We zullen nooit kunnen loskomen van het verleden'

'MIJN LIEVE TREFF, je bent een mooi dier, een trotse vertegenwoordiger van je ras, lenig, flink, je haar glanst, je ogen glinsteren, je jachtinstinct laat niets te wensen over.

Maar aan wie zo rijk getalenteerd is, worden eisen gesteld. Als je nog een keer uitbreekt en op vreemd terrein terechtkomt, krijg je de kogel. (...) Je was vaak fantastisch, ik ben trots op je. Maar je temperament is je kracht en je zwakte. Of we zijn voor eeuwig met elkaar verbonden, dag en nacht, of de kogel. Jij hebt de keus, Treff. Ik vertrouw je Treff. Begrepen?'

In zijn laatste roman, Ein springender Brunnen, maakt Walser aan de hand van de uitbrander van een man aan zijn jachthond op ijzingwekkende manier duidelijk wat de keuze was in het Duitsland tussen 1932 en 1945. Meedoen of de ondergang. De uitbrander moet een les zijn voor Johann, de jonge hoofdpersoon in het boek, die zijn eigen kinderleven leidt in de zwarte jaren waarin de nazi's aan de macht komen.

“Ik wilde vertellen hoe het destijds was, aan de hand van een jonge jongen, Johann, die slechts zoveel wist als je destijds op die leeftijd kon weten. Het was absurd geweest Johann uit te rusten met de kennis die we nu hebben.”

Ooit wilde Walser vertellen over de atmosfeer uit zijn jeugd, die zich afspeelde tegen het decor van het opkomend nazisme: over de beklemming van religie, over wat allemaal niet mag, over verliefdheid. Vooral ook wilde Walser vertellen hoe de moeder van Johann, een hardwerkende katholieke vrouw, ertoe kwam lid van de partij te worden - zonder haar te veroordelen. Walser hoopte met de beschrijving van de moeder, die een herberg drijft, te verklaren hoe dat in heel Duitsland heeft kunnen gebeuren.

De roman speelt zich af in Wasserburg aan de Bodensee, waar Walser zelf is opgegroeid, en de moeder lijkt op Walsers moeder, die ook een herberg had en uit economische nood lid werd van de partij om het gezin voor het bankroet te redden. “Niet dat ze ooit haar hand hief, of zich bemoeide met de partij. Ze had net zo goed lid van een fiets- of wandelvereniging kunnen worden. Ze had alles gedaan om de omzet van haar herberg te garanderen en het gezin overeind te houden. “Alles”, zegt Walser, “alles, behalve een bordeel leiden.”

Het is een bewogen verhaal en Walser merkt aan de talloze brieven, ook van jongere lezers, dat het velen zo is vergaan. Nog nooit kreeg hij zoveel brieven als reactie op een roman. De Duitsers dragen de herinnering aan die twaalf donkere jaren nog altijd bij zich.

In Deutsche Sorgen, dat vorig jaar verscheen, schreef Walser dat het de plicht is van de Duitsers de horror van het fascisme levend te houden als datgene wat het is: het afval van de geschiedenis. “Het is een duurzaam proces waarvan we nooit loskomen, omdat het het kwaadaardigste deel van onze geschiedenis is.”

Maar daar heb je geen monument voor nodig, zoals een 'Holocaust-Denkmal' in Berlijn ter herdenking van de vermoorde joden, zegt hij vol afschuw. Walser heeft grote bedenkingen tegen de pleitbezorgers van zo'n monument, die zich opwerpen als het geweten van de natie en anderen voortdurend verwijten niet genoeg aan de Duitse schuld te denken.

“Moet je je voorstellen, er wordt hier serieus gediscussieerd over een Holocaust-monument dat middenin de hoofdstad moet komen ter grootte van een voetbalveld! Het wordt een woestenij van beton, een horrorplek.” Het zal alle mogelijke kwade geesten ertoe aanzetten zo'n monument te willen vernielen, vreest Walser. Het zal bewaakt moeten worden, misschien worden afgeschermd met prikkeldraad. “Dan belandt Duitsland met zijn verleden opnieuw op alle voorpagina's. Dat is toch vernietigend.” Als het debat over het monument na de verkiezingen opnieuw oplaait, begint hij een actie voor een volksreferendum.

Het verleden moet niet worden opgewekt bij wijze van provocatie. Evenmin mag de 'horror' van het verleden worden doodgezwegen. Die opdracht is een belangrijk thema in het recente werk van Martin Walser. Zoals zijn eigen generatie de verschrikkingen van het nazi-verleden levend moet houden, zo zullen nieuwe generaties de recentere geschiedenis onder ogen moeten durven zien: van de onderdrukking en stagnatie in de DDRen van de grote maar onafwendbare problemen die de hereniging met zich meebrengt.

In de geciviliseerde wereld is dat ook een kwestie van opvoeding, van onderwijs op scholen. Daarom heeft hij zorgen over de wijze waarop grote groepen 15- tot 25-jarigen hun ervaringen verwerken. Ze doen het niet door debat, maar met lege kreten en met geweld.

“Onze agenda is verstoord”, zegt Walser over het dagelijkse geweld van rechtse jongeren in het oosten. “De laatste keer dat ze zo verstoord raakte, was door de aanslagen van de RAF”.

Jongeren die hun protest zo kras als mogelijk uiten, noemen we rechts-radicalen, zegt hij schamper. Het mag een protestbeweging van rechts zijn, maar in eerste instantie is het een protestbeweging. Hoe radicaal ze wordt, “hangt van ons af”. Walser spreekt liever van verwarden; zodra ze hun mond opendoen, is niets anders dan wanhoop te horen. “Als ze met rekwisieten van het nationaal-socialisme optreden, doen ze dat vooral omdat ze weten dat ze ons daarmee het meeste pijn doen, vooral wanneer hun optreden wereldwijd op tv is te zien.”

Een echt gevaar ziet Walser niet in de hang naar uiterst rechts in de vroegere DDR. Verontrustend vindt hij het wel.

Het is een reactie op de verwaarlozing “van het nationale bewustzijn door ons allemaal”, zo vreest hij. “Alles wat met de natie te maken heeft, is getaboeïseerd onder verwijzing naar de nazi-tijd. Kan het niet zo wezen dat we door de pijnlijke isolatie de rechts-extreme tendenzen geradicaliseerd hebben?”, vraagt Walser zich af.

“De DDR had een solide ideologisch dak, zo leek het. Het werkte identiteitsversterkend. Nu het dak plotseling weg is, de begeerde mark verdwijnt en allerlei ellende als werkloosheid aan het licht komt, voelen sommigen zich heimatlos en hebben een sterkere natiewens dan hun geboden wordt.”

Het enige wat helpt, is lange en geduldige discussie, zegt Walser. Jongeren moeten niet worden vervloekt, wat nu gebeurt, en de PDS van de oud-communisten moet niet worden gedemoniseerd. “Het is oppositie die uit de ontevredenheid voortkomt.”

Walser gelooft niet dat de drang naar (n)ostalgie is opgewassen tegen de vitale invloed van de Westerse democratie, de Westerse economie en de Westerse levensvormen waarmee Oost-Duitsland wordt geconfronteerd. “Het hele aanbod uit het Westen is eenvoudig zo enorm dat deze op ressentimenten verkrampte gevoelens het op den duur zullen afleggen.