Van wie zijn de pensioenoverschotten?

De vraag van wie de overschotten in een pensioenfonds zijn laait weer op. De Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen wil een proefprocedure starten. Volgens deze Bond is het geld van de gepensioneerden. Dat zou nu maar eens via de rechter duidelijk gemaakt moeten worden.

De discussie over de 'eigendom' van de pensioengelden is niet van vandaag of gisteren. Toen de Pensioen- en spaarfondsenwet in 1952 tot stand kwam, poneerde het Tweede-Kamerlid Wagenaar al de stelling dat de pensioenpremie 'eigendom is en blijft van de deelnemer en verhoogd met samengestelde interest en de door de werkgever gestorte bijdragen geheel aan de deelnemer moet worden terug betaald'. Zover is het nooit gekomen. Wel is een aantal pogingen gedaan om via de rechter af te dwingen dat werknemers recht hebben op het overschot van een pensioenfonds. Zo speelde er in 1993 een zaak waarbij een groep werknemers uit het pensioenfonds Progress - het pensioenfonds van Unilever - moest treden. Dit had te maken met de overdracht van de aandelen van hun bedrijf aan een onderneming die buiten Unilever stond. De werknemers claimden toen dat zij een evenredig deel van het overschot in het Pensioenfonds mee moesten krijgen. Deze claim werd door de Hoge Raad afgewezen. De motivering was even summier als helder: in de statuten en reglementen van het pensioenfonds was niet bepaald dat de werknemers recht hebben op een overschot, dus dan hadden ze dat recht ook niet.

De Hoge Raad koos hierbij duidelijk voor de lijn van: afspraak is afspraak. En wat niet afgesproken is, kun je ook niet afdwingen. Het is een benadering vanuit de overeenkomstgedachte, die in principe ook de enig juiste zou moeten zijn. Een pensioenfonds heeft in feite als hoofdtaak er voor te zorgen dat de afgesproken pensioenen te gelegener tijd betaald kunnen worden. Een werknemer of gepensioneerde mag het pensioenfonds daaraan houden. Omgekeerd zal het pensioenfonds zich daar ook aan moeten houden. Dat betekent dat er voor het pensioenfonds ook geen juridische bevoegdheid is om zonder duidelijke grondslag in de statuten en reglementen, een overschot te gaan uitdelen. Ja nog sterker: indien een pensioenfonds zich niet aan de statuten en reglementen houdt, plegen de bestuurders blijkens de Pensioen- en spaarfondsenwet zelfs een strafbaar feit.

Er is ook een evident en voor de hand liggend belang mee gemoeid om geen overschot te gaan uitdelen. De gelden van het pensioenfonds zijn bestemd voor pensioenen. Het fonds zal er voor moeten zorgen dat het over een lange reeks van jaren nog genoeg geld in kas heeft om de pensioenen te betalen.

Ook moet bedacht worden dat een pensioenfonds geen spaarbankboekje of individuele belegging is. Bij die laatsten kan men de rendementen bijschrijven, kan men ook de verliezen incasseren en heeft men de beschikking over een kapitaal. Bij een pensioenfonds heeft men geen aanspraak op een kapitaal, maar op een periodieke levenslange uitkering. Het risico van lang leven is dus afgedekt. Bovendien zijn veelal ook het overlijdensrisico en het arbeidsongeschiktheidsrisico via een pensioenfonds afgedekt. Individuele aanspraken op het vermogen van het pensioenfonds - waar het overschot een deel van vormt - zijn hier vreemd aan.

Al deze uitgangspunten gelden net zo hard voor de werkgever als voor de werknemers. Ook de werkgever heeft in principe geen recht op het deel van het overschot in een pensioenfonds. In principe. Want de praktijk leert dat door sommige pensioenfondsen met regelmaat grote sommen geld aan de werkgever worden betaald. Dit is ook alleen maar dan mogelijk indien hierover een harde afspraak is gemaakt. Uitbetaling aan de werkgever wordt vaak ook gerechtvaardigd met het argument dat een werkgever ook moet bijpassen indien een pensioenfonds op enig moment onvoldoende middelen zou hebben om de pensioenverplichtingen na te komen. Het is dan passend bij het evenwicht in de verhoudingen dat een werkgever daartegenover van een overschotsituatie kan profiteren.

Naast uitkering van een overschot aan de werkgever komt het ook voor dat een overschot voor andere sociale doelen wordt ingezet. Zo is bekend dat bij sommige pensioenfondsen afvloeiingsregelingen van het personeel via het pensioenfonds zijn gefinancieerd. Hiernaast is de zogenaamde premie-holiday een bekend verschijnsel, dat wil zeggen de situatie dat de werkgever (en werknemers) vanwege de overschotsituatie geen premie aan het pensioenfonds verschuldigd zijn.

Betekent dit alles nu dat de Nederlandsche Bond voor Pensioenbelangen een kansloos juridisch gevecht aangaat? Die conclusie zou wel weer erg ver gaan. Elk pensioenfonds zal immers rekening hebben te houden met de algemene norm dat het fonds redelijk en billijk moet handelen. Specifiek in de Pensioen- en spaarfondsenwet is vastgelegd dat een pensioenfonds bij het vervullen van zijn taak voor evenwichtige behartiging van alle belangen moeten zorgen. Er zijn omstandigheden denkbaar dat het onredelijk, onbillijk en onevenwichtig kan zijn, om werknemers of gepensioneerden niet te laten delen in een overschot.

De wetsgeschiedenis noemt het voorbeeld dat er sprake is van grote beleggingsrendementen bij het pensioenfonds aan de ene kant, een hoge inflatie aan de andere kant, terwijl de pensioenen nominaal worden gehouden (dus geen indexering). Ja, dan brengt de redelijkheid mee dat de overschotten voor indexering worden gebruikt, een beleid dat bij vrijwel alle pensioenfondsen ook toegepast wordt. Overigens noemde de wetsgeschiedenis inflatiepercentages van 30 tot 40 procent. Er moet dus echt wel sprake zijn van een extreme situatie wil de redelijkheid en billijkheid nopen tot een inbreuk op de regel afspraak is afspraak.

De uitspraak van de Hoge Raad uit 1993 geeft een ander voorbeeld: indien een hele grote groep werknemers collectief uit een pensioenfonds treedt, kan er eventueel reden zijn hun een deel van het overschot mee te geven. Een ander denkbaar geval is dat werknemers altijd door premiebetaling hebben bijgedragen aan de vermogensvorming bij een pensioenfonds, terwijl overschotten stelselmatig alleen aan de werkgever worden terugbetaald en de werkgever feitelijk nimmer is aangesproken op zijn verplichting om eventuele tekorten in een pensioenfonds bij te spijkeren. De aanspraak op een overschot zal dus niet veel kans maken om tot algemene norm verheven te worden. Hooguit gaat het om enkele - ook nog vrij extreme - uitzonderingssituaties. En dat is ook maar goed ook.