Amerikaanse relaties te verbeteren. Maar de goodwill die tijdens Sokolniki was opgebouwd werd in één klap teniet gedaan toen in 1960 een Amerikaans U-2 spionagevliegtuig werd neergeschoten. Wel beseften de organisatoren dat de Amerikaanse massacultuur een enorme aantrekkingskracht had en die zou de komende dertig jaar verder worden uitgebuit.

Radiopropaganda

Tijdens de gehele Koude Oorlog bleek vooral de radiopropaganda een uiterst geschikt wapen. Met de dagelijkse uitzendingen van feitelijk nieuws, gelardeerd met entertainment (Jazz- en rock 'n' roll-programma's floreerden over de gehele USSR, tot in de kampen van de Goelag toe) hadden de westerse zenders enorm succes. Radio in the American Sector (RIAS) bestreek vanuit Berlijn Oost-Duitsland, Radio Liberation, later herdoopt in Radio Liberty, richtte zich op de Sovjet-Unie en Radio Free Europe (RFE) zocht haar luisteraars in de Oostbloklanden. Ex-directeur van deze laatste zender, George R. Urban, publiceerde recent zijn ervaringen met het radiostation dat komend jaar definitief uit de ether zal worden gehaald. In Radio Free Europe and the Pursuit of Democracy betuigt Urban zich als een overtuigde anticommunist. RFE, gesubsidieerd door de CIA, was duidelijk een zender met een missie. Onderverdeeld in verschillende afdelingen die ieder afzonderlijk verantwoordelijk waren voor een specifiek Oostblokland, probeerde RFE de banden van dat land met de USSR losser te maken. Daarbij werd herhaaldelijk beloofd dat het westen zou helpen met de welvaart en onafhankelijkheid, nadat de landen een democratische regering hadden aangesteld.

Belofte maakt schuld en die kan niet altijd worden ingelost. Zo raakte RFE in opspraak na de Hongaarse opstand in 1956 toen de zender de rebellerende bevolking aanzette zich tegen de Russen te verzetten. De radio beloofde zelfs westerse militaire hulp. Het hoofdstuk dat over deze periode handelt, is eigenlijk het interessantste uit Urbans boek, omdat hij hier zo gedetailleerd op ingaat en uit nog niet eerder gebruikte bronnen put. Zijn conclusie brengt overigens weinig nieuws: RFE stookte het vuur van de opstand aan en is dus medeschuldig aan de duur en intensiteit van de strijd. Wat niet bewezen kan worden, is de beschuldiging dat RFE oorzaak van de opstand was. Maar Urban kan met zijn nieuwe bronnenmateriaal en analyse van de twijfelachtige rol van RFE in het conflict niet het beeld van de toenmalige luisteraars teniet doen. Hixson, die de affaire in zijn boek ook beschrijft, citeert een ontgoochelde Hongaarse vluchteling, die net als velen van zijn lotgenoten daadwerkelijke steun verwachtte: 'Het wordt moeilijk de niet nagekomen beloften te vergeten. De meesten die de berichten geloofden zijn bitter teleurgesteld.' De radio was te ver gegaan en de propaganda bereikte slechts een averechts effect.